Heilige engelbewaarders
(eigen lezingen)
Eerste lezing: Exodus 23,20-23a
Evangelie: Matteüs 18,1-5.10
Inleiding
Vandaag, 2 oktober, vieren we de gedachtenis van de heilige Engelbewaarders. Op 29 september hebben we de gedachtenis van de heilige Michaël, Gabriël en Rafaël gevierd, de aartsengelen die namens God zorgen voor het volk van God. In de naam van God beschermen en behoeden zij. Maar we zijn niet alleen volk, zoals we hier in deze gemeenschap bijeen zijn, we zijn ook enkelingen, zoals we straks ook ieder als enkeling de heilige communie ontvangen.
Wat is een mens alleen? Dat merk je bijvoorbeeld wanneer je gaat slapen, dan ben je dus echt alleen. Daarom is het toepasselijk op zo'n moment het gebed tot de engelbewaarder te bidden: 'Engel van God die mijn bewaarder zijt.' Ik ken ouders die net zo lang bij hun kind blijven, als ze dat te rusten hebben gelegd, totdat het ingeslapen is. Als het wakker wordt, blijven ze wachten tot het opnieuw inslaapt en dat kan een kwartier duren, een half uur of een uur, maar ze blijven wachten. Maar wie brengt dat op? Je zal maar tien kinderen hebben en dan zoveel jaren achtereen!
Daarvoor hebben wij nu iets anders. Een engelbewaarder! Als we alleen zijn, blijft God waken door zijn engel. Niet dat God Zich er van af maakt. Door zijn engel blijft Hij op afstand en is Hij tegelijkertijd nabij. Dat is de functie van de engel: waken en in zijn eigen waakzaamheid Gods waakzaamheid voor ieder van ons persoonlijk aanschouwelijk maken. Dat wij ons zelf beveiligen, beschermen alsof er geen God is, dat is eigenlijk onze zonde.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd richtten de leerlingen tot Jezus de vraag:
Wie is nu wel de grootste in het rijk de hemelen?
Hij riep een klein kind,
zette het in hun midden en zei:
Voorwaar, Ik zeg u:
als gij niet opnieuw wordt als de kleine kinderen,
zult gij het rijk der hemelen zeker niet binnengaan.
Wie dus zichzelf gering acht zoals dit kind,
is de grootste in het Rijk der hemelen.
En wie in mijn Naam zulk een kind opneemt,
neemt Mij op.
Hoedt u er voor een van deze kleinen te minachten,
want Ik zeg u:
zij hebben engelen in de hemel
en dezen aanschouwen voortdurend
het aangezicht van mijn Vader die in de hemel is.
Homilie
Wat wordt er als reden aangevoerd om een van deze kleinen niet te minachten? Omdat "zij engelen hebben in de hemel." Waarom wordt er niet eenvoudig gezegd, - want zo is het toch - dat het God zelf is, die voortdurend met zijn liefdevolle zorg bij een van deze kleinen is die in Jezus geloven? Waarom schakelt God engelen in, terwijl Hij toch degene en de enige is, die onmiddellijk kan inwerken in de menselijke ziel en dat ook doet? Alle andere wezens, mensen, geesten, goede en kwade, werken middellijk. God alleen werkt onmiddellijk. De engelen maken God niet overbodig. Wie zou dat ook willen? Het is niet zo, dat wij, om het een beetje oneerbiedig te zeggen, worden afgescheept met een engel, terwijl wij met God zelf te doen willen hebben.
God alleen kan onmiddellijk verkeren met zijn schepselen. Trouwens hoe zou je het je anders kunnen voorstellen? Een God die Zich Vader laat noemen. Het is ondenkbaar, dat een vader zich in zijn contact met de kinderen alleen maar zou behelpen met een lakei, een gouvernante, een dienaar, een knecht of een hoveling. Zo iemand is toch geen vader. Mensen kunnen zich verschuilen achter etiquettes, achter vroomheidformules, achter gevoelens, of zich met de woorden van een ander bedienen. Maar is dat geen valsheid in de omgang met God? Zou God dat ook doen met ons, door Zich te bedienen met de middelen of woorden van een ander? Nee, dat doet God niet. Het is met de bemiddeling van de engelen als met de sacramenten. Er wordt gecontacteerd in de sacramenten via woorden en handelingen. Maar in die middelijkheid van woorden en handelingen is er de onmiddellijkheid van God. Het contact met God voor ons mensen is altijd middellijk - onmiddellijk. Zelfs in de heilige communie is dat nog zo. Ook daar blijft bij alle onmiddellijkheid middellijkheid. Je hebt geen oogcontact met Jezus. Je kunt Hem niet aanraken. En zelfs al was het zo dat je Hem in de ogen zoudt kijken, zijn Hart is nog steeds niet zichtbaar. De liefde is toch niet zichtbaar. Het hart is altijd verborgen. Het moet zich van middelen bedienen om zich aan de ander te manifesteren.
Bij de engelen is er ook die middellijkheid. Het is niet God zelf, maar de engelen zien wel voortdurend het aanschijn van mijn Vader die in de hemel is. Terwijl zij bij de mensen zijn, blijven zij bij God; schouwen ze Gods aanschijn. Precies zoals u gewend bent te leven onder Gods aanschijn, in Gods tegenwoordigheid. God stuurt zijn engelen, maar deze schouwen voortdurend het aangezicht van mijn Vader die in de hemel is. Een onmiddellijk contact dus. Die middellijkheid, dat middel, de engel, die tussenpersoon, heeft onmiddellijk contact, is vervuld van de onmiddellijke aanschouwing van de Vader van Jezus. Zo komt via die middelaar, via de bemiddeling van die engel, die tussenpersoon, God zelf direct, persoonlijk en onmiddellijk bij ons. Dat zul je merken in de omgang met Hem. Het is zoiets als - en het is maar een vergelijking - iemand die een bril op heeft. Als die goed is, dan werkt, ofschoon die bril zit tussen datgene wat hij ziet en degene die hij zelf is, die bril niet als een obstakel, een hindernis of iets dat afstand schept, maar het brengt juist nabij. Zo is het ook met Jezus. Hij bemiddelt, Hij is een middelaar, maar door Hem komt Degene voor wie Hij bemiddelt juist dichter bij, is Hij in zijn eigen Persoon onmiddellijk aanwezig.
Van de kant van de engel werkt het precies hetzelfde. De engel zal in zijn omgang met de mensen merken dat hij van zijn kant onmiddellijk bij God is. Dat zal hij bijvoorbeeld merken als hij teleurstellingen moet ondervinden in de omgang met mensen, als hij zijn doel niet kan bereiken, de mensen eigen wegen gaan, of als zijn influisteringen niet worden gehoord, als hij iemand een heilloze richting ziet opgaan. Hij laat zich dan geen ogenblik door die teleurstelling in onvrede meeslepen. Hij blijft in vrede. Geen droefheid zal hem bedroefd maken, geen onrust zal hem in beroering brengen. Voortdurend schouwt hij het aanschijn van Jezus' Vader. Dat is het voorbeeld van mensen die in het apostolaat staan, maar ook het voorbeeld van contemplatieven, die in de omgang met de dingen en met de mensen voortdurend in contact mogen blijven met dat wat zij in de kapel of in het gebed hebben geschouwd.