Hoogfeest van het heilig Sacrament
                                                  Jaar C



Eerste lezing: Genesis 14 24,3-8
Tweede lezing: 1 Korientiërs11,23-26
Evangelie: Lucas 9,11b-17


Inleiding  

Sacramentsdag. Maar we hebben toch het Sacrament al gevierd bij de instelling van de eucharistie op Witte Donderdag? Dit feest zou dan een doublure zijn. Maar toen kreeg de vreugde omwille van dit grote geschenk van de Heer geen kans. Daar moet eigenlijk een apart feest voor komen, op donderdag na Drievuldigheidszondag, een apart feest om de grote gave, de zelfgave van de Heer te bewonderen, ons erover te verheugen, het van alle kanten te beschouwen en liefdevol te bezien, want het is een feest van liefde. God wil bij zijn volk zijn als koning, en op welke wijze wil Hij als koning bij zijn volk zijn? Dat kan op heel verschillende manieren. Een koning wil soms op een krijgshaftige manier bij zijn volk zijn om te laten zien dat hij krachtig, moedig voor zijn volk opkomt. Of een koning als rechtspreker, zoals Salomo, en onze koningin Beatrix wil graag als gewone mens bij het volk zijn. Zo willen we haar graag zien. Maar onze koning, Koning Jezus, wil bij zijn volk zijn in zijn dood. Zo staat Hij hier dag en nacht ter aanbidding uitgesteld, als slachtoffer, als offerhostie. De hostie is spierwit, lijkbleek, dat betekent: alle kleur, alle levenskracht, alle bloed is er uit weggetrokken. Dat leven is naar ons gegaan, zoveel houdt Hij van ons, meer nog dan van zijn eigen leven. Dat mogen wij ons nu bewust maken en tegelijkertijd ervan schrikken dat wij nog niet echt helemaal leven van die liefde, dat die liefde voor ons niet alles betekent en we deze niet beantwoorden met wederliefde.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd sprak Jezus tot de menigte over het Rijk Gods.
En wie genezing nodig hadden, genas Hij.
Toen de dag ten einde begon te lopen,
kwamen de twaalf naar Hem toe en zeiden:
“Stuur de mensen weg;
dan kunnen ze naar de dorpen en gehuchten in de omtrek gaan
om daar onderdak en voedsel te vinden,
want hier zijn we op een eenzame plek.”
Maar Hij antwoordde:
“Geeft gij hun maar te eten.”
“Wij hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen, zeiden ze,
of we zouden voor al dat volk eten moeten gaan kopen?”
Er waren naar schatting wel vijfduizend mannen.
Hij gelastte nu zijn leerlingen:
“Laat ze gaan zitten in groepen van ongeveer vijftig.”
Dat deden ze en ze lieten allen plaatsnemen.
Daarop nam Hij de vijf broden en de twee vissen,
sloeg de ogen ten hemel,
sprak er de zegen over uit,
brak ze en gaf ze aan zijn leerlingen
om ze aan de menigte voor te zetten.
Allen aten tot ze verzadigd waren
en wat zij overhielden haalde men op,
twaalf korven met brokken.

Homilie  

Jezus geeft eerst een les over het Rijk Gods en daarna "wie genezing nodig hadden genas Hij." Dus verkondiging, genezing en dan spijziging. Dat zijn de drie etappes van dit evangelie. De verkondiging werkt genezend en na de genezing van het lichaam de genezing van de ziel. "Heer, ik ben niet waardig dat Gij komt onder mijn dak, maar spreek slechts een woord - zeiden wij vroeger - en mijn ziel zal gezond worden." Als dat er uiteindelijk uitkomt, genezing van de ziel, zielenvoedsel voor het eeuwige leven, het geestelijke leven, dan heeft dat er al van meet af aan ingezeten.

De werken van barmhartigheid, de naastenliefde en de verkondiging leiden naar het sacrament en zijn ook zelf sacrament. Je gaat heel anders naar het woord luisteren als je weet dat dat woord je straks tot spijs wordt. Dan gaat het nu al meteen je ziel voeden. Niet iets om het verstand voorlichting te geven, om ruzies te beslechten, het gelijk aan je kant te krijgen. Nee, om je ziel te voeden. Jezus zelf geeft in datgene wat Hij is de Vader te proeven en te smaken. Tot Hem sloeg Hij de ogen op. "Hij sloeg de ogen ten hemel." De hemel is God zelf, de Vader, die op Jezus zijn zegel gedrukt heeft, die te proeven en te smaken is in Jezus en in wat Hij geeft, zijn brood, maar allereerst zijn woord. "Jezus sprak tot de menigte over het Rijk Gods."

Wat heeft Hij dan gezegd? Hij sprak over het Rijk Gods, maar wát zei Hij nu over het Rijk Gods? Dat staat er niet, dat hoeft ook niet, want Jezus is zelf het Rijk Gods. Het Rijk Gods is dat God zijn koninklijke heerschappij uitoefent. In Jezus is God helemaal koning, heeft God het helemaal voor het zeggen, spreekt God Zich helemaal uit, spreekt Hij zijn laatste definitieve en volledige woord. Nu is het de kunst van het luisteren om in dat wat er gezegd wordt de persoon te beluisteren die het zegt. Als we iemand horen spreken die wel mooie woorden ten beste geeft maar wiens persoon nu niet bepaald een bevestiging is van wat hij zegt, dan zeggen we: 'ik weet wie het zegt', aan die woorden hechten we niet veel geloof.

