Eerste lezing: Genesis 14 24,3-8
tweede lezing: 1 Korientiërs11,23-26
Evangelie: Marcus 10,46-52
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
In die tijd kwam Jezus vergezeld van zijn leerlingen in Jericho.
Maar toen ze, vergezeld van een flinke menigte,
weer uit Jericho wegtrokken,
zat een blinde bedelaar, Bartimeüs,
de zoon van Timeüs, langs de weg.
Zodra hij hoorde dat het Jezus, de Nazarener was,
begon hij luidkeels te roepen:
Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!
Velen snauwden hem toe te zwijgen,
maar hij riep nog veel harder:
Zoon, van David, heb medelijden met mij!
Jezus bleef staan en zei: Roept hem eens hier.
Ze riepen de blinde toe:
Heb goede moed! Sta op, Hij roept u.
Hij wierp zijn mantel af,
sprong overeind en kwam naar Jezus toe.
Jezus vroeg hem: Wat wilt ge dat Ik voor u doe?
De blinde antwoordde Hem: Rabboeni, maak dat ik zien kan!
En Jezus sprak tot hem: Ga, uw geloof heeft u genezen.
Terstond kon hij zien en hij sloot zich bij Hem aan op zijn tocht.
Inleiding
Wij zijn als de blinde bedelaar uit het evangelie, want net als hij bidden wij aan het begin van elke eucharistieviering: 'Heer, heb medelijden', 'Kyrie, eleison'. En als wij dan door Gods barmhartigheid van onze blindheid zijn genezen, dan sluiten ook wij ons aan bij Jezus' tocht naar Jeruzalem, dan volgen wij Hem op zijn weg naar lijden en dood. Dan is de weg vrij voor de woorddienst en voor Jezus' zelfgave in de eucharistie, dan is de weg vrij voor contact met Jezus, zoals dat hier plaats vond toen Bartimeüs naar Jezus toekwam en zich na zijn genezing bij Hem aansloot.
Aanvankelijk zijn er vele dingen en mensen die Bartimeüs proberen af te houden van dat contact met Jezus. "Velen snauwden hem toe te zwijgen." En natuurlijk zal hij ook zijn eigen twijfels en ongeloof hebben gehad over Jezus. Ook voor ons geldt dat er allerlei dingen zijn die ons afhouden van het contact met Jezus. Dat noemen wij verstrooiingen en daar kan ons hart vol van zijn. Die proberen ons van het contact met Jezus af te trekken. Je kunt daar zelf niets aan veranderen, net zo min als je aan je blindheid iets kunt doen. Je moet daarvan verlost worden. Wat je wel kunt doen, is een akte van geloof stellen, dat je gelooft dat Jezus van zijn kant contact heeft met jou, dat Hij zijn heilige Geest laat rusten op je. "Als gij dus, ofschoon ge slecht zijt, goede gaven aan uw kinderen weet te geven, hoeveel te meer zal dan uw Vader in de hemel de heilige Geest schenken aan wie Hem erom vragen" (Lc 11, 13).
Om in contact te komen met Bartimeüs, moet Jezus Zich niets aantrekken van het protocol, net zoals Bartimeüs. Hij verstoort de hele orde en laat de processie met al die hoogwaardigheidsbekleders voor wat ze zijn. Hij maakt de blinde bedelaar, die aan de kant stond, tot middelpunt van het gebeuren. Jezus blijft stilstaan bij de stakker langs de weg. Er kan iets van innerlijke stilte in je komen, als je je bewust maakt dat je zelf die stakker bent, als je je armoede, je hulpeloosheid bewust wordt en aanneemt en toevertrouwt aan Jezus. Die twee gaan samen: een gevoel van kleinheid en een gevoel van vertrouwen, zoals Bartimeüs dat heeft laten uitkomen in de woorden die hij gebruikte: "Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij." Jezus is gevoelig voor zo'n houding van kleinheid en vertrouwen. Dat is dan ook de reden dat Hij Bartimeüs bij Zich laat roepen om hem te genezen van zijn blindheid.
Nadat Hij de blinde Bartimeüs genezen heeft, vraagt Jezus niet: Ga je met Me mee?, nee, Hij zegt: "Ga, uw geloof heeft u genezen. Ga je eigen weg. Maar hij sloot zich aan op zijn tocht." Bartimeüs ging niet terug naar huis, hij ging met Jezus mee op zijn tocht naar Jeruzalem en die tocht eindigde in de duisternis. Hij kon zien; hij kon wat zien in Jezus, hij zag zóveel in Jezus, dat dat licht zelfs niet verloren ging toen hij met Jezus de duisternis deelde die er was rond het kruis. "Vanaf het zesde uur viel er een duisternis over het hele land" (Mc 15,33; vgl. Mt 27,45; Lc 23,44).
