Hoogfeest van Pinksteren

              Pinksterzondag
Eerste lezing: Handelingen 2,1-11
Tweede lezing: 1 Kor 12,3b-7.12-13
Evangelie: Johannes 20,19-23

De lezingen zijn gemeenschappelijk in de cycli van de jaren A,B en C


Inleiding
   

'Spiritus Domini replevit orbem terrarum.' … 'De Geest van de Heer heeft bezit genomen van de aarde.' Eerst was het de glorie, de heerlijkheid van God, die de aarde omspande (Ps 57,6), heel de aarde vervulde (Ps 72,19; Jes 6,3), nu is dat de Geest van God. Het is de Geest van barmhartigheid, van eindeloos geduldige liefde, van vergevingsgezindheid tot het uiterste, een bereidheid alle kwaad, hoe erg ook, te vergeven. Dat is de nieuwe glorie van God. Pinksteren is er de feestelijke viering van.
Deze Geest is de ziel van de Kerk. En het is ook de ziel van de ziel van elke gelovige. (Kardinaal Mercier: 'De ziel van mijn ziel.') Deze werd bij het doopsel in ons hart uitgestort. Vandaag, op Pinksteren, vieren wij in het bijzonder, dat aan de grondslag van ons gelovig bestaan een eindeloze bereidheid tot vergeving werd ingestort. Vragen wij om vergeving van onze zonde van hardheid en onverdraagzaamheid.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In de avond van die eerste dag van de week,
toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen
gesloten waren uit vrees voor de Joden,
kwam Jezus binnen,
ging in hun midden staan en zei:
“Vrede zij u.”
Na dit gezegd te hebben,
toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde.
De leerlingen waren vervuld van vreugde
toen zij de Heer zagen.
Nogmaals zei Jezus tot hen:
“Vrede zij u.
Zoals de Vader Mij gezonden heeft
zo zend Ik u.”
Na deze woorden blies Hij over hen en zei:
“Ontvangt de heilige Geest.
Als gij iemand zonden vergeeft
dan zijn ze vergeven,
en als gij ze niet vergeeft,
zijn ze niet vergeven.”

Homilie  

“Jezus ging in hun midden staan, … Hij blies over hen en zei: Ontvangt de Heilige Geest.”
Maar de mensen hadden de heilige Geest toch al ontvangen bij de schepping!? “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was woest en leeg, duisternis lag over de diepte." In het begin was er alleen nog maar chaos. Door zijn Geest te laten zweven, werd de chaos tot kosmos: “De Geest van God zweefde over de wateren” (Gn 1,1-2). De heilige Geest vervulde de schepping met de glorie van God. Om de heerlijkheid van God te kunnen waarnemen, moest ook de mens nog persoonlijk de adem van God worden ingeblazen: “Toen boetseerde de Heer God de mens uit stof, van de aarde genomen, en Hij blies hem de levensadem in de neus: zo werd de mens een levend wezen" (Gn 2,7). De eerste adem van Adam was Gods Adem: de heilige Geest. Voortaan kon de mens de schepping en ook zichzelf en zijn medemensen niet meer zien als louter van deze wereld, maar alleen nog maar als komend uit Gods hand en uit Gods hart: door de heilige Geest in zijn hart raakte de mens bij alles in hemzelf, in zijn medemensen en in de geschapen dingen in vervoering over de heerlijkheid van God. De psalmen staan er vol van.

Dat aanvoelen van Gods aanwezigheid in de natuur is de mens ingeschapen. En nu vond Jezus het toch nog nodig zijn Kerk de heilige Geest in te blazen. Waarom? Omdat de mens in de zondeval op zijn eigen geest was teruggevallen, maakte liefde voor God plaats voor liefde voor zichzelf: zelfzucht. Eigenliefde kwam in de plaats van Gods liefde, menseneer in de plaats van Gods eer. De zon van Gods liefde verdween achter de wolken van de menselijke liefde. Charles Darwin bekende dat hij, sinds hij voor het ontstaan van de soorten geen plaats zag voor een goddelijke Schepper, bij de beschouwing van de natuur als een kleurenblinde was geworden: de gloed van de heilige Geest was gedoofd. Hij was blind geworden voor de heerlijkheid van God. Maar missen deed hij Gods glorie wel.
Ook in de harten van de mensen was de zon van Gods liefde gedoofd. Mensen gingen zich behelpen met het surrogaat van de louter menselijke liefde, een zelfzuchtige liefde. Ze gunden elkaar niet meer het licht in de ogen. Wie zijn broeder haat, is een moordenaar. Sinds Kaïn zijn eigen broer Abel vermoordde, is het paradijs een tranendal geworden. Dat is de wereld waarover Jezus zijn Geest uitademde.

Wat bewerkte de heilige Geest die Jezus over de nieuwe schepping, de Kerk, uitblies?
1. De Heilige Geest laat ons weer het goede zien in het licht van de Bron van alle goedheid, zoals Jezus dat deed, toen iemand Hem 'goede Meester' noemde: "Waarom noem je Mij goed? Niemand is goed dan God alleen" (Mc 10,18). Dat betekent niet dat er geen goedheid zou kunnen zijn buiten of naast God, maar dat alle goedheid een participatie is aan de goede God, die met zijn liefde zelf aanwezig blijft in het goede dat Hij aan de mensen geeft.
2. Deze Geest heeft het bijzondere vermogen om ook het kwade van de mensen met een goed en liefdevol hart te dragen. Daarin heeft Jezus' Geest uitgemunt. Ja, daarin bestond zijn zending op aarde: om de zonden van de wereld te dragen, te verdragen, te vergeven: "Lam Gods dat wegneemt (wegdraagt) de zonden van de wereld" (Joh 1,29). Hij heeft al het kwaad, alle zonden tegen God en de mensen gedragen met een eindeloos geduldige liefde. Hij is daarin tot het einde gegaan, tot het uiterste. Toen de mensen met hun boosheid tot het uiterste zijn gegaan, de moord op Gods eigen Zoon, toen heeft Jezus dat uiterste aan boosheid met een uiterste aan liefde gedragen. Hij zei: "Het is volbracht. Daarop boog Hij het hoofd en gaf de geest" (Joh 19,30).

