Hoogfeest van Kerstmis,
           nachtmis
Eerste lezing: Jesaja 9,1-3.5-6 [B16]; antwoordpsalm: Psalm 96,1-2a.2b.3.11.12.13 [B16]
Tweede lezing: Titus 2,11-14 [B17]; vers voor het evangelie: Lucas 2,10-11 [B18]
Evangelie: Lucas 2,1-14 [B18]

De lezingen zijn gemeenschappelijk in de cycli van de jaren A, B en C


Inleiding  

'Dominus dixit ad me: Filius meus es tu, ego hodie genui te.' 'De Heer sprak tot mij: Gij zijt mijn Zoon. Ik heb U heden verwekt.' Wat de Vader tot zijn eniggeboren Zoon in alle eeuwigheid zegt: U bent mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt, dat zegt Hij nú, op dit moment, tot zijn mens geworden Zoon, Jezus. Hij zegt tot Jezus: U bent mijn Zoon. Heden heb Ik U voortgebracht. Een aardse geboorte uit de hemel. Hemel en aarde zijn in Jezus, de Zoon van God, één geworden, met elkaar gehuwd. Het goddelijke leven is in menselijke vorm onder ons tegenwoordig.
Dat is wat we vieren. Ons leven is nooit meer alleen maar menselijk, ons leven is wat het eerst geweest is en nu weer geworden is: Godmenselijk. Voor zover wij deze woorden niet horen en dat diepe inzicht niet hebben, is dat onze zonde.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die dagen kwam er een besluit van keizer Augustus
dat er een volkstelling moest gehouden worden in heel zijn rijk.
Deze volkstelling had voor het eerst plaats
eer Quirinius landvoogd van Syrië was.
Allen gingen op reis, ieder naar zijn eigen stad,
om zich te laten inschrijven.
Ook Jozef trok op
en omdat hij behoorde tot het huis en geslacht van David
ging hij van Galilea, uit de stad Nazaret
naar Judea, naar de stad van David, Betlehem geheten,
om zich te laten inschrijven,
samen met Maria, zijn verloofde, die zwanger was.
Terwijl zij daar verbleven
brak het uur aan waarop zij moeder zou worden;
zij bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene.
Zij wikkelde Hem in doeken
en legde Hem neer in een kribbe,
omdat er voor hen geen plaats was in de herberg.
In de omgeving bevonden zich herders
die in het open veld gedurende de nacht hun kudde bewaakten.
Plotseling stond een engel van de Heer voor hen
en zij werden omstraald door de glorie van de Heer
zodat zij door grote vrees werden bevangen.
Maar de engel sprak tot hen:
“Vreest niet, want zie, ik verkondig u een vreugdevolle boodschap
die bestemd is voor heel het volk.
Heden is u een Redder geboren, Christus de Heer,
in de stad van David.
En dit zal voor u een teken zijn:
gij zult het pasgeboren kind vinden
in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe.”
Opeens voegde zich bij de engel een hemelse heerschare;
zij verheerlijkten God met de woorden:
“Eer aan God in den hoge
en op aarde vrede onder de mensen
in wie Hij welbehagen heeft.”

Homilie


"En dit zal voor u een teken zijn. Er is dus blijkbaar iets te zien, zoals de herders dan ook zeiden: “Komt, laten wij naar Betlehem gaan om te zien wat er gebeurd is en wat de Heer ons bekend heeft gemaakt" (Lc 2,15). Maar van wat aan de herders werd aangekondigd is echt niets te zien, tenzij een teken. De Vader, die wij zouden moeten zien in de Zoon, ís helemaal niet te zien. Hij gaat schuil achter keizer Augustus die een volkstelling wilde houden in heel zijn rijk. Het besluit van deze keizer was een besluit waardoor Gods plan, Vaders plan, werd uitgevoerd. De Vader gaat helemaal schuil achter de keizer. Gaat het in ons leven niet altijd zo? God gaat schuil achter mensen en machten. Je moet dus goede ogen hebben, de ogen van het geloof, en die moet je scherp stellen om dát te kunnen zien. Ook de Zoon, God de Zoon, zien we niet. Wat we wel zien is de eerstgeborene van Maria, dát staat er geschreven. Hij ís de Eerstgeborene van de Vader, die zien we niet, maar de Eerstgeborene van Maria die zien we wel. De heilige Geest gaat schuil achter sint Jozef. We zien Jozef, maar de heilige Geest zien we niet.