De meeste mensen die eucharistie vieren zien maar half. Ze zien wel wat in Jezus, anders zouden ze niet naar de eucharistieviering gaan, maar de eigenlijke blindheid blijft velen eigen doordat ze niet iets in het lijden zien. Ze geloven wel in de Eucharistie, maar als er in hun eigen leven iets ergs gebeurt, dan blijkt dat ze er eigenlijk niets in zien, dat ze één en al verzet zijn, één en al ongeloof. Ze zijn dus eigenlijk nog blind, of halfziende. Ze zien wel wat in Jezus, de Christus, ze zien ook nog wel wat in de lijdende Jezus, maar als het lijden hén treft, dan zien ze niets in Hem. En dat is toch eigenlijk nodig om de eucharistie te kunnen meemaken. Om de eucharistie te kunnen meemaken, moet je van je blindheid genezen worden. Daarom kunnen wij allemaal dat gebed bidden wat de blinde in zijn mond nam: "Heer, heb medelijden", 'Kyrie eleison.' Het is dan ook niet voor niets dat het aan het begin van de viering staat.
Het is goed te weten dat die blinde man dat woord: 'heb medelijden met mij', niet zomaar gebruikt. Dat is niet direct een aanroeping die in de mond lag van een bedelaar in Jezus' tijd. Die hadden wel wat anders om te vragen, zoals een aalmoes, of: help mij. Deze typische vorm van gebed: "Heer, heb medelijden", werd bij twee bijzondere gelegenheden uitgesproken Het werd door het volk uitgeroepen wanneer de keizer zijn staatsbezoek aflegde. Als een keizer de keizerlijke troon besteeg, ging hij de verschillende steden en landen af om zich te laten inhuldigen, een soort staatsbezoek, zoals dat in onze streken door Karel V gebeurde. Toen hij tot keizer werd uitgeroepen en de keizerlijke troon besteeg, heeft hij verschillende landen bezocht en als heer van de Nederlanden liet hij zich ook inhuldigen in de verschillende steden en provincies, niet alleen maar om de gehoorzaamheid van het volk te kunnen ontvangen, hun eerbied, maar tegelijkertijd ook om hun voorrechten te bevestigen, die zij al eerder andere vorsten hadden ontvangen. Die moest de keizer bevestigen en vernieuwen. De andere situatie was, dat de priesters bij de aanbidding van de zon datzelfde gebed uitspraken: 'Heb medelijden, heer, ontferm u.'
Het is een gebedsaanroep die de christenen later hebben overgenomen en daarmee riepen zij dus de verheerlijkte Heer aan als het ware licht. Zo misstaat het niet in de mond van de blinde die om het licht vraagt: "Heer, maak dat ik zien kan." Evenzo misstaat het de christenen niet, want wij zijn allemaal blind, blind voor de eigenlijke boodschap van het evangelie. Ons moeten eerst de ogen worden geopend en onze ogen kunnen alleen worden geopend, als wij beseffen dat wij blind zijn. Iemand die niet weet dat hij blind is, vraagt ook niet om genezing van zijn niet bewuste blindheid.
Veelbetekenend geschiedt deze genezing in Jericho. Dat is de plaats waar de Joden destijds het Beloofde Land binnentrokken en voor Jezus was dat de laatste halteplaats op de weg naar Jeruzalem, de stad van lijden, dood en verrijzenis. Wil de volgeling van Jezus het Rijk van God kunnen binnengaan en in de eucharistie het Mysterie van Jezus' lijden en dood kunnen vieren, dan moet eerst de laatste hindernis worden opgeruimd en dat is zijn blindheid voor en zijn ongeloof in het heilsplan van God. Om die genezing mag u vragen, eventueel met de woorden van de blinde: Maak, Heer Jezus, dat ik zien kan.
Het gaat in de genezing van de blinde om heel wat meer dan om een wonder van macht en barmhartigheid. Een lichamelijke handicap staat voor een geestelijk tekort. De meestal ongeneeslijke ziekten en kwalen van melaatsen, lammen, blinden, doofstommen en bezetenen staan voor een hopeloze onheilssituatie waarin heel de mensheid, ook de niet zieke mensheid, de niet gehandicapte mensheid, juist die nog veel meer, verkeren en waaruit niemand zichzelf kan bevrijden. De genezingen die door Jezus verricht worden en het opwekken van de doden willen duidelijk maken, dat de Messiaanse heilstijd, de koninklijke heerschappij van God, is aangebroken. Daaraan kun je zien waarvoor Hij eigenlijk is gekomen. Niet voor die zieken, maar voor dat ongeneeslijke dat er in de mens is, waar niemand iets aan kan doen.