Eerste lezing: Jesaja 42,1-4.6-7
Tweede lezing: Handelingen 10,34-38
Evangelie: Lucas 3, 15-16.21-22
Inleiding
In deze tijd van het jaar volgen de feesten elkaar snel op. Zo vierden we de vierde zondag van de Advent, daarna Kerstmis, 1 januari, het feest van Maria, de moeder van God, 6 januari het feest van de Openbaring van de Heer, en vandaag vieren we alweer het doopsel van de Heer op de eerste zondag na dat feest. Maar juist door die snelle opeenvolging van het ene feest na het andere kunnen we des te beter de overeenkomst tussen de geheimen van Jezus zien. Geheimen van Christus zijn geheimen van vernedering en verheffing. Een Kind in de kribbe, een Kind dat Zichzelf niet kan redden, daarvan zegt de engel: "Heden is u een Redder geboren, Christus, de Heer, in de stad van David" (Lc 2,11). Ze zoeken de pasgeboren Koning van de Joden in het paleis en ze vinden Hem in een stal, liggend in een voederbak. En vandaag horen we sint Jan de Doper spreken over Iemand van wie hij zegt dat hij "niet waardig is de riem van zijn sandalen los te maken," - verheffing - en áls Hij dan komt, dan laat Hij Zich dopen - vernedering. Verheffing en vernedering, het is steeds hetzelfde. Dat is ook ons geheim. We leven het gewone leven, niets bijzonders, maar het gewone leven op een buitengewone manier leven, dát is waarop het welgevallen van de Vader rust. Zoals Jezus dat in het heilig doopsel heeft ontvangen van zijn Vader, zo hebben wij dat van Hem ontvangen bij óns heilig doopsel. Dat mogen we iedere zondag vieren, en omdat wij op deze zondag het doopsel van Jezus meemaken, dáárdoor kunnen wij beter zien hoe groot die uitverkiezing is. We zien het voor onze ogen nog eens opnieuw gebeuren. Toen wíj het doopsel ontvingen waren we nog te klein, te onbewust, maar nu zien we bewust hoe Jezus het doopsel ontvangt en hoe daarin zijn verheffing bestaat.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd, toen het volk vol verwachting was
en iedereen zich aangaande Johannes de vraag stelde
of hij niet de Messias zou zijn,
gaf Johannes aan allen het antwoord:
Ik doop u met water,
maar er komt iemand
die sterker dan ik;
ik ben niet waardig
de riem van zijn sandalen los te maken.
Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur.
Terwijl al het volk zich liet dopen
en Jezus na zijn doop in gebed was,
geschiedde het dat de hemel openging
en dat de heilige Geest
in lichamelijke gedaante als een duif
over Hem neerdaalde,
en een stem uit de hemel sprak:
Gij zijt mijn Zoon,
de Welbeminde,
in U heb Ik mijn behagen gesteld.
Homilie
Toen het volk vol verwachting was en iedereen zich aangaande Johannes de vraag stelde of hij niet de Messias zou zijn,
" De mensen zagen in Johannes de Doper wel een kandidaat voor het Messiasschap. Hij leek hun daar wel geschikt voor. Waarom vond het volk dat? Omdat Hij zo heel anders was, zo helemaal van een andere wereld. Hij was buitengewoon. Aan die man was helemaal niets gewoon, zijn kleding niet, zijn voedsel niet, de plaats waar hij verbleef, de woestijn, niet. Dat maakt ons meteen duidelijk in welke richting de mensen zich de Messias dachten. Iemand die aan het gewone menselijke leven een einde zou maken. Zelf niet gewoon en een einde makend aan het gewone. Het volk wenste zich bevrijd te zien van het gewone leven.
Als mensen leven zonder de echte verlossing, zonder de christelijke verlossing, dan stellen zij hun leven daar ook op in. Ze zoeken een uitweg uit het gewone leven. Het marxistische ideaal - in het nieuwe tijdperk van de overwinning op het proletariaat - van 's morgens vissen en 's middags jagen wordt tegenwoordig door rijke mensen zo ongeveer wel gehaald. Zij leven van de ene vakantie naar de andere, zij kunnen, als het weer hun in het eigen land niet aanstaat, een vliegtuig pakken of een boot nemen en naar een ander gebied gaan waar de zon schijnt. Maar gebeurt er in hun privé leven iets wat dat leventje verstoort, een sterfgeval, een teleurstelling, een ziekte, of wat dan ook, dan vinden ze dat er niet in thuis horen. Ze zeggen dan al gauw: dat willen we nooit meer meemaken. Het gewone leven echter is echt een opdracht, ook voor de monniken en de monialen; steeds maar weer die eentonige herhaling van handelingen die tegen de natuur ingaan.
