Tweede zondag na Pinksteren
Eerste lezing: Exodus 24,3-8
Tweede lezing: Hebreeën 9,11-15
Evangelie: Marcus 14,12-16.22-26
Inleiding
'De Heer heeft zijn volk gevoed met tarwebloem; Hij heeft het verzadigd met honing uit de rots.' Er staat niet boven de psalm waaruit dit intredelied genomen is: Psalm 81, maar náár Psalm 81. Want wat staat er in psalm 81? Niet de Heer hééft zijn volk gevoed met tarwebloem en het verzadigd met honing uit de rots, maar er staat dat Hij dat zou doen, als zij naar Hem zouden luisteren. Nu wordt dit vertaald met: De Heer hééft zijn volk gevoed met tarwebloem, Hij hééft het verzadigd, want er is inderdaad een volk dat naar Hem luistert. Zijn wij dat? Nee, niet wij zijn het die zo goed naar Hem luisteren, maar Jezus. Jezus is de volmaakte Luisteraar, en op grond van zíjn luisteren, van zíjn volmaakte toewijding aan de wil van God, zijn Vader, dáárom mag heel het volk eten van de zuivere tarwebloem en de honing uit de rots, die Jezus zelf is. Luisteren naar zijn woord én zijn gave ontvangen, dat is de eucharistie. Dat is wat wij met het Sacramentsfeest, vandaag op Sacramentszondag, op een feestelijke wijze in herinnering willen brengen. Niet zozeer waar wij dan in te kort zijn geschoten, maar waarin Hij in dat tekort heeft voorzien. We doen dat altijd met een boete-act, met de vernieuwing van onze doopbelofte, van onze toewijding aan God door het sacrament van het doopsel, en wij willen dit nu doen niet als een rite, als een gebaar, maar wij willen dat doen met de inzet van héél ons hart. Wij willen ons toewijden aan Hem, die Zich toewijdt aan ons.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
Op de eerste dag van het ongedesemde brood,
de dag waarop men het paaslam slacht,
zeiden zijn leerlingen tot Jezus:
Waar wilt Gij dat wij voorbereidselen gaan treffen,
zodat Gij het paasmaal kunt houden?
Hij zond daarop twee van zijn leerlingen uit
met de opdracht:
Gaat naar de stad
en daar zult ge een man tegenkomen
die een kruik water draagt;
volgt hem
en zegt aan de eigenaar van het huis
waar hij binnengaat:
De Meester laat vragen:
Waar is de zaal voor Mij, waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan houden?
Hij zal u dan een grote bovenzaal laten zien
met rustbedden en van al het nodige voorzien;
maakt daar alles voor ons klaar.
De leerlingen vertrokken, gingen de stad binnen,
vonden alles zoals Hij het hun gezegd had
en maakten het paasmaal gereed.
Onder de maaltijd nam Jezus brood,
sprak de zegen uit,
brak het en gaf het hun met de woorden:
Neemt, dit is mijn Lichaam.
Daarna nam Hij de beker
en na het spreken van het dankgebed
reikte Hij hun die toe
en zij dronken allen daaruit.
En Hij sprak tot hen:
Dit is mijn Bloed van het Verbond,
dat vergoten wordt voor velen.
Voorwaar, Ik zeg u:
Ik zal niet meer drinken
van wat de wijnstok voortbrengt
tot op de dag waarop Ik het, nieuw,
zal drinken in het Koninkrijk van God.
Nadat zij de lofzang gezongen hadden,
gingen ze naar de Olijfberg.
