Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 10 | "Wat moeten wij dan doen?" |
| 11 | "Wie dubbele kleding heeft, laat hij delen met wie niets heeft en wie voedsel heeft, laat hij hetzelfde doen." |
| 12 | en ze vroegen hem: "Meester, wat moeten wij doen?" |
| 13 | "Niet méér vragen dan voor u is vastgesteld." |
| 14 | "En wij, wat moeten wij doen?" Hij antwoordde: "Niemand uitplunderen, niemand iets afpersen, maar tevreden zijn met uw soldij." |
| 15 | en iedereen zich aangaande Johannes de vraag stelde, of hij niet de Messias zou zijn, |
| 16 | "Ik doop u met water, maar er komt iemand die sterker is dan ik; ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken. Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur. |
| 17 | om zijn dorsvloer grondig te zuiveren en zijn tarwe te verzamelen in de schuur, maar het kaf zal Hij verbranden in onblusbaar vuur." |
| 18 | verkondigde hij aan het volk de Blijde Boodschap. |
| Lucas 3, 10-18 |
Niet meteen op de tekst afgaan. Eerst de eigen instelling verzorgen, de sfeer van het hart. Breng het eigen hart in een adventsstemming door rust te vinden bij Hem die komen gaat, ook nu weer in deze tijd van overweging. Hij komt én Hij is er al. Zijn aanwezigheid is dynamisch.
Bij de plaats van het gebed breng ik me staande, een paar passen
voor die plaats, zijn tegenwoordigheid te binnen.
In het besef van zijn aanwezigheid maak ik een gebaar
van eerbied voor Hem "die sterker is", bij Wie Johannes de Doper
zich zelfs onwaardig voelde voor een slavendienst: de riem van de
sandalen losmaken.
Ik maak me klein in een gebaar van aanbidding.
Ik neem de houding aan van het gebed, de houding die mij het meeste helpt om het besef van zijn aanwezigheid te schragen. In deze houding vraag ik om de genade om mijn leven te mogen inrichten volgens Gods wil: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn op de dienst en de lof van zijn goddelijke Majesteit.
Zich de geschiedenis te binnen brengen. Hier hoe de mensen toen "vol verwachting" uitzagen naar de Christus en hoe dat voor hen een zaak was van heel het leven en hoe Johannes de Doper de gestalte tekent van de Messias als: "sterker", vol met "heilige Geest en met vuur", door Wie allen definitief zullen worden geoordeeld. Deze geschiedenis is aktueel, want heel de mensheid leeft tot het einde der tijden in de "Advent", in de verwachting van de Komende.
De plaats: "de streek rond de Jordaan" (Lc 3,3), "in de woestijn van Judea" (Mt 3,1), bij een grensrivier, in een grensstreek aan de marge van de bewoonde wereld om op te roepen tot zoiets marginaals als een doopsel van bekering.
Dan vragen wat ik verlang: een innerlijke kennis van Christus onze Heer, zoals Johannes de Doper had nog vóór Hem gezien te hebben, om Hem meer lief te hebben en te volgen.
"De mensen stelden hem nu de
vraag"... "Er kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden"... "Ook
soldaten ondervroegen hem..."
Er zijn drie categorieën mensen die zich open en
ontvankelijk opstellen ten aanzien van de prediking van Johannes
de Doper: 1. "de mensen" (v.10) of "het volk" (v.15 en 18), in
tegenstelling tot "de Farizeeën en wetgeleerden" (7,30) en tot
"de hogepriesters, de schriftgeleerden en de oudsten" (20,1.6);
2. "tollenaars" (v.12); 3. "soldaten" (v.14).
"Het was het gewone volk dat naar hem luisterde; zelfs de
tollenaars erkenden Gods beschikking door zich te laten dopen met
het doopsel van Johannes. Maar de Farizeeën en wetgeleerden
hebben, wat hen betreft, het plan van God verijdeld door zich
niet door hem te laten dopen" (7,29-30).
"Toen Hij op een van deze dagen weer in de tempel onderricht gaf
aan het volk en de Blijde Boodschap verkondigde, kwamen de
hogepriesters en de schriftgeleerden vergezeld van de oudsten op
Hem af en stelden Hem de vraag: "Zeg ons welke bevoegdheid Gij
hebt om dit alles (de tempelreiniging 20,45-48) te doen? En wie
heeft U die bevoegdheid dan gegeven?" Hij gaf hun ten antwoord:
"Ik zal u ook een vraag stellen; zegt Mij: Het doopsel van
Johannes, kwam dat van de hemel of van de mensen?" Zij
beraadslaagden onder elkaar: "Als we zeggen: van de hemel, zal
Hij antwoorden: Waarom hebt gij hem dan geen geloof geschonken?