Hoe is de Messias dan wel? Wat kunnen we nu echt van Hem verwachten? Jezus zegt: "Komt allen tot Mij" (Mt 11,28). Hij roept dus niet alleen leerlingen, die Hij roept tot zijn bijzondere navolging, maar Hij zegt het tot allen. En dat woord 'komen' is niet zo maar van a naar b, van de ene kamer naar de andere, je moet hier komen of daar, nee dat 'komen' betekent: wordt mijn leerling. Kom bij Mij in de leer. "Komt allen tot Mij." Hij zegt dat tegen ons allemaal. En waarmee moet je dan bij Hem komen? Met akten, met diploma's, met een opleiding, met een bijzonder gedrag, of met bijzondere deugd? Nee, dat hoeft allemaal niet. Het mag wel, maar daarvoor roept Jezus niet, dat kun je niet van Hem leren. "Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt", zegt Jezus (Mt 11, 28). Belast en beladen met de opdrachten, de taken van het gewone leven, en de gewone geboden, het gewone menszijn, daarmee moet je bij Hem komen. En wat doet Hij dan? Neemt Hij die lasten van je af? Nee, Hij geeft je daarbij een nieuwe manier om die lasten te dragen en daardoor worden ze licht. "Neemt mijn juk op uw schouders, mijn gebod, mijn levenswijze, mijn leer. Neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij. Het gaat er dus om dat je bij Hem komt, dat je zijn leerling wordt, en dan ga je iets leren. En wat kun je leren van Hem? Leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart" (Mt 11,29).
Het gaat er niet om een bepaald gedrag in te oefenen, of iets te leren met je verstand en vast te houden met je geheugen, maar het gaat over een zijnswijze. "Ik ben zachtmoedig en nederig van hart." Jezus is één en al zachtmoedigheid en nederigheid. Dat is Hij altijd en overal. Het is niet zijn wijze van doen, maar Hij ís het. Je kunt nog zoveel druk op Hem uitoefenen, je kunt nog zoveel geweld op Hem uitoefenen, Hij reageert geweldloos, zachtmoedig. Hij blijft open, Hij slaat niet dicht. Hij is niet geïrriteerd. Dát kun je dus van Hem leren. Dat kun je van niemand anders leren dan van Hem. Daarin is Hij de Meester.
Hoe kun je dat nu van Hem leren? Door met Hem om te gaan! Je kunt natuurlijk ook iets leren uit boeken, of door praktische oefeningen, maar dat haalt het allemaal niet bij wat je leert door met iemand om te gaan. Dan gaat vanzelf datgene wat de Meester is over in de leerling. Je leert door met Jezus om te gaan. Zoiets als wat in de sacramenten gebeurt. De eucharistie, maar dat geldt voor alle sacramenten, waaronder ook het doopsel, is een ontmoeting met de zachtmoedige en nederige Meester Jezus. Dat gaat er vanzelf in. Ook als je naar zijn woord luistert. In het woord zit niet alleen een zijnsinhoud, een begrip, maar daar zit ook de liefde, de zijnswijze van God, van Jezus in. Die komt mee over als je dat woord niet alleen maar in je verstand opneemt en in je gehoor, maar wanneer je je in je hart laat raken. Dan gebeurt er iets, dan ontstaat er een eenheid, een eenheid tussen God en mens, tussen Jezus en zijn leerlingen. Dat woord moet dan ook echt bewaard worden, zoals Maria dat deed. "Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en overwoog ze bij zichzelf" (Lc 2,19).
Dat nieuwe menszijn, dat zachtmoedige en nederige menszijn, moet worden opgenomen in ons hart en het moet zich in de gewone verhoudingen doorzetten, want daar ontmoet het nieuwe menszijn het oude menszijn. Dáár ligt de opgave! Want, zegt Jezus, hoe gemakkelijk komen de distels en de doornen, de drukte, het lawaai, de gewichtigheid, de rol, de visie, de zorgen van deze wereld, het vermaak, de genoegens, en die drukken dat nieuwe menszijn weg, terwijl nu net de kracht, de mogelijkheid, de pretentie van dat nieuwe menszijn is, om dat oude menszijn weg te drukken, te overheersen. Maar de macht van dat oude menszijn is zó groot, dat als een mens die woorden van God, dat nieuwe menszijn, dat nieuwe begin niet in zijn hart bewaart, dan zal het oude menszijn steeds weer de overhand krijgen.
Daarom moet er tijd worden vrijgemaakt en moet er ruimte voor het woord van God gemaakt worden en voor die nieuwe levenswijze. Er is geen andere manier. Dat is wat de Kerk ons biedt, dat is wat het gebed ons schenkt, dat is waar het klooster voor dient. Zo wordt het nieuwe menszijn van Jezus via ons eigen hart in de wereld ingebracht.
Dat is ons heilig geloof. Vandaag mogen we, op de dag van het doopsel van Jezus, met een nieuwe inzet ons geloof belijden: dat we mogen geloven in het welgevallen dat God op ons en op ons gewone, menselijke leven laat rusten.