Wat is er dan wel te zien in Betlehem? De herders hebben in dat pasgeboren Kind iets van de Vader gezien. "Komt, laten we naar Betlehem gaan om te zien wat er gebeurd is en wat de Heer ons bekend heeft gemaakt.” Ze hebben door Jezus te zien, de Vader leren kennen, en dat was nu net Jezus' bedoeling: “Wie Mij ziet, ziet de Vader” (Joh 14,9). Zie je alleen de baby, zie je alleen nieuw menselijk leven, of zie je in Hem ook de Vader? Kun je zien dat in Jezus, zoals in de brief aan Titus wordt gezegd: “de goedheid en de mensenliefde van God, onze Heiland, zijn verschenen?" (Tit 3,4)

U bent contemplatieven (de zusters van priorij Nazareth), dat zijn mensen die zich niet toeleggen op het zien met de zintuigen, maar met de ogen van het geloof. Het hangt dus van de kracht van uw contemplatie af, of u in het gebeuren van Jezus Christus veel of weinig ziet van Gods genegenheid voor u. Voor de ontroering over het Kind kunt u zich misschien na verloop van tijd een beetje te groot voelen, maar voor het aanvoelen van Gods barmhartige liefde, bent u nooit te groot. Kunt u zoveel in Jezus zien als de evangelist? "Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, zulk een heerlijkheid als de Eniggeborene van de Vader ontvangt, vol genade en waarheid" (Joh 1,14).

Wat zie je er in? Wat zie je in je man? Wat zie je in je vrouw? Wat zie je in je kind? Wat zie je in je overste? Wat zie je in je medemensen, in je medezusters? Wat zie je? Zie je daarin wat iedereen ziet, menselijke eigenschappen, of zie je daar ook iets in van de liefde die God voor hen heeft. Zie je ze opgenomen in een hoger geheim? Zie je ze omstraald door een onzichtbaar, maar voor het geloof waarneembaar licht? Dat is het licht dat doorgebroken is in deze kerstnacht.

Ik zie, ik zie wat jij niet ziet, zegt de gelovige. En dat komt ervan als je bidt, als je je ogen sluit voor de zichtbare werkelijkheid die iedereen ziet, om te kijken met de ogen van je hart. Dan zie je wat er niet te zien is, tenminste niet met gewone ogen. Bidden en geloven is: zien wat er niet te zien is, meer zien in de wereld, meer zien in je leven.
Wat zie je nu in deze wereld dat nog geen etmaal vrede kan opbrengen? Een kerstbestand dat altijd eerder wordt afgebroken, of gebruikt om zich beter te bewapenen. In het groot, in oorlogen, maar ook in het klein. Nee, zegt de gelovige, ik zie er Gods plan in. Ik zie wat God erin ziet en dat is: "Eer aan God in den hoge en op aarde vrede voor de mensen in wie Hij welbehagen heeft."

Wat zie je? Je werk, zoveel dienstjaren, of zie je ook hoe iemand zich uit handen heeft gegeven in een zinloos leven, ik bedoel, een leven waarin iemand zijn eigen zin niet doet, zelveloos, vrij van zichzelf, zo vrij van zichzelf dat je er de goddelijke kracht en Gods vrijgevigheid in ziet?

In deze kerstnacht wordt u uitgedaagd om dát te zien, om uw leven te zien en te laten zien als een kerstverhaal, als een kerstspel, als een Betlehem, "Laten wij naar Betlehem gaan om te zien wat er gebeurd is en wat de Heer ons heeft bekend gemaakt." Misschien maakt de nederige gestalte van onze Heer ons helderziende voor wat er in onszelf en door mensen om ons heen eigenlijk gebeurt: dat God de mensen dient. Laat u dan bedienen vannacht van het brood van Gods dienstbaarheid. Neem zijn dienstwilligheid in u op, om in staat te zijn anderen te blijven dienen. Stel God in staat om door u heen zijn dienstwerk aan anderen te verrichten, de dienst van uw geloof in de nacht van de geschiedenis. Mogen wij daarom straks, als wij de geloofsbelijdenis zullen uitspreken, nederig knielen bij het 'Incarnatus est.'

Slotwoord  

Wij eindigen zoals altijd met de zegen. Een plechtige zegen, want wij zijn in deze gezegende nacht gezegend met dezelfde zegen waarmee de Vader zijn Zoon heeft gezegend. Heel het volk van Israël, heel het volk van de Kerk en ieder van ons persoonlijk.