Homilie
Wat moeten we vandaag met al dat bloed? Bloedige offers, offers waarbij bloed vloeit. Zitten we daar nu op te wachten in onze tijd met zijn aanslagen op onschuldige mensen, waarbij zoveel bloed vloeit. Dat gebeurt meestal door terroristen. Daar zit het woord 'terror' in, 'terreur', en dat betekent 'verschrikking'. Maar als de gelovigen van het Joodse volk slachtoffers opdroegen en daarbij, zoals Mozes deed, het altaar en de gelovigen, het volk, besprenkelde met bloed van die offerdieren, dan deden zij toen met hún middelen wat u nu nog steeds doet wanneer u professie aflegt, wanneer u de doopbelofte vernieuwt. Want als u professie doet, als u uw doopbelofte vernieuwt, dan doet u precies hetzelfde als de Joden deden toen zij het Verbond met God bekrachtigden met het bloed van hun offerdieren. Het was een oerintuïtie van de mensheid. Wij behoren God toe en Hij mag over ons beschikken met huid en haar, met heel ons leven. Alles moet op Hem geordend zijn. Hem beminnen met heel ons hart, heel onze ziel, heel ons verstand, en al onze krachten (vgl. Mc 12,30). Die toewijding aan God wordt gesymboliseerd in het doden van dieren en het offeren aan God van hun bloed. Zoals wij dat dier zijn leven laten geven, zijn bloed, zo willen wij met heel onze levenskracht voor God zijn. Wie kent niet dat verlangen om zich helemaal aan God toe te wijden, een verlangen een offer te brengen dat alles kost, waar je helemaal afsterft van jezelf, helemaal vrij wordt voor Hem.
Nu zijn er in onze wereld een heleboel machten opgestaan, die de heerschappij van God hebben overgenomen. Allerlei machten, afgoden, aan wie mensen zich zijn gaan toewijden in plaats van aan God. Een quasi religieuze toewijding, zoals we zien bij die massamanifestaties van een hele natie rond hun sporthelden. En ieder van ons persoonlijk houdt er in zijn eigen innerlijk ook een 'afgodje' op na, 'koning-ik', waarvoor anderen kniebuigingen moeten maken en waarvoor wijzelf kniebuigingen maken. Die machten en afgoden waren er toen ook. De tijden zijn niet veranderd, want dat offeren van dieren, dat brengen van eerstelingen, van de vruchten van de oogst, zoals de Joden gewend waren te doen, werd een gewoonte, waarbij heel gemakkelijk de eigen betekenis vervaagde of helemaal verloren ging. Men offerde dieren, en men vergoot bloed, men bracht eerstelingenoffers, en men dacht er niet meer aan om zichzelf toe te wijden aan God, om zichzélf te zien als eersteling van God. God, die alle rechten heeft op zijn volk, op de verering en de liefde van zijn volk. Heel die religieuze wereld van offeren en bidden werd een eigen religieus wereldje waar God zelf niet zoveel mee te maken had. De profeten zeiden dan ook: "Ik heb een afschuw van uw offers, uw wierookdampen; scheurt niet uw kleren, maar uw harten. Wat Mij behaagt is een vermorzeld en deemoedig hart, dat is Mij meer waard dan duizend offers" (o.a. Joël 2,13). Men ging er zelfs toe over om aan andere goden te offeren, precies zoals dat bij gelovigen in onze tijd gebeurt.
Maar om onze eigen wil, onze eigen inzet weer bij onze toewijding, bij ons offer aan God te betrekken, dáárom heeft God zijn eigen Zoon gezonden. Hij heeft niet het bloed van dieren geofferd, maar zijn eigen Bloed, zijn eigen leven, zijn eigen levenskracht. "Hoeveel groter, hoorde u zo-even uit de brief aan de Hebreeën, is de kracht van Christus Bloed dan het bloed van dieren. Door de eeuwige Geest heeft Hij Zichzelf aan God geofferd, een smetteloos offer dat onze ziel zuivert van dode werken om de levende God te eren," Een offer dat weer nieuw leven kan brengen in onze ziel wanneer wij offeren, wanneer wij eucharistie vieren, wanneer wij de gelofte afleggen, wanneer wij onze doopbelofte hernieuwen. Want als wij offers te brengen hebben, onze teleurstellingen, onze tegenslagen te verwerken hebben, pijn en verdriet, zorgen en ellende, en ze neerleggen op de offerschaal, dan komt daar niet het bloed van een dier bij, maar het bloed van Jezus' offer, niet zijn stoffelijke bloed, maar zijn offergesteltenis, zijn volmaakte, zelveloze toewijding aan God. "Dit is mijn Bloed dat voor u wordt vergoten", voor velen, voor ieder van ons persoonlijk. Daarmee kan, als wij ons daar voor openstellen, zijn Geest vaardig worden over ons, zijn goddelijke geestdrift, om ons geheel, zonder aarzelen, zonder iets achter te houden, te geven aan God. We worden meer kinderen van God, die door zijn Geest zeggen: 'Abba-Vader'. Wij willen niemand liever dan U, dan U alleen.
