Hoogfeest van de
Openbaring van de Heer
Eerste lezing: Jesaja 60,1-6 [ABC 34]; antwoordpsalm: Psalm 72,2.7-8.10-11.12-13 [ABC 34];
Tweede lezing: Efeziërs 3,2-3a.5-6 [ABC 35]; vers voor het evangelie: Matteüs 2,2 [ABC 36]
Evangelie: Matteüs 2,1-12  [ABC 36]

De lezingen zijn gemeenschappelijk in de cycli van de jaren A,B en C


Inleiding  

Vandaag vieren we het feest van de Openbaring van de Heer, in de volksmond genaamd Driekoningen. In de oosterse Kerk wordt dit feest Epifanie genoemd en daarvan heeft de Kerk in het Westen iets overgenomen door het het feest van de 'Openbaring' te noemen. Dit feest van de Openbaring van de Heer en het feest van de bruiloft van Kana en het feest van de Doop van de Heer worden samen de drie epifanie-gebeurtenissen genoemd. God houdt er zijn plechtige intocht bij de mensen op aarde. Epifanie of theofanie waren gebeurtenissen bij de Grieken waarbij een godheid verscheen op aarde, of waarbij een als godheid vereerde koning zich na zijn troonsbestijging in de diverse steden van zijn grote rijk liet inhuldigen: op de wijze van 'epifanie'; een plechtige inhuldiging dus van een nieuwe vorst. Goed gevonden, zou je zo zeggen, want dat is nu net wat wij met Kerstmis willen doen: Hem niet alleen maar eer brengen in zijn vernedering, maar Hem ook eer brengen in zijn grootheid.
Wat gebeurt er als mensen bijvoorbeeld op een receptie komen om iemand Nieuw Jaar te wensen, of te huldigen vanwege een succes, een overwinning, of een promotie? Dan kan het niet anders of iets van de eer van de geëerde straalt ook af op degenen die hem eer brengen. De mensen die in de rij staan voor de receptie, staan zelf even in het zonnetje van de geëerde jubilaris. En mensen die hier aanbidding komen houden, staan zelf ook ergens in het middelpunt, delen ook ergens in de eer van de geëerde Koning. Het is ook een eer om hier aanbidding te mogen houden namens de hele gemeenschap, namens heel de Kerk. Maar de geëerde Heer is een eerloze, Hij is een door de mensen onteerde, een vernederde, en daarom beginnen we de eucharistie ook altijd met een acte van vernedering, dat wij zo hoogmoedig zijn, dat wij zelf in het middelpunt willen staan, eer willen ontvangen nota bene als volgelingen van een Koning die alleen maar oneer vanwege de mensen krijgt en eer van God.
Belijden wij dan onze schuld om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.
                         
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

Toen Jezus te Betlehem in Juda geboren was,
ten tijde van koning Herodes,
kwamen er te Jeruzalem Wijzen uit het Oosten en vroegen:
“Waar is de pasgeboren Koning der Joden?
Want wij hebben zijn ster in het oosten gezien
en zijn gekomen om Hem onze hulde te brengen.”
Toen koning Herodes dit hoorde,
werd hij verontrust en heel Jeruzalem met hem.
Hij riep alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk bijeen
en legde hun de vraag voor,
waar de Christus moest geboren worden.
Zij antwoordden hem:
“Te Betlehem in Juda.
Zo immers staat er geschreven bij de profeet:
En gij, Betlehem, landstreek van Juda,
gij zijt volstrekt niet de geringste onder de leiders van Juda,
want uit u zal een leidsman te voorschijn treden,
die herder zal zijn over mijn volk Israël.”
Toen ontbood Herodes in het geheim de Wijzen
en vroeg hun nauwkeurig
naar de tijd waarop de ster verschenen was.
Daarop zond hij hen naar Betlehem met de opdracht:
“Gaat een zorgvuldig onderzoek instellen naar dat Kind,
en wanneer gij het gevonden hebt, bericht het mij dan,
opdat ook ik het hulde kan gaan brengen.”
Na de koning aanhoord te hebben, vertrokken zij.
En zie, de ster die zij in het oosten gezien hadden,
ging voor hen uit totdat ze boven de plaats
waar het Kind zich bevond, stil bleef staan.
Op het zien van de ster werden zij vervuld
van overgrote vreugde.
Zij gingen het huis binnen,
zagen er het Kind met zijn moeder Maria
en op hun knieën neervallend betuigden zij Het hun hulde.
Zij haalden hun schatten te voorschijn
en boden Het geschenken aan: goud - wierook en mirre.
En in een droom van Godswege gewaarschuwd
niet meer naar Herodes terug te keren,
vertrokken zij langs een andere weg naar hun land.
                 