Maar zeggen we: van de mensen, dan zal heel het volk ons
stenigen, want het is ervan overtuigd dat Johannes een profeet
is." (20,1-6). Blijkbaar is de houding tegenover de voorloper
van Jezus van invloed op de houding tegenover Jezus. Wij worden
omringd door mensen die evenals Johannes de Doper verwijzen naar
Jezus: Hoe sta ik tegenover deze "voorlopers" van Hem? Is er de
eenvoud van hart om uit de prediking, de geschriften, de
geestelijke boeken, religieuze liederen, vieringen, voedsel te
halen voor mijn ziel? Of weet ik alles beter zodat ik mij niet
echt gewonnen geef? Dan loop ik het risico dat ik ook Jezus zelf
niet zal herkennen, zoals de leerlingen op weg naar Emmaüs: "hun
ogen werden verhinderd Hem te erkennen" (24,16). Het zijn steeds
de eenvoudigen van hart die Hem herkenden: Elisabet (1,39-45),
de herders (2,8-20), Simeon (2,25-35), Hanna (2,36-38): "Ik
prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen
verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt
geopenbaard aan kleinen. Ja, Vader, zo heeft het U behaagd"
(10,21). De voorsprong in ontwikkeling en zelfs in deugd kan als
een rem gaan werken wanneer deze met een geest van
zelfgenoegzaamheid samengaan.
"Wat moeten wij dan doen?" ...
"Meester, wat moeten wij doen?" ... "En wij, wat moeten wij
doen?"
Het gaat om een "doen". Geloof zonder de werken is dood. Wij moeten worden wat we zijn. Wat ons met ons doopsel werd ingestort, namelijk de heiligheid in de volledige toewijding aan God, dat moet beslag leggen op heel ons levensgedrag, op ons doen en laten.
"Ik doop u met water, maar er
komt iemand die sterker is dan ik; ik ben niet waardig de riem
van zijn sandalen los te maken. Hij zal u dopen met de heilige
Geest en met vuur. De wan heeft Hij in zijn hand om zijn
dorsvloer grondig te zuiveren en zijn tarwe te verzamelen in de
schuur, maar het kaf zal Hij verbranden in onblusbaar vuur."
Johannes kondigt Jezus aan als de "sterkere", die een
"grondige" zuivering zal doorvoeren. Zoals de boer met de wan het
kaf scheidt van het koren, zo zal Christus de scheiding van de
geesten voltrekken om de kwaden te straffen en de goeden te
belonen. Blijkbaar ziet Johannes in Jezus de komende
Wereldrechter die een einde maakt aan de wereldgeschiedenis. Zo
ziet Jezus zichzelf ook: "Elke boom die geen goede vrucht draagt,
wordt omgehakt en in het vuur geworpen" (3,9); "zoals het was in
de dagen van Lot; zij aten en dronken, kochten en verkochten,
plantten en bouwden, maar op de dag dat Lot uit Sodom vertrok,
regende het uit de hemel zwavel die allen verdelgde; zo zal het
ook zijn op de dag waarop de Mensenzoon zich openbaart" (17,28ª30).
In Jezus is inderdaad het einde der tijden aangebroken. Hij is
Gods laatste woord: "Zie, dit kind is bestemd tot val of
opstanding van velen in Israël, tot een teken dat weersproken
wordt, opdat de gezindheid van vele harten openbaar moge worden"
(2,34-35). Wat Johannes de Doper niet zag is, dat aan de mensen
een tussentijd wordt geschonken, waarin zij nog een kans krijgen
om zich te bekeren. Het is de tijd van de Advent: "Heer, laat hem
(de onvruchtbare vijgeboom) dit jaar nog staan... Misschien
draagt hij het volgend jaar vrucht; zo niet, dan kunt ge hem
omhakken" (13,8-9).
Aan het eind niet zomaar uit het gebed weglopen, maar de gesteltenis van het begin vernieuwen door gesprekjes te voeren met Johannes de Doper, met Maria, de moeder van allen die in verwachting leven, met Jezus als met een vriend, met of zonder woorden. Mij door Jezus tot bij de Vader laten leiden. Mijn hart uitstorten bij de Vader: met voorbede, met woorden van dank, of vertrouwen, aanbidding, lofprijzing. Een Onze Vader.
Dan in een andere houding, zodat ik wat kan schrijven, een
terugblik of "reflexie" houden. Men kan dat goed doen
aan de hand van de volgende vragen: