Hoogfeest  van Allerheiligen




Eerste lezing: Apokalyps 7,2-4.9-14
Tweede lezing: 1 Johannes 3,1-3
Evangelie Matteüs 5,1-12a


Inleiding  

'Gaudeamus omnes in Domino.' 'Laat ons allen blij zijn in de Heer: wij vieren de feestdag van alle heiligen.' Waarom moeten wij zo blij zijn? Omdat we het de heiligen van harte gunnen dat zij in de hemel zijn bij God; in die zin zijn wij blij. Maar ergens is dit Feest van Allerheiligen ook ons feest, want zij geven de richting aan van onze bestemming. Wij lopen met de voorlopers als het ware in één lange stoet, waarvan de spits tot in de hemel reikt. Vandaag eren wij hen die voorop lopen en al zijn aangekomen in de eeuwige rust, maar wij gedenken ook dat zij de richting aangeven waarheen wij op weg zijn. Het is dus niet alleen het feest van de heiligen in de hemel, maar ook evengoed óns feest. Waar zij zijn, is ons áller bestemming. Wij zijn heiligen net zo goed als zij. Heiligen in wording, kleine heiligen, heilige zondaars, zondige heiligen, maar echt heiligen! Of zoals sint Jan vandaag zegt in de tweede lezing: "Wij zijn kinderen van God.” Zo worden we genoemd, maar “we zijn het ook. Nu reeds zijn wij kinderen van God!"
Er wordt ons echter niet alleen geopenbaard dat we heiligen zijn, maar ook dat wij zondaars zijn. Want dat is ook zoiets wat niemand ziet. Bij mensen die zich bij professie toeleggen op heiligheid, is het moeilijk de eigen zonden te kennen of te zien waarin de eigen zondigheid bestaat. Bekennen wij ons dus als zondaars, dat we niet alleen solidair zijn, lotverbonden met de heiligen in de hemel, maar evenzeer lotverbonden met de heiligen op aarde, met heilige zondaars, de zondige heiligen.
Belijden wij onze schuld om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op en,
nadat Hij zich had neergezet,
kwamen zijn leerlingen bij Hem.
Hij nam het woord en onderrichtte hen aldus:
“Zalig de armen van geest,
want aan hen behoort het Rijk der hemelen.
Zalig de treurenden,
want zij zullen getroost worden.
Zalig de zachtmoedigen,
want zij zullen het land bezitten.
Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid,
want zij zullen verzadigd worden.
Zalig de barmhartigen,
want zij zullen barmhartigheid ondervinden.
Zalig de zuiveren van hart,
want zij zullen God zien.
Zalig die vrede brengen,
want zij zullen kinderen van God genoemd worden.
Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid,
want hun behoort het Rijk der hemelen.  
Zalig zijt gij, wanneer men u beschimpt, vervolgt
en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwil,
verheugt u en juicht,
want groot is uw loon in de hemel.”
                 
Homilie  

“Jezus ging de berg op",
de berg van God, zoals eertijds Mozes de Sinaï beklom, die ruige, stoere, hoogoprijzende berg, de berg van God. Zoals de berg uitsteekt boven het gewone landschap, de vlakte, zo steekt God met zijn 'zijn' uit boven alle menselijk 'zijn' en zingeving. Jezus fungeert als een nieuwe Wetgever, als een nieuwe Mozes. Als Mozes de berg SinaI afdaalt, is hij vol van de heerlijkheid van God, zijn gelaat straalt van die heerlijkheid (vgl. Ex 34,29). Zoals iemand die een lange retraite gedaan heeft een beetje straalt. Zoals het gelaat van Moeder Mechtildis straalde als van een engel bij de eerste officiële acte van eerherstel. Als Mozes de wet van God bekend maakt, dan is het eerste niet: Je zult dit en je zult dat, maar dan is het merkwaardigerwijze: "Ik ben de Heer, uw God.” Dat betekent niet: je moet voor Mij oppassen, dat autoriteit en macht het eerste aan Mij is, nee, “die u heeft weggeleid uit Egypte, het slavenhuis” (Ex 20, 2). Daarna volgt: “Ge zult geen andere goden hebben, ten koste van Mij" (Ex 20,3), en dan pas volgen al die andere geboden: je zult dit en je zult dat, je zult dit niet en je zult dat niet. Aan de grondslag van het volksbestaan ligt niet de wet maar de liefde. De liefde van God! De Wetgever fundeert het volksbestaan niet met geboden en verboden, maar met zijn liefde.

