Paaszondag
Verrijzenis van de Heer
Eerste lezing: Handelingen 10,34a.37-43
Tweede lezing: Kolossenzen 3,1-4
Evangelie: Johannes 20,1-9

De lezingen zijn gemeenschappelijk in de cycli van de jaren A,B en C


Inleiding      

'Resurrexi, et adhuc tecum sum.' 'Verrezen ben Ik en nog altijd ben Ik bij u.' Is dat de bedoeling, is dat te beleven? Jezus is niet in het graf, Hij is opgestaan uit het graf en zit aan de rechterhand van de Vader. En van daaruit, zittend aan de krachtige hand van de Vader, is Hij met zijn hemelse kracht, met zijn hemelse liefde bij ons. Hemel en aarde zijn opgenomen in een liefdesverbond, een liefdesband. De hemel met de hemelingen en de aarde met de mensen die leven vanuit het hart, die echt mensen zijn. Op die golflengte wil het paasgebeuren ons verrijken. Op die golflengte willen wij ons afstemmen en hebben wij de afgelopen dagen gepoogd ons af te stemmen: op de golflengte van de persoonlijke liefde, die van zijn kant een liefde is die zich niet laat stoppen door onze ontrouw, onze afwijzing en onze. Dat geeft ons de ruimte om ons onze zonden, onze liefdeloosheid, ons gebrek aan fijngevoeligheid, bewust te maken en we doen dat op deze zondagochtend van Pasen, door ons ons doopsel in herinnering te brengen, door ons te binnen te brengen dat wij toen persoonlijk in dat liefdesverbond met God werden opgenomen.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Op de eerste dag van de week kwam Maria Magdalena
vroeg in de morgen, het was nog donker, bij het graf
en zag dat de steen van het graf was weggerold.
Ze liep snel naar Simon Petrus en naar de andere
door Jezus beminde leerling en zei tot hen:
“Zij hebben de Heer uit het graf genomen
en we weten niet waar ze Hem hebben neergelegd.”
Daarop gingen Petrus
en de andere leerling op weg naar het graf.
Ze liepen samen vlug voort,
maar die andere leerling snelde Petrus vooruit
en kwam het eerst bij het graf aan.
Vooroverbukkend zag hij de zwachtels liggen,
maar hij ging niet naar binnen.
Simon Petrus die hem volgde
kwam ook bij het graf en trad wel binnen.
Hij zag dat de zwachtels er lagen,
maar dat de zweetdoek die zijn hoofd had bedekt,
niet bij de zwachtels lag,
maar ergens afzonderlijk opgerold op een andere plaats.
Toen ging ook de andere leerling,
die het eerst bij het graf was aangekomen, naar binnen.
Hij zag en geloofde, want ze hadden nog niet begrepen hetgeen
er geschreven stond, dat Hij namelijk uit de doden moest opstaan.

Homilie      

In het evangelie van vandaag horen we een eerste getuigenis van de opstanding van Jezus, en  nog wel een getuigenis van de door Jezus beminde leerling. "Hij zag en geloofde." Om te kunnen geloven in de liefde van de ander, moet je je eerst zelf bemind weten. De door Jezus beminde leerling wist zich bemind. Maar wat voor hem geldt, geldt ook voor heel de Kerk, voor heel het volk van God, voor ieder van ons persoonlijk. Wij allen worden door Jezus bemind. Je door Jezus bemind weten betekent, dat je in je leven tenslotte niets anders overhebt om van te leven dan de liefde van God, dat God alleen genoeg is voor je, dat alles je mag worden afgenomen, dat je in alles mag worden teleurgesteld, dat je leeft van die ene liefde die je niet teleurstelt, je zelfs niet kán teleurstellen. Dat is een liefde tot de dood, een radicale, zelfloze, wegschenkende, verspillende liefde. Een liefde die alleen maar geeft zonder te hoeven terugkrijgen. Dát is de liefde van Jezus en die liefde vraagt Hij ook van ons, een gevende liefde. "Hebt elkander lief zoals Ik u heb liefgehad" (Joh 15,12).

Maar als we zó liefhebben, waar blijven wij zelf dan? We willen zelf toch ook nog leven, we willen ook nog iets voor onszelf houden. Als je alleen maar geeft, waar leef je dan van, wat heb je dan nog? Daar heeft Jezus iets op gevonden. Hij geeft zijn leven, Hij geeft zijn liefde: 'Dit is mijn Lichaam voor u', 'dit is mijn Bloed dat Ik voor u vergoten heb.' Dáárvan mag je leven.
Jezus' leven en zijn liefde ontvang je in de eucharistie, en daarvan is de bedoeling, dat je zijn leven en liefde gebruikt om het aan anderen te geven. Je ontvangt dus zijn wegschenkende liefde, en als je die liefde ook inderdaad wegschenkt aan een ander, dan krijg je diezelfde liefde telkens opnieuw in de eucharistie, om er zelf van te leven en tegelijkertijd weg te schenken, opdat anderen ervan leven. Zo bouwt Jezus met zijn leven en met zijn liefde de menselijke verhoudingen op, in de Kerk en in de wereld.

Daarvoor is geloof nodig, want om geloof is het allemaal begonnen: geloven in de liefde van God, dat God jou bemint, en dat wij weten dat wij allemaal door God beminde leerlingen zijn. Daarom belijden wij ook altijd ons heilig geloof na de verkondiging van het woord. Wij belijden dat wij geloven in de liefde die achter dat woord steekt, dat dat uit een beminnend en wegschenkend Hart komt.

Slotwoord
 

Een zalig Pasen! Dat betekent: een door God gezegend Pasen. Pasen betekent: doorgang. Wanneer ik u dus een zalig, door God gezegend Pasen toewens, wens ik u dat u er met Gods zegen doorheen zult komen. Waar doorheen? Als het licht door de duisternis, als het Joodse volk door de woestijn, door de Rode Zee, door de ballingschap. Zo kan ieder van u zijn eigen woestijn invullen, zijn eigen ballingschap, zijn eigen Rode Zee. Dat u met Gods zegen daar doorheen mag komen, door heel uw leven, dat wens ik u toe. Buigt dan uw hoofd voor de zegen.