Feest van de heilige Familie
Eerste lezing: Sirach 3,3-7.14-17a [B 25]; antwoordpsalm: Psalm 128,1-2.3.4-5 [B 25];
Tweede lezing: Kolossenzen 3,12-21 [B 26]; vers voor het evangelie: Kolossenzen 3,15a.16a [B 27]
Evangelie: Lucas 2,22-40 [B 27]
Inleiding
Zondag onder het octaaf van Kerstmis, feest van de heilige Familie, en dan ook nog titelfeest van deze communiteit. Wat we met Kerstmis hebben gevierd, dat God door zijn Zoon zijn tent onder ons heeft opgeslagen, onder ons is komen wonen, dat krijgt in het feest van de heilige Familie een hele menselijke, voor ons vertrouwde, aankleding. Dat Hij bij ons is komen wonen zoals kinderen bij hun ouders. Het heilig Gezin. Uw communiteit brengt dit tot uitdrukking doordat u 'ons Heer' altijd bij u hebt in het uitgestelde heilig Sacrament. Dat Hij op die manier bij u is komen wonen, als een beeld van de geheimzinnige werkelijkheid, dat het in alle christelijke gezinnen zo is. Wat er in de Kerk is, Gods eigen aanwezigheid, dat is er ook in het gezin, want wij dragen een onvoorstelbaar groot geheim in ons hart.
Dat geheim mogen wij nu in de eucharistie op een andere wijze vieren. Maar eerst willen wij nog vieren, zoals op zondag gebruikelijk is, dat dit geheim door het heilig Doopsel in ons hart is binnengekomen.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
Toen de tijd aanbrak
waarop Maria en het Kind
volgens de Wet van Mozes gereinigd moesten worden,
brachten zijn ouders Jezus naar Jeruzalem
om Hem aan de Heer op te dragen,
volgens het voorschrift van de Wet des Heren:
elke eerstgeborene van het mannelijk geslacht
moet aan de Heer worden toegeheiligd,
en om volgens de bepaling van de Wet des Heren een offer te brengen,
namelijk een koppel tortels of twee jonge duiven.
Nu leefde er in Jeruzalem een zekere Simeon,
een wetgetrouw en vroom man die Israëls vertroosting verwachtte,
en de heilige Geest rustte op hem.
Hij had een godsspraak ontvangen van de heilige Geest
dat de dood hem niet zou treffen
voordat hij de Gezalfde des Heren zou hebben aanschouwd.
Door de Geest gedreven was hij naar de tempel gekomen.
Toen de ouders het kind Jezus daar binnenbrachten
om aan Hem het voorschrift der Wet te vervullen,
nam ook hij het Kind in zijn armen
en verkondigde Gods lof met de woorden:
Uw dienaar laat Gij, Heer, nu naar uw woord in vrede gaan:
mijn ogen hebben thans uw Heil aanschouwd
dat Gij voor alle volken hebt bereid;
een licht dat voor de heidenen straalt,
een glorie voor uw volk Israël.
Zijn vader en moeder stonden verbaasd over wat van Hem gezegd werd.
Daarop sprak Simeon over hen een zegen uit
en hij zei tot Maria, zijn moeder:
Zie, dit Kind is bestemd tot val of opstanding van velen in Israël,
tot een teken dat weersproken wordt,
opdat de gezindheid van vele harten openbaar moge worden;
en uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord.
Toen zij alle voorschriften van de Wet des Heren vervuld hadden,
keerden zij naar Galilea, naar hun stad Nazaret terug.
Het Kind groeide op en nam toe in krachten;
Het werd vervuld van wijsheid
en de genade Gods rustte op Hem.
Homilie
Zijn ouders brachten Jezus naar Jeruzalem om Hem aan de Heer op te dragen", om Hem als eerstgeborene aan de Heer toe te heiligen. Nauwelijks hebben Jozef en Maria een kind of ze geven het meteen weer uit handen. We zouden eigenlijk die beweging bewust en aandachtig moeten meemaken. Het is een gebeuren dat Maria en Jozef eigenlijk al zo dikwijls hadden gezien en meegemaakt wanneer ze in de tempel waren. Altijd waren er wel een paar ouders met hun eerstgeboren kind, die ze dan in een klein, eenvoudig, ritueel door de priester aan God lieten opdragen. Ze hadden dat al zo dikwijls gezien, het paste in hun leven als gelovige Joden. Ze waren dat zo gewend met alle eerstelingen: de eerstelingen van hun oogst, de eerste worp van hun dieren, en met die eersteling stonden zij dan meteen heel de oogst af. Een symbolisch gebaar waarin het volk Israël zijn toewijding aan God tot uitdrukking bracht.
