Feest van de heilige Drie-eenheid,
                  jaar C
                                        Zondag na Pinksteren

Eerste lezing: Spreuken 8,22-31
Tweede lezing: Romeinen 5,1-5
Evangelie: Johannes 16,12-15


Inleiding    

Op deze zondag na Pinksteren vieren we het Feest van de heilige Drie-eenheid. Het is een feest, een titel, dat de ene God bestaat in de drie goddelijke Personen, en het is een geheim, een geheim van ons bestaan. We worden in dat geheim opgenomen. Het is niet een eng geheim, integendeel, het is een weldadig geheim, al het enge, gevaarlijke en bedreigende wordt weldadig opgenomen door het geheim van de allerheiligste Drie-eenheid. In het maken van het kruisteken laten we ons opnemen in dat geheim, dat bestaat uit ons opgenomen zijn in een geheim van de hemel en van de aarde. Het is een hemel en aarde omvattend geheim! De Vader in de hemel is onze Vader en de Zoon op aarde is het geliefde Kind van de Vader, en met Hem zijn wij verbonden in de liefde van de heilige Geest. De Vader is de Heilige, de Rechtvaardige, en de Zoon draagt de zonden van de mensen. Hij is door de Vader voor ons tot zonde gemaakt. Wij zijn zondaars, maar wij zijn opgenomen in de Persoon van de heilige Geest. Wij zijn van U met al ons kwaad. God, de Schepper van hemel en aarde, is ook de Barmhartige én de Herschepper, de Verlosser. Hij regeert met barmhartigheid. En we zijn met heel ons bestaan in dit geheim van hemel en aarde, van schepping en verlossing, opgenomen. Het was er al vóórdat wij er waren, voordat God ons schiep, zoals u straks in de eerste lezing uit het Boek van de Spreuken zult horen. We treden binnen in een door en door bedorven wereld, een wereld die Gods liefde heeft afgewezen en vervallen is in eigenliefde. God echter heeft ons niet laten vallen. Hij heeft zijn Hart vol laten lopen met een nieuw soort liefde, een liefde voor het zwakke, voor het zondige, voor de bedorven schepselen. 'Gezegend zijt Gij', zong u zo-even in de intredezang. Gezegend zij de heilige Drievuldigheid en de ongedeelde eenheid. Wij willen haar loven en danken, want zij heeft ons haar barmhartigheid getoond.
Beginnen wij dan deze eucharistieviering met het vieren van ons doopsel als een geheim van Gods barmhartigheid, dat wij zijn opgenomen in de schoot van moeder aarde, opgenomen in de schoot van het gezin, van vader en moeder, én dat wij zijn opgenomen in de schoot van God de Vader.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In zijn afscheidsrede zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Nog veel heb Ik u te zeggen,
maar gij kunt het nu nog niet verdragen.
Wanneer Hij echter komt, de Geest der Waarheid,
zal Hij u tot de volle waarheid brengen.
Hij zal niet uit Zichzelf spreken,
maar spreken al wat Hij hoort
en u de komende dingen aankondigen.
Hij zal Mij verheerlijken, omdat Hij aan u zal verkondigen
wat Hij van Mij ontvangen heeft.
Daarom zei Ik dat Hij aan u zal verkondigen
wat Hij van Mij ontvangen heeft,
omdat al wat de vader heeft het mijne is.”

Homilie  

“Nog veel heb Ik u te zeggen."
Heerlijk is het als iemand je iets te zeggen heeft en wat een verdriet als mensen elkaar niets meer te zeggen hebben of een nietszeggend leven moeten leiden, nietszeggend werk moeten doen, of een nietszeggende relatie hebben. Zo'n relatie van: ze hebben geen ruzie, er vallen geen harde woorden, maar het is uit, het is op, het is over. Wat een grote leegte!
Zoiets moet u zich voorstellen dat er was tussen God en de mens. De mensen hadden God niets meer te zeggen. Ze verborgen zich voor Hem toen Hij hen naderde tussen de bomen in de tuin. Ze hadden gekozen voor zichzelf. Maar God heeft de stilte verbroken, Hij heeft de leegte gevuld, Hij heeft een woord voor ons, een naam. Hij noemt ons bij onze naam. Hij is een God van mensen en zo wil Hij ook genoemd worden: "Ik ben de God van uw vaderen, de God van Abraham, Isaak en Jakob" (Ex 3,6), Ik ben de God van die mensen met die en die naam. Zo moet u Mij ook bij mijn Naam noemen: Jahweh, Ik ben er voor u. Ik ben er altijd voor u, de Aanwezige.

