Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 39 | naar een stad in Juda. |
| 40 | en groette Elisabeth. |
| 41 | sprong het kind op in haar schoot. Elisabeth werd vervuld met de heilige Geest |
| 42 | "Gij zijt gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot. |
| 43 | dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt? |
| 44 | sprong het kind van vreugde op in mijn schoot. |
| 45 | wat haar vanwege de Heer gezegd is." |
| Lucas 1,39-45 |
Eerst begin ik met mijn instelling te verzorgen. Binnengaan, niet in woorden en daden, maar in de Persoon. Zoals bij een ontmoeting met een medemens: Voordat er iets gezegd wordt, laat ik eerst de persoon van de ander op mij inwerken: "Zij groette Elisabeth" (v.40). Zo ook bij het gebed: eerst mijn geest laten rusten bij Hem. Alle communicatiemiddelen (woorden, gedachten, voorstellingen van de verbeelding) moeten ondergeschikt gemaakt worden en blijven aan het contact met Hem. Ook het gevoel. Dus het niet zo belangrijk vinden als ik niets voelt. Voldoende is dat ik wíl bidden met het diepste van mijn hart.
Een paar passen vóór de plaats van het gebed stel ik me
staande in zijn tegenwoordigheid.
Een gebaar maken van eerbied, van aanbidding, zich
klein maken ten opzichte van Hem, zoals Maria die in haar
danklied spreekt over "de kleinheid van zijn dienstmaagd" (1,48).
Zien hoe God "welwillend" op me neerziet.
De houding aannemen van het gebed, knielen, zitten of liggen, voorover of achterover, maar niet bewegen, want het gaat erom dat ik zelf bewogen wórd. In die houding het voorbereidingsgebed bidden waarin ik om de genade vraag dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit. Ik vraag om de genade dat ik met heel mijn leven van binnen (bedoelingen) naar buiten (daden en werkzaamheden), van onderdeel (enkelvoudige daden) naar geheel (mijn werkzaamheden) in Gods dienst mag staan zoals Maria "zijn dienstmaagd" (1,48) en zoals Israël "zijn dienaar" (1,54).
Ik overzie in het kort de geschiedenis: Maria reist met het mensgeworden Woord, als de ark van het Nieuwe Verbond, van Galilea naar Judea. Zij gaat het huis van Zacharias binnen en groet Elisabeth. Elisabeth, in blijde verwachting van Johannes de Doper, spreekt in de taal van de Geest de woorden van het "Wees Gegroet", die de engel tevoren had ingezet bij de blijde boodschap aan Maria.
Ik stel mij de plaats voor: de reis van het lieflijke, zachtglooiende Galilea naar het stugge, ruige, bergachtige Juda. Een moeizame weg. Dezelfde weg die Jezus later als volwassen man zou gaan. Het huis van Zacharias.
Ik vraag om de bijzondere genade van een innerlijke kennis van onze Heer, om Hem te kennen zoals Elisabeth door de buitenkant van haar nichtje Maria doordrong tot de binnenkant: "de moeder van mijn Heer" (v.43) en als de "gezegende onder de vrouwen" (v.42). Ook Maria had zo'n innerlijke geloofskennis van de Heer: "Zalig zij die geloofd heeft dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer gezegd is" (v.45).
"In die dagen reisde Maria met
spoed naar het bergland, naar een stad in Juda."
Maria reisde met het mensgeworden Woord door het bergland
van Juda. Zij is de levende Ark van het Nieuwe Verbond. Dat is de
kerk nog steeds. Het bijzondere van de kerk is draagster te zijn
van Gods werkelijke tegenwoordigheid op aarde. Hier past eerbied
en innige aanbidding voor Jezus in Maria, voor Jezus in de kerk,
voor Jezus in het heilig Sacrament. God is hier op aarde niet als
een verblindend licht. Hij straalt een zacht en warm licht uit,
want Hij is onder ons als een God van Verbond, om te redden en te
verlossen. Hier past vertrouwen en overgave aan de kerk als de
ark van het Nieuwe Verbond, als bron van vrede op aarde.