Vandaag zijn Maria en Jozef aan de beurt om dit met hun eerstgeboren Kind te doen. Het is hetzelfde, maar toch heel anders. Ieder mens, gelovig of niet, ervaart dat het kind een zegen is, een geschenk dat je krijgt, dat je overkomt. Maar gelovige mensen ervaren nog sterker, dat het krijgen van een kind een teken is dat God zijn macht gebruikt voor zijn toeneiging tot de mensen. Het is een teken van zijn genegenheid. Gelovige Joden hebben dit zelfs eeuwenlang gezien als het voornaamste teken van Gods almacht. "Ik ben de Heer, de Almachtige, Ik zal een groot volk van u maken." Denken we maar aan Isaak, gekregen toen beide ouders onvruchtbaar waren.
Iedere geboorte is een geschenk uit de hemel. Zelf krijgen de ouders kinderen, maar daarin ervaren ze een ontmoeting met God zelf, de Schepper, die hun het bewijs geeft van zijn liefde. Hoeveel te meer geldt dat bij dit Kind. Jozef had het toch gehoord van de engel: "Het Kind in haar schoot is van de heilige Geest (Mt 1,20). Het komt van God. En ook Maria had het in de belofte van de engel gekregen: De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht heilig genoemd worden, Zoon van God (Lc 1,35). De kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen", zoals eertijds de tent met de Ark van het Verbond overschaduwd werd als teken van Gods aanwezigheid.
Daarom, hoe anders dan andere ouders met hun eerstgeborene zullen Jozef en Maria dit conventionele gebaar, deze traditie, hebben beleefd. Hoeveel sterker was de band van God met dit Kind. Hoeveel meer was dit Kind het Kind van God dan hun eigen kind. En met hoeveel sterkere overtuiging zullen zij dit gebaar hebben kunnen stellen, en met hoeveel meer dankbaarheid! Maar vooral met hoeveel meer vertrouwen. Met hoeveel meer vertrouwen zullen zij dit Kind onder Gods hoede hebben gesteld. Met hoeveel meer kracht van de heilige Geest, want in het gebaar van de priester, in het gelovig ritueel en in het geloof van heel het volk is het een onderliggende kracht, een dynamiek, die de band tussen de Zoon en de Vader, tussen de vele zonen en de ene Vader, stuwt en trekt naar God toe. Dit Kind is uit kracht van de heilige Geest geboren, dit Kind is van de heilige Geest. Dat zal bij dit moment van opdracht aan de Vader in Jozef en Maria een vurigheid, een laaiende liefde hebben verwekt.
Het is een tekengebaar. Ze krijgen het Kind wel terug van de priester, zoals u ook uw eigen leven terugkrijgt, als het hier op het altaar door de handen van de priester in het teken van het brood en de wijn door u uit handen is gegeven aan God. U krijgt dat leven weer terug, u krijgt diezelfde hostie, diezelfde wijn weer terug. Maar dan is het veranderd, dan is het geladen met kracht van de heilige Geest, dan is er een goddelijke vurigheid, een goddelijke vitaliteit meegekomen. Nu, dat hebben Jozef en Maria ook gemerkt. Een kracht van heilige Geest was bij hen gekomen in dat Kind wat ze terugkregen en in alles wat ze verder met dit Kind zouden gaan meemaken.
"Uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord." Het Kind is een gave en het is ook een opgave. Mensen die voor de eerste keer hier in de kapel komen, krijgen, als ze er voor openstaan, soms kippenvel van ontroering over de nabijheid van God. Dat is een gave. Maar als je dit dag in dag uit meemaakt, als dat zozeer gewoon is als ouders gewoon zijn met hun eigen kinderen om te gaan, dat je diezelfde eerbied, diezelfde spanning, diezelfde vertrouwelijkheid, intimiteit blijft meemaken, dat het niet een ritueel is, een conventie, een traditie, iets wat je nu eenmaal in stand moet houden, een instituut of een regel, dan merk je, dat dat Kind dat je hier hebt gekregen niet alleen een gave is, maar ook een opgave. Het is een opgave waarvoor je de gave krijgt van de heilige Geest, de kracht van uw roeping, de bezieling van het motief, die innerlijke kracht die in uw ziel werd geplant toen u geroepen werd: de oorsprongsgenade. Als je ergens mee wilt doorgaan, begin bij het begin, bij de oorspronkelijke bezieling. Dat is de inhoud van dit feest voor u, maar ook voor heel de Kerk.