Heilige Scholastica, maagd
(eigen lezingen)
Eerste lezing: Hosea 2,16b.17b.21-22;
Tweede lezing: Apokalyps 19,1.5-9a;
Evangelie Lucas 10,38-42
Inleiding
Vandaag vieren we het Hoogfeest van de heilige Scholastica. Wat weten we van haar? Eigenlijk bijna niets, maar Scholastica was een tweelingzus van Benedictus, en alles wat we van Benedictus weten, weten we dus ook van haar. Ze waren samen in de moederschoot, en ook aan het eind van hun leven waren ze samen. Maar dan zie je hoezeer mensen, in dezelfde omstandigheden opgegroeid, toch kunnen verschillen. Dat verhaalt Gregorius, een volgeling van Benedictus.
Scholastica had de gewoonte om een keer per jaar haar broer te bezoeken. De man Gods daalde dan van de berg Monte Cassino af, om haar te ontmoeten in een gebouwtje dat bij het klooster hoorde, maar er geruime afstand van verwijderd lag. Op zekere dag kwam ze daar weer en Benedictus daalde met zijn leerlingen de berg af en kwam bij haar. Ze brachten de hele dag door met lofprijzingen en gesprekken, en tegen de avond namen zij voedsel tot zich. De volgende dag zou Scholastica vertrekken en Benedictus maakte zich gereed om afscheid te nemen. Maar Scholastica, haar nabije dood voelend, zei, geïnspireerd door de heilige Geest: 'Ik vraag je, broeder, mij deze nacht niet te verlaten, opdat wij tot de morgen een weinig spreken over de vreugde van het leven in de hemel.' Maar hij gaf haar ten antwoord: Wat zeg je daar, zuster, in geen geval zal ik buiten mijn cel verblijven. Geen sprake van.' Toen legde Scholastica haar hoofd op tafel om God iets te vragen. De vingers ineenstrengelend, haar hoofd op haar handen. En toen zij haar hoofd oprichtte, begon het zo te weerlichten en te donderen en brak er een stortbui los, zo hevig dat niemand er ook maar in de verste verte aan kon denken een voet buiten de deur te zetten. Toen begon de man Gods bedroefd te klagen: 'Moge de almachtige God je vergeven. Wat heb je nu toch gedaan?' Scholastica antwoordde hem: 'Kijk, ik heb je iets gevraagd en je wilde niet naar mij luisteren. Toen heb ik het maar aan God gevraagd en Hij heeft naar mij geluisterd.'
Het commentaar van Gregorius: Toen de Godgewijde vrouw haar hoofd boog tot haar handen, had zij op de tafel een vloed van tranen gestort en die brachten de heldere hemel tot regen. En die wolkbreuk volgde niet even later na haar gebed, nee, gebed en wolkbreuk vielen zo volmaakt samen, dat ze bij de eerste donderslag haar hoofd van de tafel optilde. Hoofd opheffen en regen doen neerdalen gebeurde in één en hetzelfde ogenblik. Heel terecht was zij die méér liefhad, tot méér in staat, waar Benedictus het einde van zijn mogelijkheden zag. Maar toen Scholastica ten hemel werd opgenomen en Benedictus haar als een duif van deze aarde zag weggaan, werd Benedictus meegetrokken tot beschouwing en hemelvaart. De liefde is de regel vooruit. Want het is de liefde zelf die de regel heeft geïnspireerd.
Wenden wij ons nu tot God, dat wij in het Instituut soms te weinig het charisma beleven, te veel vastzitten aan de letter van de wet, te weinig de geest ervan, de geest van liefde beleven. Belijden wij dan onze schuld om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd kwam Jezus in een dorp
waar een vrouw die Marta heette Hem in haar woning ontving.
Ze had een zuster, Maria
die - gezeten aan de voeten van de Heer -
luisterde naar zijn woorden.
Marta werd in beslag genomen door de drukte van het bedienen,
maar ze kwam er een ogenblik bij staan en zei:
Heer, laat het U onverschillig
dat mijn zuster mij alleen laat bedienen?
Zeg haar dan dat ze mij moet helpen.
De Heer gaf haar ten antwoord:
Marta, Marta, wat maak je je bezorgd en druk over veel dingen.
Slechts één ding is nodig.
Maria heeft het beste deel gekozen,
en het zal haar niet ontnomen worden.
Homilie
Scholastica en Benedictus, broer en zus, tweelingen, één door de band van het bloed én door de band van het gelijktijdig verblijf in dezelfde moederschoot. In het evangelie gaat het over twee zussen: Marta en Maria, géén tweeling, maar wel beiden in één adem genoemd, zelfs in één feest gevierd door uw gemeenschap, samen met Lazarus. Maar, zoals in de geschiedenis van Benedictus en Scholastica, staan ook deze twee, Marta en Maria, in dit evangelie tegenover elkaar, staan ook de waarden die beiden vertegenwoordigen tegenover elkaar: het werk, labora en het samenzijn in het gebed, het ora, de contemplatie. Door een kloof worden ze van elkaar gescheiden, door een muur van onbegrip. Door een muur van onbegrip worden het contemplatieve leven en het leven in de wereld veelal gescheiden, zoals er een muur is om dit klooster.
