Vrijdag in de negende week
    van het oneven jaar


Eerste lezing: Tobit 11,5-17
Evangelie: Marcus 12,35-37


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In zijn onderricht in de tempel wierp Jezus eens de vraag op:
“Hoe kunnen de schriftgeleerden zeggen
dat de Messias Zoon van David is?
David heeft zelf gezegd,
door de heilige Geest bewogen:
De Heer heeft gesproken tot mijn Heer:
zit aan mijn rechterhand
totdat Ik uw vijanden onder uw voeten heb gelegd.
Als David Hem Heer noemt,
hoe kan Hij dan zijn zoon zijn?”
Het merendeel van het volk luisterde graag naar Hem.

Homilie  
 

Jezus is 'Heer én Zoon'. 'Heer' is de verheven Godsnaam: Heer, 'Kurios' zoals in het 'Kyrie eleison', 'Heer, ontferm U.' Maar Jezus is ook 'Zoon', afhankelijk, iemand die als een kind alles moet vragen. Hij is de genezer van zieken: "Gij hebt me gekastijd, maar Gij schenkt me weer genade" (Tob 11,17), maar Hij is ook zelf de drager van de ziekte, iemand die uit zichzelf helemaal niets is. Zo'n leider hebben we eigenlijk het meeste nodig. Alle andere leiders blinken uit door kracht. Ze leiden omdat ze superieur zijn. Ze staan als het ware boven het gewone mens-zijn. Maar eigenlijk zijn ze niet helemaal menselijk. Jezus is onze leider in het mens-zijn, in het gewone, zwakke mens-zijn.

Vragen is een manier om te onderrichten, want iets gaat er pas in, als er vraag naar is. De mens is een vragend wezen. Het begin van alle wijsheid is de verwondering. Een kind is een kind, omdat het zich kan verwonderen. Door vragen te stellen stem je iemand tot nadenken. De waarheid kan zich eerst nestelen in de geopende, ontvankelijke geest. Eigenlijk is heel ons leven één grote vraag. Van het eigenlijke weten we niets en blijven we niets weten. Als een druppeltje in de wijn, als een rivier die uitmondt in de oceaan: je leven mag nog zo'n strakke vorm hebben en je mag van dag tot dag weten waar je aan toe bent. Juist dan: doordat er van het gewone niets aan het toeval of de improvisatie wordt overgelaten, komt de mens open voor het mysterie.
God is een geheim. Dat betekent niet, dat het nog alle kanten op kan: er kan een God zijn, maar misschien ook niet; er kan iets zijn na de dood, maar misschien is er wel niets; God is barmhartig, maar misschien ook niet. Dat God een mysterie is betekent dat de werkelijkheid van God die in Jezus is opengegaan, werkelijk onuitputtelijk is - een 'inaestimabele donum', een 'onschatbare gave'.

Een geheim is iets anders dan een probleem, of een raadsel. Een probleem of een raadsel kunnen we oplossen. Maar geheimen los je niet op; je kunt er altijd in vooruit. Altijd weer nieuw. Je hebt het nooit achter de rug. Je staat erin; je bent erin opgenomen. Voor eenvoudigen even moeilijk als voor geleerden. Om ons naar het niveau te brengen van het geheim, dat is de bedoeling van Jezus' vraag. Niet een vraag om iets op te lossen, maar om het geheim, de on-oploosbaarheid van zijn Persoon te verdiepen: Hij is de Zoon van David. Met al zijn grootheid toch van een menselijke afstamming. Maar Hij is ook de Heer. In de termen van de geloofsbelijdenis: 'waarlijk God en waarlijk mens.'