Homilie  
 
“Er kwamen Wijzen uit het Oosten."
Wat weet de geschiedenis van deze Wijzen? Niet veel! Ook de gewijde geschiedenis, de heilige geschiedenis, de geschiedenis van de heilige Schrift niet. In héél de Schrift is er geen spoor van hen te bekennen. Niet in de belofte van het Oude Testament en niet in het Nieuwe Testament. Alles wat wij van hen weten, staat op deze ene bladzijde van het lezingenboek. Ze laten geen spoor achter, ze duiken hier op en ze gaan weg als een opschietende ster aan de hemel; zonder verdere aanduiding, zonder voorbereiding is hij er ineens en ineens is hij ook weer weg, valt hij terug in het duister. Zo vallen deze Wijzen uit het Oosten weg uit onze menselijke aandacht. We weten eigenlijk niet eens met hoevelen ze waren. Er staat: Wijzen uit het Oosten, onbepaald. Waren het er twee, vier of vijf? Nee, er waren toch drie koningen!? Ja, er waren drie geschenken, dat is de conclusie die getrokken is en van waaruit de drie koningen zijn voortgekomen. Die geschenken zagen er nogal koninklijk uit. Bovendien waren er in het weten van de mensen toen drie werelddelen: Europa, Azië en Afrika. Amerika was nog niet ontdekt en Australië al helemaal niet. En achter elk werelddeel werd een koning gezien, vandaar de drie koningen.

Maar als we al die toegevoegde en zelfverzonnen informatie weglaten, dan valt op hoe weinig wij eigenlijk van hen weten. Ze kwamen uit het Oosten, maar dat is geen vaderland. Er is maar één vast punt in hun leven en dat is de aanbidding van het Kind: "Ze gingen het huis binnen, zagen er het Kind met zijn moeder Maria en op hun knieën neervallend betuigden zij Het hun hulde." Dat zou er op een doodsprentje van een zuster van priorij Nazareth kunnen staan: Geen begin, geen einde, geen vaderland, alleen maar aanbiddingzuster. Ze wil alleen maar laten weten waartoe zij geroepen was.

Door de ster van hun geweten geleid, daarheen gaan deze Wijzen en daar blijven ze. Ze hebben geen ander thuis dan bij Hem. Bij Hem zijn ze thuis, deze thuislozen. Zo geven zij een beeld van het menselijk leven. We moeten alles loslaten om Hem het enige vaste punt te laten zijn in ons leven, het enige oriëntatiepunt. Daaraan moet alles afgemeten worden in onze verhouding tot Hem. We moeten geen andere vaste punten willen hebben, we moeten alles kunnen loslaten wat ons dierbaar is, zoals die Wijzen hebben gedaan, onze overtuigingen, onze bezittingen, ja, dat we het zelfs niet nodig vinden om ons te verdedigen, of om argumenten te zoeken voor het geloof, of voor deze vorm van leven: 'ik weet dat ik dit moet doen.'

Van waar kwam nu die merkwaardige verontrusting bij Herodes en bij heel Jeruzalem? "Toen koning Herodes dit hoorde, werd hij verontrust en heel Jeruzalem met hem." Zij werden verontrust, omdat de Wijzen zich niet lieten inpassen in het geldende systeem, in de gangbare waarden; zij waren niet onder de indruk van menselijke grootheid, zoals van koning Herodes, van een paleis, van schatten en van gunsten. Koning Herodes kon deze mensen niet inpassen, hij kon ze niet manipuleren, hij kreeg geen greep op hen, hij kan ze niet inpassen in zijn systeem. Daarom komt alles op losse schroeven te staan, bij koning Herodes, bij de koningen van de aarde, en ook bij elke mens, want elke mens heeft iets van een koning, niet alleen omdat hij is aangesteld door God om de schatten van de aarde, de schatten van de natuur te beheren die aan hem zijn toevertrouwd, maar uiteindelijk heeft iedere mens toch zichzelf als eigendom, als rijkje: koning 'ik'.

Het Feest van de Openbaring is, dat koning 'ik' zijn kroon neerlegt voor Koning Jezus. Onze koning 'ik' is sinds de zondeval op de plaats gaan staan van God die de eigenlijke Koning is. En om dat nu terug te draaien, om weer een onderdaan te worden van God, daarvoor verschijnt Jezus, de Zoon van God. Hij verschijnt als een kleine Koning, als een Kind. Wij moeten worden als kleine kinderen, die alles nog moeten ontvangen, die niets anders dóen dan ontvangen, die nog niet hun handje uitsteken om te grijpen, om te pakken of om te beheersen, om in de greep te krijgen, maar die hun handje alleen maar uitsteken om te ontvangen. Daarin is Jezus een Meester. Hoe gaat dat kleine Kind om met vernederingen? Hij ligt daar te stralen in zijn kribbe, vriendelijk glimlachend of met de armpjes wijd uitgestrekt, zoals op het kruis, open in situaties waarbij mensen alleen maar zouden dichtklappen, zouden dichtslaan. Hij wordt gebogen maar niet gebroken. Hij is buigzaam, maar niet gebroken; gekwetst, maar niet verbitterd; eenzaam, maar niet verpieterd; neergebogen, maar niet opstandig; geborgen als Hij Zich weet in Gods vaderhart. Daar haalt Hij zijn grootheid vandaan, niet een keer, maar elke keer weer opnieuw. Elke keer als Hij gebogen wordt, neergebogen, is het de Vader die Hem verheft, volgens de wet van zijn Koninkrijk: "Wie zichzelf vernedert, zal verheven worden" (Mt 23,12; vgl. Lc 14,11; 18,14).
Dat mogen wij dan in de viering van de eucharistie ook doen, elke keer neerbuigen voor zijn grootheid in het klein zijn.