Op de eerste plaats mag je er zelf zijn voor God, erkend, aangenomen. Je bent echt iemand voor Hem. Want nog nooit had Abraham zijn naam zó horen uitspreken, zo warm, zo liefdevol, zo innig. Als God een mens zo kan aanspreken, dan moet Hijzelf ook een Persoon zijn. Als Hij ons tot iemand maakt, dat wij iemand zijn, dan is Hijzelf ook Iemand, dan is Hij ook een Persoon. Alleen een persoon kan een andere mens als persoon tegemoet treden. Dus voordat het gesprek begon, voordat God Zich openbaarde als een sprekende God, moet Hijzelf al een sprekende God geweest zijn. Dat kan niet anders.
Dat betekent dus dat God niet alleen is. Die vaardigheid in het contact met mensen moet Hij al in Zich hebben gehad nog voordat er mensen waren. God is niet alleen, Hij is meervoud. Er is een sprekende God en een gesproken God. Er is een Vader-God die spreekt en er is een Zoon-God, Gods Woord, dat gesproken wordt. En "dat Woord is vlees geworden" (Joh 1,14). Het Woord dat de Vader in alle eeuwigheid spreekt, heeft Hij tot ons gesproken. Iets anders heeft de Vader ook niet te zeggen: "Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, in wie Ik mijn behagen heb gesteld; luistert naar Hem" (Mt 17, 5).

Nu zegt Jezus, de Zoon van de eeuwige Vader, vandaag tot zijn leerlingen bij het afscheid, en eigenlijk zegt Hij het ook tot ons: "Nog veel heb Ik u te zeggen." Wat zou de Zoon hen en ons nog te zeggen hebben dat Hij al niet gezegd heeft? Hij is toch het Woord. Wat zou dat kunnen zijn, dat zij en wij, zoals Jezus zegt, nog niet kunnen verdragen? "Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het nu niet verdragen." Wat zou dat anders kunnen zijn dan wat de Zoon zou overkomen bij zijn lijden en sterven? Dat was niet om aan te zien. Dat was niet om te dragen wat de mensen Hem hebben aangedaan. Verschrikkelijk voor Hem, maar nog verschrikkelijker voor de mensen. Mens, kijk nu eens wat je de Zoon van de Vader hebt aangedaan, wat je met de Zoon van God hebt gedaan. Dat was niet uit te houden, dat was niet om te dragen voor het geweten van de mensheid, voor het geweten van de leerlingen. Zij verborgen zich in de zaal van het Laatste Avondmaal, net zoals Adam en Eva zich verborgen hadden tussen de bomen van de tuin.

"Toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen gesloten waren, kwam Jezus binnen" (Joh 20,19). Jezus kwam binnen in de hermetisch gesloten ruimte van de wereld, in de hermetisch gesloten harten van de gelovigen. "Hij ging in hun midden staan en zei: Vrede zij u" (Joh 20,20). Hij dreigde niet met straf of met vergelding, wat het enige juiste rechtvaardige antwoord zou zijn geweest op wat zij Hem hebben gedaan, maar Hij zei: "Vrede zij u.” … "Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde" (Joh 20,20). Achter die zijdewond toonde Hij zijn door mensenhaat gestoken, verwonde, gekwetste Hart. Die wonden schitterden door de liefde waarmee Hij dat alles heeft gedragen. Dát was de waarheid die zij nog niet konden dragen: de volle waarheid over de mens, de volle waarheid over God. En die waarheid is: de mens is slecht, door en door slecht, maar God is goed, door en door goed. Hij is trouw aan de trouweloze mens. Toen de boosheid van de mens tot het uiterste ging, gaf Jezus een teken van zijn liefde tot het uiterste toe.

