Eerste lezing: Jesaja 50,4-9a [I 160];
Evangelie: Matteüs 26,14-25 [I 159]
Inleiding
'Christus, de gestalte van God, beeld en gelijkenis van zijn heerlijkheid.' Dan moet je wel goede ogen hebben om in Christus de gelijkenis te zien van Gods heerlijkheid. Hij heeft Zich juist van zijn heerlijkheid ontdaan. Hij heeft Zichzelf ontledigd. Er is een heerlijkheid die voor gewone natuurlijke ogen onzichtbaar is, onwaarneembaar. Wat dat betreft zijn wij allemaal als blinden. Wij zien niet. Wie Mij ziet, wie mijn vernedering ziet, bedoelt Jezus, ziet de Vader, ziet God in zijn heerlijkheid. Nederigheid en heerlijkheid. Wie zich vernedert, zal verheven worden. Vernedering en verheffing, dat zie je in Jezus samen. Maar om die twee samen te kunnen zien, moet je eerst ziende gemaakt worden.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd ging één van de twaalf, Judas Iskariot geheten,
naar de hogepriesters en zei:
Wat wilt gij mij geven als ik Hem u in handen speel?
Ze betaalden hem dertig zilverlingen uit
en van toen af zocht hij een gunstige gelegenheid
om Hem over te leveren.
Op de eerste dag van het ongedesemde brood
kwamen de leerlingen Jezus vragen:
Waar wilt Gij, dat wij het paasmaal voor U gereed maken?
Hij antwoordde:
Gaat naar de stad en zegt aan die en die:
De Meester laat weten: Mijn uur is nabij;
bij u wil Ik met mijn leerlingen het paasmaal houden.
De leerlingen deden zoals Jezus hun had opgedragen
en maakten het paasmaal gereed.
Toen de avond gevallen was, lag Hij met de twaalf leerlingen aan.
Onder maaltijd sprak Hij:
Voorwaar, Ik zeg u: één van u zal Mij overleveren.
Smartelijk getroffen begon de een na de ander Hem te vragen:
Ik ben het toch niet, Heer?
Hij antwoordde:
Die met Mij zijn hand in de schotel steek, zal Mij overleveren.
Wel gaat de Mensenzoon heen, zoals van Hem geschreven staat,
maar wee de mens door wie de Mensenzoon wordt overgeleverd!
Het zou beter voor hem zijn als hij niet geboren was, die mens!
Judas, zijn verrader, nam ook het woord en zei:
Ik ben het toch niet, Rabbi?
Hij antwoordde hem:
Gij zegt het.
Homilie
Wat lijken die twee sprekend op elkaar, de lijdende dienstknecht van de profeet Jesaja en de lijdende Dienstknecht Jezus. De situatie die in de eerste lezing wordt geschetst is: "Ik heb mij niet verzet, ik ben niet teruggedeinsd. Mijn rug bood ik aan wie mij sloegen, mijn wangen aan wie mij de baard uitrukten, mijn gezicht niet afgewend van wie mij smaadden en bespuwden."
En Jezus' situatie is: "Eén van u zal Mij overleveren." Allebei zijn ze lijdelijk, passief, gelaten. Gelaten in koninklijke rust en als het ware innerlijk er bovenstaande. Niet van Jezus staat er dat Hij smartelijk getroffen werd, maar van de leerlingen: "Smartelijk getroffen begon de een na de ander Hem te vragen: Ik ben het toch niet, Heer?"
Het verschil is dat als gevaar, levensgevaar, geweld, dodelijke bedreiging zo nabij komen, je het dan niet uitschreeuwt zoals de leerlingen op het meer in de vliegende storm: "Heer, raakt het U niet dat we vergaan? (Mc 4,38) Maar dat je dan weet: God de Heer zal mij helpen. Daarom zal Ik niet beschaamd staan. Hij staat naast Mij, mijn verdediger. De Heer is mijn helper."
Hoe kan iemand dat in zo'n situatie nu zeggen? Zeggen de mensen juist niet het tegenovergestelde? Juist zoals de leerlingen in doodsgevaar. Zoiets van: het kan U blijkbaar niets schelen. U hebt U afgewend, als lijden ons overvalt, als lijden de mens treft. God is met vakantie. Hij heeft onze planeet geschrapt uit zijn goddelijke voorzienigheid. Hij ziet mij over het hoofd. Hij ziet mij niet staan. Hij heeft mij laten vallen.
Aan zo'n reactie ligt een bepaald idee ten grondslag. De schepping is af en het lijden, rampen, of een ongeval horen daar niet in thuis. Dat past niet in het menselijk leven. En als het komt, wordt het er blijkbaar aan toegevoegd. Dan vraagt men zich af: waarom dan? En zo begint de ongelovige invulling van de waaromvragen, zoals toeval, noodlot, straf. Straf voor de zonden.
Maar zo is het niet. God wil het lijden niet, maar het is er. Hij wil niet voortdurend ingrijpen in zijn schepping omwille van zijn uitverkorenen. De gewone natuurwetten, de gang van de geschiedenis heeft zijn loop. God doet daar niets aan. Hij wil er niets aan doen. Hij zit er ook mee. Hij lijdt eraan. Hij lijdt eraan dat wij lijden. En als de lijdende Dienstknecht God naast Zich weet, de lijdende Dienstknecht die Jezus is, dan kan Hij Zich evenmin als de lijdende dienstknecht van de profeet Jesaja voorstellen dat God uit den hoge onbewogen toeziet.
Nee, God zal niet onbewogen blijven, zoals Jezus zelf zegt naar aanleiding van het smeken en roepen om hulp van de arme weduwe. Nee, zal God niet onbewogen blijven, want "zal God dan geen recht verschaffen aan zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen?" (Lc 18,7) Of zal Hij ten opzichte van hen toch onbewogen blijven? Hij doet er niets aan, zou je kunnen denken. Hij laat het ten einde toe geschieden, tot het bittere einde, zonder er iets aan te doen. Hoe kan Hij dan zeggen: Ik ben met je? Hij zou kunnen helpen en Hij doet het niet. Hij laat Lazarus, zijn vriend die Hij liefhad, sterven. Maar als hij uit de doden wordt opgewekt, is dát het teken dat God onze Vriend blijft, onze Helper, door de dood heen. Ten einde toe. Want de dood is niets anders dan de poort waar doorheen wij al onze zelfzucht kwijt raken, om zo Gods vriendschap, zijn hulp, zijn heerlijkheid, toebedeeld te kunnen krijgen.
Wij moeten ergens van af, we moeten af van onze zelfzucht. En Jezus? Hij hoefde niet van zijn zelfzucht af. Maar Hij ging wel die moeilijke weg: God is ver weg, Hij grijpt niet in. Als wij geplaagd worden door de slagen van het lot en daaraan worden overgeleverd, mogen we Jezus bij ons weten. Wij zijn niet alleen, evenmin als Hij alleen was in zijn lijden. Door de duisternis heen is Hij onze metgezel. Dat mogen wij nu meemaken in de komende dagen. De gestalte van God, Jezus, de lijdende Dienstknecht, als onze Gezel in lijden en dood.