Maar dit conflict wordt ook in iedere contemplatieve doorleefd. Wanneer het werk staat te wachten, wanneer handen te kort schieten, de taak niet te overzien is, niet te volbrengen, je niet kunt beantwoorden aan de eisen die men aan je stelt of waarvan je meent dat ze aan je gesteld worden, of je niet kunt beantwoorden aan de eisen die je aan jezelf stelt. Hoe gemakkelijk gebeurt er dan wat er in het evangelie gebeurt, dat de Marta in je probeert de Maria uit de verbondenheid met de Heer weg te halen, je in het werk te storten, alsof er geen God bestond, alsof de zoete Gast van uw ziel er niet was. Dat kan zo gemakkelijk gebeuren, niemand die het ziet. Je laat een gast in de spreekkamer niet alleen, dat ziet iedereen, maar wanneer je de zoete Gast van je ziel alleen laat, is er niemand die het ziet. Toch, als je goed toekijkt, zie je dat Jezus lijdzaam toeziet. Hij komt niet tussenbeide, Hij dringt Zich niet op, want Hij wil als de Beminde juist op de achtergrond blijven.
Laten we dat conflict nu eens goed doorleven. Maria zit bij de Heer, ze zit aan zijn voeten. Ze zegt niets, ze luistert, dat wordt ook gezegd. Ademloos drinkt zij de woorden van de Beminde in, ze is niet bij Hem weg te slaan. Maar dit zoete tafereel gaat gepaard met een verscheurdheid in de menselijke verhoudingen. Het snijdt je door de ziel. We moeten die kloof niet willen overbruggen, niet goedpraten, niet voortijdig dichten, maar er laten zijn. Dat Maria dat nu doet, dat zij die kloof niet dicht, niet zelf tussenbeide komt, goedpraat, zich verdedigt, dat maakt nu juist de eigenlijke grootheid van Maria uit. Daaruit blijkt dat ze niet zomaar de regel onderhoudt, een plichtpleging volvoert, een spel, een toneel opvoert, maar dat ze door de Beminde in haar hart geraakt is. Dat er werkelijk iets van een bruidsverhouding is ontstaan, dat zij inderdaad, zoals de eerste lezing uit de profeet Hosea zegt, "door de Heer genomen is als zijn bruid voor altijd. Als mijn bruid in recht en gerechtigheid, in goedheid en erbarming, als mijn bruid in onverbrekelijke trouw." Het is niet met een verscheurdheid dat Maria dit conflict doorleeft, maar in innige verbondenheid, met liefde voor haar zus en voor haar Bruidegom.
Zo kunnen alle conflicten doorleefd worden, alle conflicten waarmee de vereniging van het communiteitleven en het leven met de Heer in eenzaamheid nu eenmaal noodzakelijk gepaard gaat. Je moet loslaten, maar je moet ook overlaten, je moet afstand nemen, en je moet dat doen in vereniging met Hem. Zoals een andere contemplatief dat ooit eens gezegd heeft naar aanleiding van dit evangelie: 'Waarom zullen wij ons verdedigen en alles uitleggen wanneer wij merken niet begrepen te worden, wanneer anderen ongunstig over ons oordelen. Dat moeten we niet doen. We kunnen beter zwijgen.' Het is goed voor ons, het is een weldaad voor de ziel niets terug te zeggen en elk oordeel te verdragen, hoe het ook uitvalt. We vinden in het evangelie dan ook niet vermeld dat Maria zich verontschuldigde, toen haar zuster haar verweet aan Jezus' voeten te blijven zitten. Ze zei niet: Marta, als je eens wist hoe heerlijk ik het hier heb. Als je eens wist wat ik hier allemaal hoor. Jezus heeft trouwens zelf gezegd hier te blijven zitten. Nee, niets van dat alles. Ze zei niets. Ze zweeg liever dan iets te zeggen, dan zelf iets te zeggen, ze liet haar verdediging over aan haar Beminde, en terecht. Ook Hij verdedigde Zich niet, Hij schold niet terug wanneer Hij werd uitgescholden, maar Hij liet het oordeel over aan die rechtvaardig oordeelt. Dat kan kort duren, dat kan lang duren, maar dat helemaal overlaten dat is nu juist het teken dat je liefhebt, dat je vertrouwt, dat je niet alleen bent, dat je gelooft in God. Dat je gelooft dat God aan je zijde staat, dat Hij het kan opnemen tegen de mensen.
Dat is ons heilig geloof, zoals het ook het geloof was van Scholastica, toen zij door een inwendige aandrift van de heilige Geest werd geleid, en zij haar broer Benedictus vroeg om de nacht samen met haar door te brengen in dat buitenverblijf buiten het klooster. Het was buiten het klooster, maar het was niet buiten de liefde. Het was niet buiten God. God is groter en met zijn grootheid is Hij dichtbij. Dat is wat wij hier vieren, dat is ook wat wij in de geloofsbelijdenis uitspreken.