Van een heilige werd eens gezegd: 'zijn levensprent was zijn preektalent'. Van de heilige Bernardus is bekend dat hij verstaan werd door mensen die de taal die hij gebruikte niet kenden. Wie ooit Moeder Teresa van Calcutta heeft beluisterd, weet wat het zeggen wil dat iemand kan spreken meer door zijn persoon dan door zijn woord. Een woord van haar was heel eenvoudig, zonder enige nadruk voorgedragen, op het saaie af. Daarom maakte het juist zo'n indruk, want daardoor kreeg haar persoon de mogelijkheid om door de woorden heen te spreken. En daarmee sprak ze meer, had ze meer te vertellen, dan door haar woord. Ze sprak meer door wie ze was, dan door wat ze was. Zouden wij van Jezus anders mogen denken? Getuigt de evangelist Lucas niet dat "al het volk aan zijn lippen hing" (Lc 19,48). Jezus maakte zo'n indruk op de mensen omdat Hij zelf het woord was dat Hij sprak. Hij sprak over het Rijk Gods, maar in Hem was God koning, had God het te zeggen, was God zelf aan het woord.

Misschien zijn we daar bang voor, dat God het over ons te zeggen heeft. Geen nood, wees niet bang, God spreekt niet om macht uit te oefenen, om zijn wil door te zetten, terwijl zijn wil er juist in bestaat ons te genezen. "Wie genezing nodig hadden genas Hij." Er gaat van Gods woord en van zijn wil iets genezends uit, iets helpends. Maar je moet je natuurlijk wel zo opstellen dat je die hulp en genezing van de woorden en de persoon van Jezus kunt krijgen, je ontvankelijk opstellen, met je wonden naar Hem toegaan, met dat waarin je tekort schiet, waarin je jezelf zoekt. Daar kan Hij je van afhelpen.

Daar is Jezus de hele dag mee bezig geweest. Van de vroege ochtend tot de late avond, tot de leerlingen het een beetje bar begonnen te vinden, niet omdat Jezus niet fijn preekte, het kon hen nooit lang genoeg duren, maar omdat de mensen daar in de eenzaamheid toch naar huis moesten om te eten. Ze merkten het aan de kinderen die een beetje lastig begonnen te worden en moeder aan de mouw trokken. "Stuur de mensen weg, dan kunnen ze naar de dorpen en gehuchten in de omtrek gaan om daar onderdak en voedsel te vinden. Hier zijn we op een eenzame plek." U hebt gegeven wat U te geven had, maar nu moet U het toch maar weer aan de mensen overlaten, die kunnen toch beter zorgen dan U.

Als Jezus álles gegeven heeft wat menselijker wijze maar denkbaar is, komt Hij met het allerbeste, dan komt Hij met iets wat daar huizenhoog, torenhoog, hemelhoog bovenuit gaat, dan komt Hij met Zichzelf. Hij komt met Zichzelf als spijs, als zielenvoedsel. Hoort u maar: "Daarop nam Hij de vijf broden en de twee vissen, sloeg zijn ogen ten hemel." Daar haalt Jezus het vandaan, daar komt Hij vandaan. Niet de dorpen en de gehuchten in de omtrek zijn de oplossing, maar wat daar ver bovenuit gaat: "Hij sloeg de ogen ten hemel." Hij slaat een gat in het gesloten menselijk samenzijn, in de gesloten menselijke wereld, Hij stelt God tegenwoordig. Hij stelt - zoals hier altijd, dag en nacht gebeurt - Hij stelt God uit, om dan het brood samen met zijn leven aan de mensen toe te vertrouwen. "Hij brak ze en gaf ze aan zijn leerlingen om ze aan de menigte voor te zetten."

Dat het inderdaad God is wat Jezus uitdeelt, kun je merken aan het effect. "Allen aten tot ze verzadigd waren en wat zij overhielden haalde men op: twaalf maanden met brokken." Want twaalf is het getal van de stammen van Israël. Niet alleen die grote menigte die daar aanwezig was, werd verzadigd, maar heel het volk zou worden verzadigd door Jezus. Heel Israël als een vertegenwoordiging van alle volken. In dat uitverkoren volk werd heel de wereld uitgekozen. Alle volkeren tot aan het einde der tijden.

Als wij ons dat eens te binnen brengen: de noden, onze eigen noden, de noden van ons eigen leven, van onze omgeving, van de mensen met wie wij verbonden zijn, de nood aan eenheid, de nood aan geborgenheid, en dan verder weg van onze eigen omgeving, de noden van het land waarin wij wonen, de wereld, en dat niet alleen nu, maar tot aan het einde der tijden. Zij allen kunnen zich verzadigen aan Jezus. Als u zich dat eens te binnenbrengt, dat God voor u zorgt, dat God genoeg is, dat God alleen voldoende is, als u zich dat te binnenbrengt, kan er een rust over u komen, een koninklijke rust, een goddelijke rust, de rust die alleen God kan schenken. Daaraan kunt u de goddelijke inhoud, de goddelijke kwaliteit van dit hemelse voedsel merken.