Onze Lieve Vrouw van de Rozenkrans
                            (eigen lezingen)

Eerste lezing: Handelingen 1,12-14
Evangelie: Lucas 1,26-38


Inleiding  

De maand oktober is door paus Leo XIII aan het eind van de negentiende eeuw toegewijd aan de rozenkrans. Deze paus schreef tijdens zijn pontificaat elk jaar een encycliek over de rozenkrans. Dat het feest van Onze Lieve Vrouw van de Rozenkrans op 7 oktober gevierd wordt, komt omdat op 7 oktober in het jaar 1571 de zeeslag bij Lepanto gewonnen werd door de christelijke alliantie, daarbij gesteund door het eendrachtig gebed van de rozenkransbroederschappen. De rozenkrans heeft iets te maken met een dreigende ramp en met een hemelse beschikking, bevrijding, verlossing. Op de aarde worden de kinderen van God van tijd tot tijd bedreigd door rampen, vervolging, noden van allerlei soort, zoals trouwens heel de aarde afstevent op een eindtijdelijke ramp. Maar er is vanuit de hemel redding, het volk van God zal eens geheel en al worden gered uit die dreigende ramp. De rampen kunnen we niet voorkomen, maar wat we wel kunnen is vertrouwen op een bijstand vanuit de hemel, precies zoals de rozenkransbroederschappen deden in de zestiende eeuw.


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Toen Elisabeth zes maanden zwanger was
werd de engel Gabriël van Godswege gezonden
naar een stad in Galilea, Nazaret,
tot een maagd die verloofd was met een man die Jozef heette,
uit het huis van David;
de naam van de maagd was Maria.
Hij trad bij haar binnen en sprak:
“Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u.”
Zij schrok van dat woord
en vroeg zich af wat die groet toch wel kon betekenen.
Maar de engel zei tot haar:
“Vrees niet Maria, want gij hebt genade gevonden bij God.
Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen
en gij moet Hem de naam Jezus geven.
Hij zal groot zijn
en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden.
God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken
en Hij zal in eeuwigheid koning zijn over het huis van Jakob
en aan zijn koningschap zal nooit een einde komen.”
Maria echter sprak tot de engel:
“Hoe zal dit geschieden daar ik geen man beken?”
Hierop gaf de engel haar ten antwoord:
“De heilige Geest zal over u komen
en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen;
daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht
heilig genoemd worden, Zoon van God.
Weet dat zelfs Elisabeth, uw bloedverwante,
in haar ouderdom een zoon heeft ontvangen  
en, ofschoon zij onvruchtbaar heette,
is zij nu in haar zesde maand;
want voor God is niets onmogelijk.”
Nu zei Maria:
“Zie de dienstmaagd des Heren;
mij geschiede naar uw woord.”
En de engel ging van haar heen.


Homilie  

Maria, de moeder van God, van God vervuld, zwanger van God. Zo is zij ons in de beide lezingen voorgegaan, open om te ontvangen, open om de heilige Geest te ontvangen, God in zijn kracht. In de eerste lezing was zij dat samen met de leerlingen, met de vrouwen en met Jezus' broeders (en zusters natuurlijk). En in het evangelie is zij in Nazaret waar zij van Godswege opengemaakt wordt om de boodschap van de engel te ontvangen. Dikwijls wordt Maria op schilderijen afgebeeld in een open, ontvankelijke houding, geknield op een bidstoel. Het gaat natuurlijk niet om die lichamelijke houding, maar het gaat om wat het betekent: iemand die ontvankelijk is voor een hemelse kracht. Dát is Maria. Dát is het volk van God. De wijze waarop God omgaat met Maria is het model van de manier waarop God nog steeds met de mensen omgaat. Daarom is de rozenkrans een school van gebed voor alle tijden.

Het eerste wat men zich te binnen mag brengen is dat het initiatief bij God ligt. Die ontvankelijke houding, die geestelijke houding, is als het ware de voorkomende genade die noodzakelijk is om de genade zelf te kunnen ontvangen. Dat iemand bereid wordt gemaakt voor het initiatief van God, dat ís al een initiatief van God. Als een mens naar het gebed, naar de tijd van het gebed toegroeit door een groei in ingetogenheid, is dat al de genade die hem voorbereidt op het ontvangen van de genade. Het initiatief ligt altijd bij God. Wij hoeven dus niets anders te doen dan het initiatief van God te verwachten, ons daarvoor open te stellen.

