Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Derde zondag van de advent


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
10 In die tijd stelden de mensen Johannes de vraag:
"Wat moeten wij dan doen?"
11 Hij gaf hun ten antwoord:
"Wie dubbele kleding heeft,
laat hij delen met wie niets heeft
en wie voedsel heeft, laat hij hetzelfde doen."
12 Er kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden
en ze vroegen hem:
"Meester, wat moeten wij doen?"
13 Hij zei hun:
"Niet méér vragen dan voor u is vastgesteld."
14 Ook soldaten ondervroegen hem:
"En wij, wat moeten wij doen?"
Hij antwoordde:
"Niemand uitplunderen, niemand iets afpersen,
maar tevreden zijn met uw soldij."
15 Omdat het volk vol verwachting was
en iedereen zich aangaande Johannes de vraag stelde,
of hij niet de Messias zou zijn,
16 gaf Johannes aan allen het antwoord:
"Ik doop u met water,
maar er komt iemand die sterker is dan ik;
ik ben niet waardig
de riem van zijn sandalen los te maken.
Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur.
17 De wan heeft Hij in zijn hand
om zijn dorsvloer grondig te zuiveren
en zijn tarwe te verzamelen in de schuur,
maar het kaf zal Hij verbranden in onblusbaar vuur."
18 Zo en met nog vele andere vermaningen
verkondigde hij aan het volk
de Blijde Boodschap.
Lucas 3, 10-18

Niet meteen op de tekst afgaan. Eerst de eigen instelling verzorgen, de sfeer van het hart. Breng het eigen hart in een adventsstemming door rust te vinden bij Hem die komen gaat, ook nu weer in deze tijd van overweging. Hij komt én Hij is er al. Zijn aanwezigheid is dynamisch.

Bij de plaats van het gebed breng ik me staande, een paar passen voor die plaats, zijn tegenwoordigheid te binnen.
In het besef van zijn aanwezigheid maak ik een gebaar van eerbied voor Hem "die sterker is", bij Wie Johannes de Doper zich zelfs onwaardig voelde voor een slavendienst: de riem van de sandalen losmaken.
Ik maak me klein in een gebaar van aanbidding.

Ik neem de houding aan van het gebed, de houding die mij het meeste helpt om het besef van zijn aanwezigheid te schragen. In deze houding vraag ik om de genade om mijn leven te mogen inrichten volgens Gods wil: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn op de dienst en de lof van zijn goddelijke Majesteit.

Zich de geschiedenis te binnen brengen. Hier hoe de mensen toen "vol verwachting" uitzagen naar de Christus en hoe dat voor hen een zaak was van heel het leven en hoe Johannes de Doper de gestalte tekent van de Messias als: "sterker", vol met "heilige Geest en met vuur", door Wie allen definitief zullen worden geoordeeld. Deze geschiedenis is aktueel, want heel de mensheid leeft tot het einde der tijden in de "Advent", in de verwachting van de Komende.

De plaats: "de streek rond de Jordaan" (Lc 3,3), "in de woestijn van Judea" (Mt 3,1), bij een grensrivier, in een grensstreek aan de marge van de bewoonde wereld om op te roepen tot zoiets marginaals als een doopsel van bekering.

Dan vragen wat ik verlang: een innerlijke kennis van Christus onze Heer, zoals Johannes de Doper had nog vóór Hem gezien te hebben, om Hem meer lief te hebben en te volgen.

 
"De mensen stelden hem nu de vraag"... "Er kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden"... "Ook soldaten ondervroegen hem..."