Dat is wat wij steeds weer moeten meemaken. Wij zijn in dat geheim van de goddelijke Drie-eenheid opgenomen. Dat is een geheim dat aarde en hemel, heel ons leven, omvat. We kunnen de boosheid van de mens niet dragen, we kunnen de boosheid van ons eigen hart niet dragen. Is de wereldgeschiedenis niet een voortschrijdende openbaring van het kwaad van de mensen? Er komt gewoon geen eind aan. Nu eens hier, dan weer daar. De onderste steen boven, fraude, onrecht, ruzie, moord. En wij allemaal zijn daartoe in staat. De boosheid van ons eigen hart komt aan het licht. We kunnen ons rustig afvragen, niet wie heeft dat gedaan, of wie zit daar achter, maar wie zijn wij, mensen, dat wij zoiets kunnen doen. Dat wij in alle rust onze buurman en onze buurvrouw kunnen afslachten. Wij zijn het, wij zijn de zondaars. Dat is de openbaring die wij niet kunnen verdragen. Maar ook dat is nog niet de volle waarheid. De volle waarheid, die God door de heilige Geest komt brengen, is deze:
Ik lees u voor uit de Echo uit Afrika en boven het stukje staat: 'Martelaar ligt naast zijn folteraar in het ziekenhuis':
'Het gebeurde in Uganda aan het begin van het jaar 2003 dat twee jongens van zestien jaar naast elkaar in het ziekenhuis lagen en elkaar herkenden als zijnde de een 'n ex-lid van het rebellenleger, waarin veel kinderen, en de ander, Jo, die één van hun vele slachtoffers was. Bij Jo hadden ze respectievelijk de tenen en vingers van voeten en handen gesneden en ook zijn lippen en oren verminkt. Deze lichaamsdelen werden per post met een begeleidende brief naar de militairenautoriteiten gestuurd. Jo werd opgehaald en in het ziekenhuis opgenomen en terwijl hij daar dus lag, wil het toeval dat een van zijn folteraars naast hem kwam te liggen. Ze herkenden elkaar meteen, het was een zeer emotionele ontmoeting. De schuldige vroeg om vergeving. Jo schonk hem die van harte. Zijn antwoord was: 'Ik weet dat je uit angst gehandeld hebt. Ik had misschien hetzelfde gedaan als ik in jouw plaats had gestaan.' Een religieuze die getuige was van deze vergeving, vroeg Jo later of hij het vergeven wel echt had gemeend en hij antwoordde: 'Ja, zuster. Ik meende het echt. De wereld heeft vergeving nodig. We moeten ook het hoofd van het rebellenleger en zijn manschappen vergeven. Alleen zo kunnen zij zich bekeren.'

De openbaring is: het kwaad in ons eigen hart, en de volle waarheid is: dat dat kwaad ons vergeven wordt. "Vrede zij u." De waarheid is niet wat er allemaal aan waarheid wordt gepubliceerd als een ontmaskering van het kwaad. De waarheid, de echte waarheid, de volle waarheid is: dat dat ontmaskerde kwaad ook vergeven wordt door God. Dat is de openbaring van het goede gelaat van God, de vrede, de heilige Geest. "Aan wie ge de zonden vergeeft, zijn ze vergeven" (Joh 20,23). Dat belijden wij toch in het Credo: ons geloof in de heilige Geest en de vergiffenis van de zonde.

Maar geen eenheid zonder Personen. Het is een eenheid in drie Personen, het is een eenheid in geleding en die geleding, die Personen, zijn heel duidelijk onderscheiden, heel verschillend. Zoals Hij Zich als taak gesteld heeft in deze wereld: Zich verzoenen met een wereld die heel ver van Hem was verwijderd, zo is de Drie-ene God verzoenend hier in ons midden. Hij wordt hier onder ons tegenwoordig gesteld als teken van zijn eenheid, als teken van zijn verzoening, onder de gedaante van het heilig Sacrament, de hostie. Daarin heeft Hij alles wat Hij aan glorie had, losgelaten, achtergelaten, om hier onder ons, zondaars, de zonden uit te boeten. Dat is wat wij hier vieren, en dat vieren wij dan ook nog eens speciaal in een heilig feest, het Hoogfeest van het heilig Sacrament, aanstaande donderdag of zondag.