U hebt natuurlijk wel eens gehoord van het gebed van vereniging. Als de mens probeert zich met God te verenigen, of iemand probeert te leven in vereniging met God, onder Gods aanschijn, is dat nog niet het gebed van vereniging, want dat gebed berust op iets wat daarvóór ligt, vóór het proberen, vóór de eigen inspanning van de mens. Het berust op de vereniging van God met de mensen. Dat is dan ook het eerste wat de engel zegt: "De Heer is met u." Hij heeft Zich verenigd met u, Hij deelt Zich aan u mee. En dat niet alleen maar als een woord over een gebeuren dat zich aan de waarneming onttrekt, zoiets als wanneer mensen zeggen: ik denk aan je, of: ik heb net nog aan je gedacht, maar díe woorden: 'de Heer is met u', geven woordelijk uitdrukking aan een gebeuren dat zich in Maria voltrekt en dat tenslotte zal uitgroeien in het van God in verwachting raken. Maar alles wat zich in Maria heeft voltrokken begon al bij het begin van haar bestaan, bij die onbevlekte ontvangenis, en is doorgegaan tot op het moment dat Maria groeide in ingetogenheid, in innerlijke vereniging met God, vóórdat de engel bij haar binnenkwam.

God weet ons te vinden, ook al zijn we voor ons gevoel nog maar zo'n klein onderdeeltje van het grote raderwerk van de geschiedenis. We voelen ons maar een poppetje, een marionet in een groot toneelspel. Hij weet ons te vinden, zoals Hij Maria weet te vinden in Galilea, dat wil zeggen: in een bezet gebied, een geminacht gebied, het Galilea van de heidenen, en dan nog in een stadje met een slechte naam: "Uit Nazaret, kan daar iets goeds vandaan komen?" (Joh 1,46) en dan nog wel aan een vrouw, terwijl vrouwen in die tijd een ondergeschikte rol speelden. Hij wéét ons te vinden, waar we ook staan, hoe klein we ook zijn tussen al die mensen in het wereldgebeuren. Voor God zijn we niet minder.

Heel stil komt de engel bij Maria binnen, zonder gedruis, dat wil zeggen dat zij, maar ook wij, in onze waarde gelaten worden. We worden niet overweldigd, overdonderd, wat eigenlijk zou moeten gebeuren als God Zich zonder meer aan de mens meedeelt. Het licht van God moet eerst worden gedimd, gefilterd, anders kan de mens het niet aan; maar tegelijkertijd is er ook iets van afstand, van eerbied, dat het inderdaad van God is. De engel zegt in antwoord op de reactie van Maria dan ook: "Vrees niet Maria, want gij hebt genade gevonden bij God."
De vrede van de vereniging met God in een goddelijk-menselijke harmonie mag het winnen van de vrees. En dat is niet alleen bedoeld voor Maria, maar voor het hele volk, zoals ook heel het volk mocht horen: "Juich en verheug u, dochter Sion, want zie Ik kom, Ik zal bij u wonen" (Zach 2,14). Het is de grootste vreugde van het volk Israël, en van het nieuwe volk van God, voor haar, voor ons, dat God komt, dat God komt om te blijven, om bij ons te wonen, om zijn woonplaats onder ons te vestigen. Maar daarvoor moet natuurlijk eerst kwartier worden gemaakt. God vraagt plaats, God vraagt veel plaats, God vraagt álle plaats. Dat is een pijnlijk gebeuren, zoals steeds weer bleek in het leven van Maria. Het was altijd anders dan zij zich had kunnen voorstellen. Maar voordat God Maria een dienst gaat vragen, laat Hij haar eerst zijn liefde voelen. Zo is het altijd wanneer iemand geroepen wordt om iets te doen, een bepaalde plaats te bekleden, een rol te spelen; eerst geeft God hem of haar zijn liefde.

Datzelfde voltrekt zich ook in de liturgie. De liefde van God is met ons, opdat ons dienen van God doortrokken zou zijn van de liefde van God. Daarom laten wij ons eerst van zijn liefde bedienen. Het is een liefdedienst die wij mogen brengen, het is een vriendendienst die Hij van ons vraagt. "Ik noem u dan ook geen dienaars meer, want een dienaar weet niet wat zijn heer doet, maar u heb Ik vrienden genoemd" (Joh 15,15). 'De Heer is met u,' wordt de Kerk niet moe te zeggen aan degenen die het Woord van God vieren en aan wie zij het Sacrament mag uitdelen. Dat wij ons die dienst laten bewijzen en ons met die liefde laten vervullen.