Vrijdag na Aswoensdag
                                 
Eerste lezing: Jesaja 58,1-9a
Evangelie: Matteüs 9,14-15


Inleiding  

'Bij de Heer is genade', zongen we in het openingslied. Hoe weet de gelovige dat eigenlijk? Is hem dat gezegd? En hoe is het in het boek van de psalmen terecht gekomen, zodat wij het nu nog zingen? De gelovige die deze psalm heeft geschreven, heeft dat in zichzelf gemerkt; de mensen die uit het psalmenboek hebben gezongen, hebben het gemerkt, en ook wij merken het in de hartelijke verbondenheid met God. We merken dat bij Hem genade is, ja, zelfs kwijtschelding van onze menigvuldige zonden; elke keer merken wij kwijtschelding menigvuldig te hebben ontvangen. Je kunt met je schulden, met je zonden, altijd bij Hem terecht. Je gaat na het gebed, als dat tenminste een berouwvol gebed is geweest, lichter van hart bij Hem weg.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

Op zekere dag kwamen de leerlingen van Johannes
tot Jezus met de vraag:
“Waarom vasten wij en de Farizeeën wel,
maar uw leerlingen niet?”
Jezus sprak tot hen:
“De vrienden van de bruidegom kunnen toch niet bedroefd zijn
zolang de bruidegom bij hen is?
Er zullen dagen komen dat de bruidegom van hen is weggenomen;
dan zullen zij vasten.”

Homilie  

Waarom vasten? Wat is de zin van je onthouden, wat is de zin van jezelf tekort doen, jezelf ontbering opleggen? Binnen de Kerk hebben de mensen het vasten vrijwel geheel de rug toegekeerd, ze kunnen er de zin niet meer van inzien. Er zijn wel vastenacties, maar dat zijn allesbehalve acties om te vasten, eerder om het vasten tegen te gaan. Vastenacties waar de mensen iets in zien zijn erop gericht het vasten de wereld uit te helpen, het onvrijwillig vasten in de hongergebieden, overal ter wereld. En terwijl mensen binnen de Kerk het vasten zo goed als geheel hebben afgeschaft, beginnen de mensen buiten de Kerk het vasten opnieuw te ontdekken, de zin ervan in te zien. Vastenkuren worden ingezet tegen beschavingsziekten, zoals reuma, artritis, kanker. Meditatiecursussen worden dikwijls verbonden met vastenkuren om dieper in de stilte te kunnen ingroeien. De vredesbeweging zet het vasten in als middel om te protesteren tegen bewapingswedloop, of er wordt gevast om te protesteren tegen het uitzettingsbeleid van de regering, en dan heb je natuurlijk ook nog de vastenkuren om slank te worden of slank te blijven.

Wat is nu de zin van het vasten bij de leerlingen van Jezus, bij ons christenen die Jezus navolgen? Waarom vasten uw leerlingen niet en wanneer zij wel vasten, waarom doen zij dat dan? Jezus geeft het antwoord: "De vrienden van de bruidegom kunnen toch niet bedroefd zijn zolang de bruidegom bij hen is?" Jezus houdt ons hier het vasten voor als uiting van rouw. Toen Saul en Jonathan, de gezalfde des Heren en zijn zoon, waren gevallen, "greep David zijn kleed en scheurde het middendoor, dat deden ook alle mannen die bij hem waren. Ze hielden een rouwklacht en weenden en vastten tot de avond over Saul en zijn zoon Jonathan" (2 Sam 1,11.12). Maar tegelijkertijd is het vasten ook een uiting van vriendschap, een uiting van hartelijke verbondenheid met iemand die in nood verkeert, in doodsnood. Als je vriend iets overkomt, of iemand uit je familie, een groot verdriet, iets pijnlijks in de familieverhoudingen, wie kent dan niet dat gevoel dat je minder eetlust hebt, of zelfs geen hap door je keel kunt krijgen, dat het eten je niet meer smaakt.

De achtergrond van het vasten in de Veertigdagentijd is niet dat het een voorschrift is, maar dat je je hart wilt vervullen met gevoelens van droefheid, van medelijden met Jezus, je Vriend. Vasten als uiting van medelijden, van meegevoel, van hartelijke verbondenheid. Vasten als deelname aan het leven van Jezus, als een vriend van de Bruidegom, die met geweld uit ons midden wordt weggerukt. Vasten dus als hartelijke deelname aan het lijden en de dood van Hem die ons zijn vrienden noemt. "Ik noem u geen dienaars meer, maar vrienden" (Joh 15,15). Geen knechten meer, maar vrienden. Dat er zoiets bestaat tussen God en de mensen, een hartelijke, vriendschappelijke verhouding, ja zelfs met de zondaars, van wie je toch zou denken dat God Zich van hen afkeert. Nee, hij wordt juist een vriend van tollenaars en zondaars genoemd (Mt 11,19; vgl. Lc 7,34).

Jezus spreekt niet over het vasten als levenskunst, van hoe om te gaan met eten en drinken, of als een vorm van iets kunnen, een prestatie, vasten als ergens goed voor, als traditie, als gewoonte die je eerbiedigt en waaraan je trouw moet blijven, maar Hij spreekt over het vasten als vorm van trouw zijn aan Hem, als deelname aan het leven van Hem, die je Vriend is. Jezus gaat uit van zijn eigen leven. Eigenlijk getuigen die woorden van een ontzaglijke pretentie. Omdat Hij in ons leven gekomen is, de Bruidegom, dáárom wordt er door de leerlingen niet gevast, en wanneer Hij met geweld van hen zal zijn weggenomen, uit hun midden zal worden weggerukt, dán zullen ze vasten. Jezus is de norm. Het is niet iets van de mensen, nee, Hij is de maat. Het gaat om zijn leven en van daaruit geeft Hij het leven van de groep, van zijn vriendenkring, tot in onderdelen gestalte: vastentijd als deelname aan zijn lijden en de paastijd als deelname aan zijn verheerlijking, het nieuwe leven. Dan  moet er feest en vrolijkheid zijn. Dat moeten we feestelijk vieren.

Het eucharistisch vasten is wat wij altijd doen, ons onthouden van voedsel vóór de eucharistie. Het is dus niet iets negatiefs om je te onthouden, zo van: het mag niet van de Kerk, maar het dient om je beter te kunnen verenigen met Jezus. De monnikenwijsheid zegt: 'Een volle maag bidt niet graag.' Het vasten is om God de ruimte te geven Zich met ons in de communie te verenigen.