In ons land, waar niet meer zoveel eucharistie wordt gevierd, vragen mensen nogal eens, waarom de consecratie eigenlijk nodig is. Waarom kan niet volstaan worden met een woord- en communiedienst? Hebben ze niet gelijk? Voor God is dat toch hetzelfde? Hij kan ook brood en wijn consacreren zonder dat er gelovigen bij zijn. Hij kan ook in stilte en verborgenheid het brood en de wijn veranderen in het Lichaam en Bloed van Christus. Maar wat de gelovigen níet kunnen, dat is hun eigen leven daadwerkelijk toewijden aan God zonder die offerkracht en die volmaakte toewijding van Jezus. Je zou mensen kunnen vergelijken met mensen die op een bootje ronddobberen op een onmetelijk wijde oceaan en in hun eentje de koers moeten bepalen en die koers dan ook nog volgen. Nu biedt God door de heilige Kerk een veelheid van koersleiders aan, mensen, - boten, om het zo maar eens te zeggen - die de mensen zeggen hoe je de koers van je leven kunt bepalen. Wat de betekenis is van armoede en rijkdom, van eer en oneer, om maar eens een paar coördinaten van het menselijke leven te noemen. Daarvoor krijgen ze, om het maar eens met een beeld te zeggen, een hele grote boot aangeboden, de boot van onze grote Broer Jezus, die in zijn eentje heel die oceaan is overgestoken en alle menselijke moeilijkheden, alle aardse tegenkrachten, zonden, duivel, bekoringen, heeft doorstaan. En de motor die zorgde voor de stuwkracht van zijn overtocht, dat was zijn Bloed, dat was zijn levenskracht, dat was zijn hart, zijn liefde. De kleine bootjes die wij zijn, moeten zorgen dat zij in het zog blijven van die grote boot.
Zelf moeten we dus ook iets doen. We moeten voeling houden met die grote boot, met die stuwkracht, in het zog van die grote boot varen. Dat gaat niet zonder moeite, maar wel met de voortstuwende kracht van onze grote God en Heiland, Jezus. Het is een volmaakte verblinding, dat je zo'n kans, om de koers in je leven aangewezen te krijgen, in een woorddienst laat liggen, en om niet de kracht te ontvangen om die koers ook te kunnen volgen. Maar is het ook niet een verblinding als gelovigen wel eucharistie vieren en er wel royaal gebruik van maken en het niet zouden willen missen, maar daarbij niet zichzelf, persoonlijk, inzetten met hun eigen levensopgave. Moeten zij dan ook niet van de profeten te horen krijgen: "Ik heb een afkeer van uw offers", Ik heb een afkeer van uw gebeden, van uw vieringen.
Ons geloof is een gave, maar het is ook een opgave, of beter: we krijgen die gave als wij ons inzetten voor de opgave, voor de opgave van het leven. We krijgen de offerkracht van onze grote Broer Jezus, als wij ons geven, ons invoegen in zíjn offer. We moeten er echt bij zijn met heel ons leven, ons leven met al zijn vreugde en verdriet, met zijn tegenslagen en successen, met zijn gezondheid en ziekte. Wij moeten er helemaal zijn voor Hem, want Hij wil er helemaal zijn voor ons.