Er zijn drie categorieën mensen die zich open en ontvankelijk opstellen ten aanzien van de prediking van Johannes de Doper: 1. "de mensen" (v.10) of "het volk" (v.15 en 18), in tegenstelling tot "de Farizeeën en wetgeleerden" (7,30) en tot "de hogepriesters, de schriftgeleerden en de oudsten" (20,1.6); 2. "tollenaars" (v.12); 3. "soldaten" (v.14).
"Het was het gewone volk dat naar hem luisterde; zelfs de tollenaars erkenden Gods beschikking door zich te laten dopen met het doopsel van Johannes. Maar de Farizeeën en wetgeleerden hebben, wat hen betreft, het plan van God verijdeld door zich niet door hem te laten dopen" (7,29-30).
"Toen Hij op een van deze dagen weer in de tempel onderricht gaf aan het volk en de Blijde Boodschap verkondigde, kwamen de hogepriesters en de schriftgeleerden vergezeld van de oudsten op Hem af en stelden Hem de vraag: "Zeg ons welke bevoegdheid Gij hebt om dit alles (de tempelreiniging 20,45-48) te doen? En wie heeft U die bevoegdheid dan gegeven?" Hij gaf hun ten antwoord: "Ik zal u ook een vraag stellen; zegt Mij: Het doopsel van Johannes, kwam dat van de hemel of van de mensen?" Zij beraadslaagden onder elkaar: "Als we zeggen: van de hemel, zal Hij antwoorden: Waarom hebt gij hem dan geen geloof geschonken? Maar zeggen we: van de mensen, dan zal heel het volk ons stenigen, want het is ervan overtuigd dat Johannes een profeet is." (20,1-6). Blijkbaar is de houding tegenover de voorloper van Jezus van invloed op de houding tegenover Jezus. Wij worden omringd door mensen die evenals Johannes de Doper verwijzen naar Jezus: Hoe sta ik tegenover deze "voorlopers" van Hem? Is er de eenvoud van hart om uit de prediking, de geschriften, de geestelijke boeken, religieuze liederen, vieringen, voedsel te halen voor mijn ziel? Of weet ik alles beter zodat ik mij niet echt gewonnen geef? Dan loop ik het risico dat ik ook Jezus zelf niet zal herkennen, zoals de leerlingen op weg naar Emmaüs: "hun ogen werden verhinderd Hem te erkennen" (24,16). Het zijn steeds de eenvoudigen van hart die Hem herkenden: Elisabet (1,39-45), de herders (2,8-20), Simeon (2,25-35), Hanna (2,36-38): "Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt geopenbaard aan kleinen. Ja, Vader, zo heeft het U behaagd" (10,21). De voorsprong in ontwikkeling en zelfs in deugd kan als een rem gaan werken wanneer deze met een geest van zelfgenoegzaamheid samengaan.

 
"Wat moeten wij dan doen?" ... "Meester, wat moeten wij doen?" ... "En wij, wat moeten wij doen?"

Het gaat om een "doen". Geloof zonder de werken is dood. Wij moeten worden wat we zijn. Wat ons met ons doopsel werd ingestort, namelijk de heiligheid in de volledige toewijding aan God, dat moet beslag leggen op heel ons levensgedrag, op ons doen en laten.

 
"Ik doop u met water, maar er komt iemand die sterker is dan ik; ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken. Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur. De wan heeft Hij in zijn hand om zijn dorsvloer grondig te zuiveren en zijn tarwe te verzamelen in de schuur, maar het kaf zal Hij verbranden in onblusbaar vuur."

Johannes kondigt Jezus aan als de "sterkere", die een "grondige" zuivering zal doorvoeren. Zoals de boer met de wan het kaf scheidt van het koren, zo zal Christus de scheiding van de geesten voltrekken om de kwaden te straffen en de goeden te belonen. Blijkbaar ziet Johannes in Jezus de komende Wereldrechter die een einde maakt aan de wereldgeschiedenis. Zo ziet Jezus zichzelf ook: "Elke boom die geen goede vrucht draagt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen" (3,9); "zoals het was in de dagen van Lot; zij aten en dronken, kochten en verkochten, plantten en bouwden, maar op de dag dat Lot uit Sodom vertrok, regende het uit de hemel zwavel die allen verdelgde; zo zal het ook zijn op de dag waarop de Mensenzoon zich openbaart" (17,28ª30).
In Jezus is inderdaad het einde der tijden aangebroken. Hij is Gods laatste woord: "Zie, dit kind is bestemd tot val of opstanding van velen in Israël, tot een teken dat weersproken wordt, opdat de gezindheid van vele harten openbaar moge worden" (2,34-35). Wat Johannes de Doper niet zag is, dat aan de mensen een tussentijd wordt geschonken, waarin zij nog een kans krijgen om zich te bekeren. Het is de tijd van de Advent: "Heer, laat hem (de onvruchtbare vijgeboom) dit jaar nog staan... Misschien draagt hij het volgend jaar vrucht; zo niet, dan kunt ge hem omhakken" (13,8-9).

Aan het eind niet zomaar uit het gebed weglopen, maar de gesteltenis van het begin vernieuwen door gesprekjes te voeren met Johannes de Doper, met Maria, de moeder van allen die in verwachting leven, met Jezus als met een vriend, met of zonder woorden. Mij door Jezus tot bij de Vader laten leiden. Mijn hart uitstorten bij de Vader: met voorbede, met woorden van dank, of vertrouwen, aanbidding, lofprijzing. Een Onze Vader.

Dan in een andere houding, zodat ik wat kan schrijven, een terugblik of "reflexie" houden. Men kan dat goed doen aan de hand van de volgende vragen:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Mijn verstrooiingen tijdens het gebed wijzen mij de weg naar mensen en dingen waarvan ik méér verwacht dan van Hem.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar bleek Jezus "sterker" te zijn dan de machten die mij opsluiten in mijzelf? Waar vond er een doorbraak plaats van heilige Geest? Waar werd ik vurig?
  3. En nu na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Gaat het gebed als het ware nog door, zodat mijn hart "onwillekeurig" bidt doordat het is opgenomen in een liefdesbeweging naar God toe?