Bekering van de heilige Paulus
                                (eigen lezingen)


Eerste lezing: Handelingen 22,3-16
Evangelie: Marcus 16,15-18


Inleiding  


Het feest van de bekering van de heilige apostel Paulus wordt ingeleid met de intredezang: 'Ik weet aan wie ik mijn vertrouwen heb gegeven en ik ben zeker dat Hij, die machtig is, ook mij zal bewaren tot op die dag die Hij voor mij heeft bewaard.' Ik ben zeker. Zelfverzekerd? Nee, zeker van Hem. Dat is vertrouwen en dát moet in het middelpunt staan. Niet onze eigen macht, onze eigen kracht, niet wat wíj doen om, bijvoorbeeld, de eenheid te zoeken en tot stand te brengen, maar dat wij daarbij meegaan in een beweging die van Christus uitgaat, van zijn gebed: "Dat allen één mogen zijn" (Joh 17,21). Mogen wij ons in dat gebed van Jezus laten opnemen, en onze menselijke verhoudingen laten bezielen door die beweging die er van Jezus uitgaat, om allen één te maken in Hem en zijn Vader.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd verscheen Jezus aan de elf en zei:
“Gaat uit over de hele wereld
en verkondigt het evangelie aan heel de schepping.
Wie gelooft en gedoopt is, zal gered worden,
maar wie niet gelooft zal veroordeeld worden.
En deze tekenen zullen de gelovigen vergezellen:
in mijn Naam zullen ze duivels uitdrijven,
nieuwe talen spreken, slangen opnemen;
zelfs als ze dodelijk vergif drinken zal het hun geen kwaad doen;
en als ze aan zieken de handen opleggen, zullen dezen genezen zijn.”

Homilie
 

Wat bekering kan inhouden zien we vandaag in de bekeringsgeschiedenis van Paulus. In de eerste lezing vertelt hij met verve hoe hij na zijn bekering diametraal de andere kant uit is gegaan. Hij was een Christusvervolger en hij werd een Christusvolger. De man die "aan de hogepriesters brieven vroeg voor de synagogen in Damascus, om er alle aanhangers van de Weg die hij zou vinden, mannen zowel als vrouwen, gevangen naar Jeruzalem te mogen voeren" (Hand 9,2), werd zelf een gevangene. Hij werd geboeid door Christus, en dat maakte hem tot een volgeling. En eens bekeerd, voor altijd bekeerd!

Werkt dat ook zo bij ons, wanneer wij de verkeerde weg zijn ingeslagen en iemand er ons op wijst dat wij ons moeten bekeren, dat wij de andere kant moet uitgaan. Komen wij bij ons doel wanneer wij de andere richting zijn ingeslagen? Nee, zo is het niet. Als je je bekeert, neem je wel een andere richting, maar wat nog niet is omgekeerd, is je eigen 'ik'. Je eigen 'ik' is dé sta in de weg van de bekering. Want de mens is nu eenmaal vervuld van zelfzucht, van ikzucht. Niet zozeer de weg die je insloeg was verkeerd, je ideeën of je gedrag, maar de motor, de bron, de inspiratie van dat alles. Die bekering, die op het moment dat hij dat schreef nog moest plaatsvinden, heeft Paulus later als volgt onder woorden gebracht: "Ikzelf leef niet meer, Christus is het die leeft in mij" (Gal 2,20).

Die bekering is eigenlijk een dood- en verrijzenisgebeuren. De grenzen van het 'ik' worden opengebroken, doorgebroken, waardoor het 'ik' zichzelf verliest om zich opnieuw te vinden in een groter 'ik', in een wereldomspannend 'ik', een aarde en hemel omspannend 'ik'. Dat heeft Paulus aan zich laten gebeuren. Hij heeft, zoals hij het zelf zegt in de brief aan de Filippenzen, zijn leven als een plengoffer weggegeven. "Ook al wordt mijn bloed geplengd bij de offerdienst van uw geloof, dan nog wens ik mijzelf en u allen geluk” (Fil 2,17). Of in een andere brief, de tweede brief aan Timoteüs, schrijft hij: “Wat mij betreft, mijn bloed wordt weldra geplengd, het uur van mijn heengaan is nabij" (2 Tim 4,6).

Hieruit blijkt dat Paulus zich bereid verklaarde om zich te laten verwonden omwille van Christus, dát was zijn eigenlijke sterkte. Hij heeft zichzelf niet gespaard, hij heeft zich niet uit de moeilijkheden gered, of een rustig leventje gezocht, integendeel, juist dat maakte hem zo geloofwaardig om de Kerk op te bouwen. Hij heeft zich laten gebruiken, opgebruiken, zoals hij aan de Korintiërs schrijft: "Wat mij betreft, gaarne wil ik voor u alles uitgeven wat ik heb en mezelf erbij" (2 Kor 12,15). Ik geef alles wat ik heb en mijzelf erbij.

Bekeren is dus eigenlijk kiezen voor je eigen stervensproces, als de graankorrel in de aarde willen vallen, om zo veel vrucht voort te brengen. Zonder de moed daartoe, zonder de keuze daarvoor is er geen bekering. De heilige Geest geeft je de moed en de kracht om die keuze te maken, want de heilige Geest is een vuur en als je je niet branden wilt aan dat vuur, dan moet je je er verre van houden, maar dan blijf je wel opgesloten in de eenzaamheid van je eigen 'ik'.

Er is een woord dat volgens Origenes een woord van Jezus is: 'Wie Mij nabij komt, komt het vuur nabij.' Op die manier kunnen we misschien Gods werk en het werk van mensen met elkaar verenigen. Vuur verbrandt en doet smelten. Liefdesvuur verbrandt en versmelt ook, het versmelt de een met de ander. Als het geloof een vuur zou zijn, een tong van vuur, zoals met Pinksteren boven ieder van de apostelen verscheen en hun hart deed branden van liefde voor Jezus, dan kan dat vuur ook ons hart in brand zetten en ons doen versmelten met Jezus, zodat wij niet zelf leven, maar Hij in ons en wij in Hem. Jezus Christus is de eerste geweest die Zich door dit liefdesvuur heeft willen laten versmelten, en in dat vuur worden wij opgenomen als wij ons door de kracht van de heilige Geest tot bekering laten brengen.