Tenslotte zal ik mijn medemensen en ook mijzelf zien als tempels
van de heilige Geest. Heilige eerbied past ons bij de beschouwing
van onszelf en elkaar. Zoals er ook eerbied was bij Elisabeth,
toen zij haar nicht Maria begroette als "de moeder van mijn
Heer."
"Maria reisde met spoed"...
"Zodra Elisabeth de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in
haar schoot"... "sprong het kind van vreugde op in mijn
schoot."
Vanwaar die opgetogen stemming? De blijdschap van deze mensen is "om God": "mijn hart prijst hoog de Heer. Van vreugde juicht mijn geest om God, mijn redder". De reddende tegenwoordigheid van God is de reden van de vreugde bij Maria. Ik ga na wat mij zoal blij kan maken: een vriendelijk woord, een compliment, iets presteren, iets voor een ander doen, voor mij zelf iets krijgen (geld, vrijheid, goederen). Kan ik ook verschil proeven tussen de verschillende soorten van blijdschap? Heb ik ooit bij mij zelf of bij anderen iets van die merkwaardige blijdschap waargenomen, die het evangelie belooft aan wie helemaal niet gelukkig zijn: "Zalig zijt gij, wanneer omwille van de Mensenzoon de mensen u haten, wanneer zij u uitstoten, beschimpen en uw naam uit de samenleving bannen als iets verfoeilijks. Als die dag komt, springt dan op van blijdschap" (6,22-23). Vanwaar die vreemde blijdschap? Het is een blijdschap om God als redder. Redden betekent dat er nood is. Als onze nood het hoogst is, ervaren we, dat onze Redder nabij is. Tot onze vreugde. Als men maar diep inkeert in zichzelf, is er vreugde mogelijk, zelfs in de nood, bijvoorbeeld als je merkt, dat de mensen je maar min vinden om de Mensenzoon, om de kerk.
Elisabeth werd vervuld met de
heilige Geest en riep uit met luide stem: "Gij zijt gezegend
onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot."
Het blijde nieuws wordt met een open hart ontvangen. Niet
alleen Maria, maar Elisabeth weet van het geheim. In mijn geloof
is God met zijn heilige Geest aan het werk. Want dat ik iets in
Jezus zie, tot Hem bidt, en Hem "Heer" noem, kan ik alleen door
de heilige Geest: "... niemand kan zeggen: 'Jezus is de Heer',
tenzij door de heilige Geest" (1 Kor 12,3).
Waarom kan de mens dat eigenlijk niet uit zichzelf? Omdat wij
mensen uit onszelf Jezus te min vinden, te klein: een Kind, een
stukje Brood, een gekleineerde kerk.
Het is de grootheid van Maria, dat zij geloofde, dat de grote God
zich zo zou vernederen als Hij gedaan heeft in de Menswording, in
de kruisdood, in het heilig Sacrament, in de kerk.
"Elisabeth ... riep uit met luide
stem: "Zalig zij die geloofd heeft dat tot vervulling zal komen
wat haar vanwege de Heer gezegd is."
Deze geluksverklaring of zaligspreking geldt hier een gelovige. Zien wij deze gelovige in de reeks van al degenen die in het evangelie worden zaliggesproken, dan staat Maria in de rij van armen, hongerlijders, wenenden, uitgestotenen omwille van Jezus. Gelovig-zijn is dus een vorm van armoede, van klein-zijn, van geringheid en geminacht-zijn. Geloven is immers:
Het gebed niet abrupt besluiten, maar langzaam. Zoals mensen
doen, wanneer ze langer bij elkaar geweest zijn. Zoals Maria ook
gedaan zal hebben, toen ze na drie maanden weer naar Nazaret
terugkeerde.
Even langs de verschillende personen gaan: langs Elisabeth, langs
Maria, me met haar onderhouden, met of zonder woorden. Besluiten
met een "Wees gegroet". Me door Maria bij Jezus laten brengen.
Haar een goed woordje voor me laten doen bij Jezus. Met Jezus
spreken als met een vriend. "Ziel van Christus, heilig mij".
Jezus bemiddelt voor me bij de Vader. Een Onze Vader bidden.
Nagaan hoe het gebed is geweest door de vragen van de
reflexie te beantwoorden:
