Negende zondag door het jaar,
                jaar A
Eerste lezing: Deuteronomium 11,18.26-28 [A 134]; antwoordpsalm: Psalm 31,2-3a.3bc-4.17.25 [A 134];
tweede lezing: Romeinen 3,21-25a.28 [A 135]; vers voor het evangelie: Johannes 14,23 [A 136]
Evangelie Matteüs 7,21-27 [A 136]


Het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Niet ieder die tot Mij zegt: Heer, Heer!
zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen,
maar hij die de wil doet van mijn Vader die in de hemel is.
Velen zullen op die dag tot Mij zeggen:
Heer, Heer, hebben wij niet in uw Naam geprofeteerd
en hebben wij niet in uw Naam duivels uitgedreven
en in uw Naam veel wonderen gedaan?
Maar dan zal Ik hun onomwonden verklaren:
nooit heb Ik u gekend;
gaat weg van Mij, gij die ongerechtigheid doet!
Ieder nu, die deze woorden van Mij hoort en ernaar handelt,
kan men vergelijken met een verstandig man
die zijn huis op de rotsgrond bouwde.
De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag,
de storm stak op en zij stortten zich op dat huis
maar het viel niet in, want het stond gegrondvest op de rots.
Maar ieder die deze woorden van Mij hoort
doch er niet naar handelt,
kan men vergelijken met een dwaas
die zijn huis bouwde op het zand.
De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag,
de storm stak op en zij beukten dat huis,
zodat het volledig verwoest werd.”

Homilie  

Jezus had gezegd: "Wacht u voor de valse profeten, mensen die tot u komen in schaapskleren, maar van binnen roofzuchtige wolven zijn. Aan hun vruchten zult gij ze kennen." Wat zijn dan de vruchten? Onrust, verwarring! De valse profeten maken van hun prestaties een factor van verdeeldheid. Jezus vernedert de valse profeten, want zij ontwrichten de samenleving, de gemeenschap. Ze doen zich volmaakt voor, komen op voor de rechte leer, onderhouden de regels, leven de wet na, hun gedrag is volmaakt, ze zijn op geen foutje te betrappen. Integendeel, ze scoren hoog op de ranglijst van de volmaaktheid en komen voortdurend aan met stunts, oogstrelende shows van goede daden, waarop ze zich dan ook beroepen: "Heer, Heer, hebben wij niet in uw Naam geprofeteerd? Hebben wij niet in uw Naam duivels uitgedreven en in uw Naam wonderen gedaan?" Profeteren, duivels uitdrijven, wonderen doen. Het maakt van hen een soort supervromen. Maar de gewone man, de gewone zuster, de gewone broeder krijgt er een minderwaardigheidsgevoel van.

Een concreet voorbeeld hiervan, weliswaar uit een ver verleden, is Ignatius, die in de eerste dagen van zijn religieuze ijver naar zijn eigen zeggen volkomen blind was en niets wist van onderscheiding, nederigheid en echte liefde. In de geest hield hij een soort wedstrijd met de geloofshelden die hij ontmoette in zijn lectuur, de Vitae Sanctorum, het leven van de heiligen: Franciscus, Dominicus. 'Wat zij kunnen, kan ik ook, en meer.' 'Wat zij gedaan hebben, daar wil ik mij mee meten.' Als hij dáárin was blijven steken, was ook hij zo'n valse profeet geworden, waarvoor Jezus ons in het evangelie waarschuwt.
Wie staan er dan tegenover deze valse profeten? Wie staan er tegenover de mensen die aan de weg timmeren? Dat zijn de bescheiden mensen, de nederigen, de gewone gelovigen, de kleine man, de stille gelovige die niet 'in' is, niet bijzonder religieus begaafd is, geen duivelbezweerder of wonderdoener. Mensen die de verschillende leden van de gemeenschap niet tegen elkaar uitspelen, die niet geneigd zijn het onkruid dat er tussen de tarwe staat, uit te rukken. De volmaakten tegenover de minder volmaakten! Als de leerlingen aan Jezus vragen of zij het onkruid bijeen moeten garen, zegt Jezus: "Nee, laat beide, onkruid en tarwe, samen opgroeien tot de oogst" (Mt 13,30). Tot het eindoordeel! Maar in de geschiedenis, hier en nu, op dit moment, zijn ze altijd samen. Zoals in het sleepnet. Ook daarin zitten grote en kleine vissen, vissen van allerlei soort. Kleine vissen, die onder de maat zijn, die men bij het sorteren weer teruggooit. Maar ook zíj moeten samen bewaard worden tot het einde van de wereld (Mt 13,47-50). Eerder mag je niet ingrijpen, tot zo lang moet je ze bij elkaar bewaren.

Aan deze voorbeelden van Jezus kun je zien dat volmaaktheid iets wereldlijks kan worden. In plaats van een genade die wordt ontvangen, en die men steeds opnieuw ontvangt in dankbaarheid, kan het een bezit worden, iets aards, een talent waarmee men anderen de ogen uitsteekt, waarmee men zelf goede sier maakt en zó de gemeenschap, die bestaat uit volmaakten en onvolmaakten, uit rechtvaardigen en zondaars, uit slechten en goeden, kapot maakt. Jezus zegt: "Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars” (Mt 9,13; vgl. Mc 2,17; Lc 5,32). “Voorwaar Ik zeg u: de tollenaars en de ontuchtige vrouwen gaan eerder dan u het Rijk Gods binnen" (Mt 21,31).

Jezus wil dat de mensen bij elkaar blijven en dat de zondaars met de heiligen samen aanzitten aan de tafel van de eucharistie. Maar eigenlijk zijn er geen heiligen, want "allen zijn zondaars", zegt Paulus (vgl. Rom 5,19). We beginnen de eucharistie immers met het confiteor: 'door mijn schuld, door mijn grote schuld.' Jezus maakt Johannes en Jakobus een streng verwijt, wanneer zij zich supervolmaakt voelen en "vuur uit de hemel (willen) afroepen om de Samaritanen te verdelgen" (Mt 9,54-55). Jezus is streng tegenover de strengen en zo straalt Hij vrede uit. Hij verzoent, Hij brengt bijeen. Hij sticht eenheid, zoals we in de eucharistie ondervinden. De vrede die Hij vanaf het altaar brengt en die u ook aan elkaar geeft, is een samenbrengende, verzoenende eenheid en vrede.

Iedere mens is wel verdeeld, heeft twee kanten: een goede kant, een zonkant en een minder goede kant, een schaduwkant. En wat doen de mensen met die tweedeling in zichzelf? Meestal doen ze dát wat ze ook in het openbare leven doen, de slechte, de minder goede kanten wegduwen, er overheen lopen, verdringen. Dat doen de mensen óók met hun eigen binnenwereld en dat is precies de reden waarom zij innerlijk verdeeld blijven. Die innerlijke verdeeldheid wil Jezus nu juist verzoenen. Hij wil die mee aan tafel hebben en laten beschijnen door de zon van de goedheid van de Vader, die inderdaad "de zon laat opgaan over slechten én goeden en het laat regenen over rechtvaardigen én onrechtvaardigen" (Mt 5,45).