Zo is het ook met de nieuwe wet. Het eerste woord daarvan is: zalig, en al wat daarna komt, wordt samengevat in de acht zaligheden. Wat is zalig eigenlijk? Daar wordt niet aardse zaligheid mee bedoeld, maar uitsluitend en alleen hemelse zaligheid. Zalig is: je bent God zalig, helemaal vervuld van God. En deze zaligheid is een schepping van God, het werk van zijn liefde. "Hoe groot is de liefde die de Vader ons betoond heeft! Wij worden kinderen van God genoemd en we zijn het ook. Nu reeds zijn wij kinderen van God." Dat is het werk van zijn liefde. Het is niet afhankelijk van wat wij doen, of van ons denken, van ons moeite geven. Hoe wordt iemand zalig, hoe wordt iemand helemaal van God vervuld? Door de wet te onderhouden, daden te verrichten, prestaties, ascese? Nee, niet met iets te doen, te presteren, maar door iets te zijn, of beter gezegd: door niets te zijn. Door arm en zachtmoedig te zijn, of door barmhartig te zijn, door zuiver te zijn, niet in je daden alleen, door vlekkeloos leven, zodat er niets op je aan te merken is, maar in je hart. "Zalig de zuiveren van hart."

Hetzelfde geldt voor je geluk, voor je gelukgevoelens. "Zalig de treurenden", zij die verstoken worden van aardse troost, die geen behagen scheppen in de dingen van de wereld, daar geen vreugde in kunnen vinden, die de vaalheid, de broosheid van aardse vreugde kunnen proeven en dat niet als een opwelling, een gevoel dat opkomt en weer verdwijnt, maar als een toestand, als een zijnswijze. En al die armzaligheden, al die toestanden die niet van deze wereld zijn, worden samengevat in een situatie van vervolging: "Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid.” … “Zalig zijt gij wanneer men u beschimpt, vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwil", want dan word je losgemaakt van jezelf, dan word je een arme van geest, dan word je zuiver van hart, dan bén je vrede, één en al vrede, en dan breng je ook vrede, waar je ook komt. Je wordt een nieuwe schepping, met een nieuw hart en een nieuwe geest, een goddelijke geest. Want dat is het zegel dat die honderdvierenveertigduizend getekenden opgelegd kregen op hun voorhoofd: het zegel van de heilige Geest. "Wij weten dat wij aan Hem gelijk zullen zijn, omdat wij Hem zullen zien, Hem kunnen zien, zoals Hij is." Wij worden dus van gewone mensen, Godsmensen. Niet zoals Jezus met twee naturen, maar wat Jezus heeft door natuur, dat ontvangen wij als genade.

Ignatius zegt in een brief aan een echtpaar: 'Ik geloof dat mensen die zich van zichzelf ontdoen en op hun Schepper en Heer ingaan, in zichzelf een opmerkzaamheid gaan voelen en troost.' Mensen die zich van zichzelf ontdoen, krijgen een zintuig, een opmerkingsgave voor wat er in hun gevoelsleven gaande is van Godswege. 'Ze gaan dan bespeuren', zegt Ignatius verder, 'hoe heel de eeuwige Goedheid voor ons aanwezig is in alle geschapen dingen.' Daarin kan voor mij een geluk schuilen dat groter is dan welk ander ook, 'want voor wie de Heer met heel hun hart liefhebben, kunnen alle dingen tot hulp zijn.' Kort samengevat: zich in alles van zichzelf ontdoen om God in alles te vinden en daardoor gelukkig te worden, zalig te worden, Godzalig.

In de eucharistie worden wij in dat omvormingsproces opgenomen. We worden veranderd in het 'zijn' van God. En wat is nu het 'zijn' van God, het 'zijn' van Jezus? "Leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart" (Mt 11,29). Jezus is dat helemaal, door en door. Het is onmogelijk om Jezus in een situatie te brengen waarin Hij niet zachtmoedig en nederig zal reageren. Dat is dan ook waartoe Hij ons wil omvormen. Niet in de handelingen, maar in het 'zijn', in het hart, en van daaruit in woorden, daden en in omgangsvormen.