Derde dag van het kerstoctaaf
Feest van de heilige Johannes,
    apostel en evangelist
Eerste lezing: 1 Johannes 1,1-4 [IV 130];
Evangelie: Johannes 20,2-8 [IV 131]                            


Inleiding  

'In het midden van de Kerk heeft hij de mond geopend.' We vieren vandaag het feest van de heilige Johannes. Hij is evangelist, apostel en kerkleraar, kerkleraar van de liefde. De inleidingzang zegt verder: 'De Heer heeft hem bekleed met een geest van wijsheid en intelligentie'. Niet zomaar wijsheid, zoals knap of verstandig, maar in 'intellectus' zit het woord 'intus', 'intus legere', door de buitenkant naar binnen kijken. En wat ziet hij dan aan de binnenkant? Hij is de leerling die het eerst heeft gezien. God heeft de door Jezus beminde leerling tot het geloof laten komen. "Hij zag en geloofde", horen we in het evangelie van vandaag. Johannes is de leerling die door alles heen naar binnen heeft gekeken, in het binnenste van God, en daar heeft hij gezien dat God liefde is. Dat is een blijk van een diepe intelligentie, van een grote kunst om naar binnen te kijken. Achter alles ziet hij de liefde van God, achter alle eigenschappen van God heeft hij de liefde gezien.
Laten wij dat dan ook in deze eucharistie beleven als het geheim van ons geloof: zijn liefde voor ieder van ons persoonlijk.
Belijden wij dan eerst onze schuld, onze kleingelovigheid, om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.
                         
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Op de eerste dag van de week
liep Maria Magdalena snel naar Simon Petrus
en naar de andere, de door Jezus beminde leerling
en zei tot hen:
“Ze hebben de Heer uit het graf genomen
en wij weten niet waar ze Hem hebben neergelegd.”
Daarop gingen Petrus en de andere leerling op weg naar het graf.
Ze liepen samen vlug voort,
maar die andere leerling snelde Petrus vooruit
en kwam het eerst bij het graf aan.
Vooroverbukkend zag hij de zwachtels liggen
maar hij ging niet naar binnen.
Simon Petrus die hem volgde, kwam ook bij het graf
en trad wel binnen.
Hij zag dat de zwachtels er lagen,
maar dat de zweetdoek die zijn hoofd had bedekt,
niet bij de zwachtels lag,
maar ergens afzonderlijk opgerold op een andere plaats.
Toen ging ook de andere leerling
die het eerst bij het graf was aangekomen naar binnen;
hij zag en geloofde.
                 
Homilie  

“Hij zag en geloofde.”
Johannes, de leerling die Jezus liefhad, “de door Jezus beminde leerling." Hij is de eerste, de snelste in het geloven. Hij, die in de wedloop naar het graf Petrus vooruitgelopen was, als een teken dat hij eerder was in het geloof dan Petrus. "Ze liepen samen vlug voort, maar die andere leerling snelde Petrus vooruit en kwam het eerst bij het graf aan." De modelleerling in de school van het geloof, zo zou je hem kunnen noemen. Zo wordt hij ons door de evangelist uitgetekend, want hij geloofde zonder te zien, tenminste zonder Jezus te zien. Er staat wel dat hij zag, maar hij zag Jezus niet. Dat deden de anderen wel, die kwamen pas tot geloof nadat zij Jezus gezien hadden. Neem nu bijvoorbeeld Maria Magdalena. Onmiddellijk na deze grafschouwing door de beminde leerling, zegt Jezus tot haar: "Maria.” … “Zij keerde zich om en zei tot Hem in het Hebreeuws: Rabboeni" (Joh 20,16). Zij kwam tot geloof in die ontmoeting met de levende Heer, zoals de andere leerlingen op de  avond van de eerste dag van de week. Jezus kwam binnen, toonde hun zijn handen en zijn zijde. Zij waren verheugd toen zij de Heer zagen (vgl. Joh 20,19-23). Zij geloofden, alleen Thomas nog niet, hij was niet bij die ontmoeting. Maar ook hij moest eerst de Heer zien en toen pas geloofde hij (vgl. Joh 20,24-29).

Wat zag nu deze snel gelovige leerling? Hij zag eigenlijk alleen maar wat de engelen met Kerstmis aan de herders als teken in het vooruitzicht hadden gesteld: een kind in doeken gewikkeld, een pasgeboren kind, liggend in een kribbe. "Vooroverbukkend zag hij de zwachtels liggen.” Petrus zag eigenlijk meer dan Johannes, hij zag namelijk ook “dat de zwachtels er lagen, maar dat de zweetdoek die zijn hoofd had bedekt, niet bij de zwachtels lag, maar ergens afzonderlijk opgerold op een andere plaats.” Maar alleen van “de door Jezus beminde leerling” wordt gezegd: “Hij zag en geloofde." Hij zag het minste en geloofde het meeste. Nogmaals, wat zag hij dan? Het ging er echter niet om dat hij iets zág, maar dat hij er iets ín zag; hij zag er doorheen. Ja, maar wát zag hij er dan in? Wat zou een door Jezus beminde leerling anders zien dan liefde en wel zoals liefde is: persoonlijke liefde voor hém. Paulus heeft dat eens zo onder woorden gebracht: "Mijn aardse leven van nu is niets anders dan leven in geloof in de Zoon van God, die míj heeft liefgehad en zichzelf heeft overgeleverd voor míj" (Gal 2,20). Dat zag hij in die tekenen. Jezus heeft Zichzelf overgeleverd uit liefde voor mij. Een persoonlijke gegrepen worden, het hart aangeraakt door een aandoening van geloof in de liefde van God voor hem.

Het verbaast ons dan ook niet dat sint Jan in zijn eerste brief God liefde heeft genoemd en wel naar aanleiding van het elkander beminnen. De liefde is uit God en wie niet lief heeft kent God niet, want God ís liefde. God verspreidt goedheid en liefde om Zich heen, zelveloze goedheid. Maar wat nu als je je niet door die liefde hebt laten raken en daardoor ook de anderen niet lief hebt, dan ben je dus niet uit God? Het verblijdt ons dan ook, dat onze paus Benedictus zijn eerste encycliek deze titel heeft gegeven: 'Deus caritas est.' Hij leidt die eigenschap van God niet af uit dat Hij ánderen lief heeft, maar hij leidt die eigenschap van God af uit dat híj persoonlijk door God bemind werd. Hij weet zichzelf door God bemind. Dat zit achter alles wat Jezus zei, wat Jezus deed, wat Jezus leed tot de dood toe, liefde. Jezus wás liefde. Hij had niet alleen maar lieve woorden en deed niet alleen maar daden uit liefde, zoals zijn lijden, maar Hij wás niets anders dan liefde. Daarom, wie met Jezus in aanraking kwam, kwam in aanraking met de liefde van God.

Over dat aangeraakt worden, hoorden we zo-even ook sint Jan spreken in zijn eerste brief: "We hebben het aanschouwd." Dat is nog op afstand, hoewel dat 'aanschouwen' een woord is dat ook iets van liefde is. Met liefde schouwen. Het heeft iets van contemplatief schouwen. "We hebben het aanschouwd en onze handen hebben het aangeraakt. Daarover spreken wij, over het Woord dat leven is." Dat is de reden van de menswording, om Zich te kunnen laten aanraken. Zoals onze paus - om hem maar weer eens aan te halen - eens gezegd heeft: 'Ein Gott zum anfassen'. Een God om aan te raken en een God om heel vertrouwelijk mee te zijn. Hij is als een van ons, van je eigen familie, van je eigen gezin, zó dichtbij. En Hij is niet alleen een 'God-met-ons', 'Emmanuel, maar ook een God voor ons en wel voor míj. Je dáárdoor laten grijpen, dat is nu geloven. Het is niet te begrijpen, maar je kunt er niet mee omgaan zonder dat je er door gegrepen wórdt, het laat je niet koud, je wordt er warm van. Zoals bij grote emotionele gebeurtenissen mensen er allemaal door geraakt worden. Wel, zó is God. Alle mensen worden er persoonlijk door geraakt, op één voorwaarde: dat je gelooft.

Als je een concordantisch woordenboek naslaat op het woord 'geloven', dan vind je in geen boek van het Oude en Nieuwe Testament meer zinnen waar dat woord in voorkomt dan bij Johannes, zowel in zijn evangelie als in zijn brieven. Hij is de apostel van het geloof, van het 'intus legere', van het intelligent naar binnen kijken, tussen de regels doorlezen, de tekens verstaan. Want geloven doe je met je hart. Dat kan iedereen. Dat is ook het mooie, het geniale van het geloof. Je hoeft er niet voor gestudeerd te hebben, je hoeft er niet knap voor te zijn, of diploma's voor gehaald te hebben, nee, je hoeft alleen maar een hart te hebben, en God heeft ons zo geschapen dat ieder mens een hart heeft. Mensen die op andere punten minder hebben of kunnen, die hebben juist op dat vlak iets meer, een grotere gevoeligheid van het hart. Ze doen de dingen meer met het hart. Geloven doe je dus met je hart, met die wonderlijke mogelijkheid om door te dringen naar de binnenkant van mensen en van dingen. Dat je mensen gelooft op hun woord, dat je op hen kunt vertrouwen zonder te zien, blindelings, én dat je vertrouwen kunt schenken. In de menselijke relaties is dat dan ook hét bindmiddel bij uitstek. Zonder vertrouwen gaan de menselijke relaties stuk en met geloof komt er beweging, vruchtbaarheid, élan in de menselijke verhoudingen; dat wekt vertrouwen op in de ander. Geef een ander vertrouwen en je zult zien dat de ander je vertrouwen niet wil beschamen. Nu is dat bij mensen natuurlijk tot op zekere hoogte waar. Je moet altijd vertrouwen opbrengen, maar tot op zekere hoogte. Sommige dingen kun je iemand niet toevertrouwen. Maar in de verhouding met God is er geen grens aan zijn goedheid en mag er ook geen grens zijn aan het vertrouwen.

In de eucharistie staan we voor hetzelfde teken als "de door Jezus beminde leerling." Hij stond in het graf en zag de windsels liggen, niet zomaar ergens op een hoop gegooid, maar ordelijk, of liever, met een gevoel van genegenheid, opgerold, als was het gedaan door een levende, en niet zomaar levend, maar levend voor een ander. Gedaan door Iemand die weet dat een goed verstaander genoeg heeft aan een half woord, aan een klein teken. Het is een heel stil gebeuren, je ziet niets, je hoort niets, maar het zit vol leven, het zit vol liefde.
Straks zien wij ook tekenen: brood en wijn, en we horen de woorden en noemen dat dan 'het Geheim van het geloof'. Dat we dat straks met niet minder geloofsgenegenheid en geloofskracht mogen zien als "de door Jezus beminde leerling". We worden immers niet minder bemind dan hij. Hij wordt ons niet voorgesteld als was hij dé bijzonder beminde leerling van Jezus. Nee, hij wordt ons voorgesteld zoals wij allemaal zijn: persoonlijk door Jezus bijzonder bemind. Als was er geen ander. Hij is er helemaal voor ieder van ons persoonlijk, zodat wij ook in geloof helemaal voor Hem kunnen zijn.