Het was deze Geest van bereidheid om tot het uiterste te gaan van vergevingsgezindheid die Jezus uitademde over de leerlingen, de zachte, tedere kracht die zij en wij nodig hebben om de zending te kunnen volbrengen in deze wereld, dezelfde zending die Jezus van zijn Vader had ontvangen: "Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u.” Precies zoals Jezus worden wij door de Vader en door Jezus gezonden om tot het uiterste te gaan in het dulden van het kwaad, om te leven zoals Jezus die, “als Hij gescholden werd, niet terugschold en als Hij te lijden had, niet dreigde, maar het overliet aan Hem die rechtvaardig oordeelt, die in zijn eigen lichaam onze zonden op het kruishout heeft gebracht.” Hij heeft ons immers “een voorbeeld nagelaten, opdat wij in zijn voetstappen zouden treden" (1 Pe 2,21-24). Het is goed om in navolging van Jezus geen grenzen te stellen, nooit te zeggen: tot zover en niet verder, zelfs niet te zeggen: tot zevenmaal toe vergeef ik u. Nee, zegt Jezus: "Tot zeventigmaal zevenmaal" (Mt 18,22). Altijd weer vergeven dus! Maar hoe zouden wij die zelf zondaars zijn, door en door op onszelf gericht, zoiets kunnen? Wat wij met onze eigen kracht niet kunnen, wordt ons mogelijk gemaakt door de heilige Geest. Daarom heeft Jezus de heilige Geest uitgestort over zijn Kerk en over ieder van ons. Dat het inderdaad Jezus' bedoeling was, om ons met behulp van zijn goddelijke Geest tot het uiterste te laten gaan van zondevergeving, blijkt uit de laatste woorden: "Wier zonden gij vergeeft, zijn ze vergeven." Wij worden door Jezus gezonden de zonden te vergeven, het kwade te dragen en zo de goddelijke barmhartigheid op aarde een lichaam te geven, tastbaar te maken.

En als wij "de zonden niet vergeven, zijn ze niet vergeven." Wel nog door God bij het laatste oordeel, maar niet in deze tijd door ons, zijn gezondenen. Het kwaad gaat door in ons eigen hart, wij tonen ons gekwetst, beledigd, verbitterd. Zo geven wij de zonde een nieuwe kans. Op de eerste plaats in onszelf. Want als wij de ander die ons kwaad aandoet, niet vergeven, neemt het grotere vormen aan. We onthouden hem het uitzicht op de barmhartigheid van God. Door het kwaad met strenge straffen of met vergelding te beantwoorden, tonen wij als gelovigen God als streng en straffend. Geldt het een ongelovige, iemand die toch al veel minder zicht heeft op de glorie van God in de schepping, dan belemmeren wij hem door onze hardheid ook nog het uitzicht op de nieuwe glorie van God, zijn barmhartige liefde voor de zondaar. En is het de gelovige medechristen aan wie wij het aangerichte kwaad niet vergeven, dan schieten wij ernstig te kort in onze meest fundamentele plichten als christen. Eigenlijk kunnen wij dan niet eens meer 'het Onze Vader' bidden, het grondmodel van het christelijk bidden en handelen. Want daar staat toch in: "Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven hebben aan onze schuldenaren” (Mt 6,12). Volgens de Matteüs-versie van 'het Onze Vader' voegt Jezus er nog aan toe: “Want als gij aan de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar als gij niet vergeeft aan de mensen, zal ook uw hemelse Vader uw overtredingen niet vergeven" (Mt 6,14). Door deze zin onmiddellijk aan het Onze Vader toe te voegen, wekt de evangelist de indruk, dat in de vergevingsgezindheid de eigenlijke strekking van het Onze Vader wordt samengevat en dat je dáár een christen aan kunt herkennen.

Als wij aangedaan kwaad niet vergeven, kunnen wij ook niet van harte het credo bidden, want daarin staat toch, dat de Kerk een gemeenschap is, door de heilige Geest tot leven gewekt, en een gemeenschap van heiligen wordt door de vergeving van de zonden: 'Ik geloof in de heilige Geest, de heilige katholieke Kerk, de gemeenschap van de heiligen, de vergeving van de zonden.' Bij deze vergeving van de zonden moeten wij niet alleen denken aan wat de priester doet in naam van de Kerk in de sacramenten van doopsel en biecht, maar ook en veel meer aan wat er in het dagelijkse verkeer tussen christenen voorvalt.
Als u vindt dat u diep gekwetst bent en dat niet zomaar los kunt laten, probeer dan nog dieper in uzelf af te dalen, dwars door uw allerdiepste gekwetstheid heen. Daar zult u een andere Geest ontmoeten, de heilige Geest, de geest die Jezus uitademde, toen Hij al het kwaad van de wereld door Zich heen had laten gaan en Zich daardoor ten diepste had laten kwetsen, maar daarop reageerde met: "Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen" (Lc 23,34).