Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Christus Koning


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
31 "Wanneer de Mensenzoon komt in zijn heerlijkheid
en vergezeld van alle engelen,
dan zal Hij plaats nemen op zijn troon van glorie.
32 Alle volken zullen vóór Hem bijeengebracht worden
en Hij zal ze in twee groepen scheiden,
zoals de herder een scheiding maakt
tussen schapen en bokken.
33 De schapen zal Hij plaatsen aan zijn rechterhand,
maar de bokken aan zijn linker.
34 Dan zal de Koning tot die aan zijn rechterhand zeggen:
Komt, gezegenden van mijn Vader,
en ontvangt het Rijk dat voor u gereed is
vanaf de grondvesting der wereld.
35 Want Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven,
Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven,
Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen.
36 Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed,
Ik was ziek en gij hebt Mij gekleed,
Ik was in de gevangenis en gij hebt Mij bezocht.
37 Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen:
Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien
en U te eten gegeven,
of dorstig en U te drinken gegeven?
38 En wanneer zagen wij U als vreemdeling
en hebben U opgenomen,
of naakt en hebben U gekleed?
39 En wanneer zagen wij U ziek of in de gevangenis
en zijn U komen bezoeken?
40 De Koning zal hun ten antwoord geven:
Voorwaar, Ik zeg u:
al wat gij gedaan hebt
voor een dezer geringsten van mijn broeders,
hebt gij voor Mij gedaan.
41 En tot die aan zijn linkerhand zal Hij dan zeggen:
Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur
dat bereid is voor de duivel en zijn trawanten.
42 Want Ik had honger en gij hebt Mij niet te eten gegeven.
Ik had dorst en gij hebt Mij niet te drinken gegeven.
43 Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij niet opgenomen,
naakt en hebt Mij niet gekleed.
Ik was ziek en in de gevangenis
en gij zijt Mij niet komen bezoeken.
44 Dan zullen ook zij antwoorden en zeggen:
Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien of dorstig
of als vreemdeling of naakt of ziek
of in de gevangenis,
en hebben wij niet voor U gezorgd?
45 Daarop zal Hij hun antwoorden:
Voorwaar, Ik zeg u:
al wat gij niet voor een van deze geringsten hebt gedaan,
hebt gij ook voor Mij niet gedaan.
46 En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf,
maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven."
Matteüs 25, 31-46

Ermee beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem die beloofd heeft, dat Hij "rust en verlichting zal schenken" (11,28) aan wie tot Hem komen. Ik hoef Hem maar te laten komen, op mij af te laten komen zoals Hij eens "in zijn heerlijkheid" zal komen.

Een paar passen voor de plaats waar ik ga bidden, een ogenblik staande me zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, een tegenwoordigheid van macht en majesteit én van nederigheid en aandacht voor de geringen. Het besef van zijn nabijheid verdiepen door een daarbij passend gebaar te maken van eerbied.

De houding van het gebed aannemen, de houding die mij het meeste helpt om het besef van zijn tegenwoordigheid in heerlijkheid en nederigheid te schragen. Niet alleen tijdens het gebed, maar ook met heel mijn leven zou ik in dienst moeten staan van deze God die alle afmetingen vult. Dit vraag ik nu als een genade: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

In het kort overzie ik de situatie in Jezus' leven waarin dit stuk Blijde Boodschap werd uitgesproken: in Jeruzalem, waar Jezus het einde van zijn eigen leven ziet naderen en in het licht van zijn eigen levenseinde de ondergang van de tempel schouwt als een beeld van de ondergang van de wereld (24,1-31). Daarop volgen een aantal waakzaamheidsparabels: de vijgeboom (24,32-35), de dagen van Noach (24,37-42), de dief (24,43-44), de knecht die de heer over zijn dienstvolk heeft aangesteld (24,45-51), de bruidsmeisjes (25,1-13) en het gebruik van de talenten (25,14-30). Deze laatste parabel zegt niet alleen dát wij waakzaam moeten zijn, maar ook waarín wij waakzaam moeten zijn, namelijk in het volbrengen van de wil van God met ons leven doordat wij met de ontvangen geloofsgenade iets doen. Wat doen? Dat is het onderwerp van de laatste oordeel-scene. De gave van het geloof moet worden gebruikt voor werken van barmhartigheid. Daarnaar zullen wij worden geoordeeld.

De plaats: een glorievolle plaats: "zijn troon van glorie" en een nederige plaats: verborgen in hongerigen, dorstigen, vreemdelingen, naakten, zieken en gevangenen. De twee uitersten zijn in Jezus gelijktijdig te zien, wanneer Hij in verheerlijkte gestalte aan zijn leerlingen verschijnt en daarbij zijn handen en zijn zijde toont, dat wil zeggen de tekenen van zijn vernedering (Joh 20,19-31; ook Openb 5,6: "een Lam, als geslacht").

Dat is ook de bijzondere genade waarnaar ik verlang, namelijk dat ik een zicht mag krijgen op Jezus, hoe Hij alle afmetingen vervult, van Heer en dienaar, zodat ik Hem in de geringsten van zijn broeders kan ontdekken en dienen.

 
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: "Wanneer de Mensenzoon komt in zijn heerlijkheid en vergezeld van alle engelen, dan zal Hij plaats nemen op zijn troon van glorie."

Wat tijdens Jezus' leven op de achtergrond werd gehouden om alleen maar bij tijd en wijle, bijvoorbeeld bij de gedaanteverandering op de berg (17,2.5) even door te breken, lijkt nu de totale werkelijkheid te vormen: "heerlijkheid" (of "eer" of "glorie") is het goddelijk attribuut bij uitstek. Engelen vormen de hofhouding van God. Zij doen niets anders dan luister bijzetten aan de Mensenzoon. Ook de titel "Mensenzoon" is een titel van glorie, ontleend aan visioenen van profeet Daniël: "in mijn nachtelijk visioen zag ik toen met de wolken des hemels iemand aankomen die op een mens geleek. Hij ging naar de hoogbejaarde en werd voor hem geleid. Toen werd hem heerschappij gegeven, luister en koninklijke macht; alle volken, stammen en talen brachten hem hun hulde. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij die nooit vergaat. Zijn koninkrijk gaat nooit te gronde" (Daniël 7,13-14). Maar ook in dit oordeelstafereel van glorie is de vernedering niet afwezig: de in goddelijke luister tronende Mensenzoon manifesteert zich als persoonlijk aanwezig in de geringste van zijn broeders. Precies zo was die glorievol tronende Mensenzoon uit Daniëls nachtelijke visioenen verbonden met de gruwelijk vervolgde "heiligen" van het volk van God onder koning Epiphanes. "Dan zal het koningschap, de heerschappij en de luister van al de rijken onder de hemel gegeven worden aan het volk van de heiligen van de Allerhoogste" (Daniël 7,27). De titel Mensenzoon is een titel van goddelijke heerlijkheid en menselijke vernedering. In die titel stelt het hoogste van God zich ten dienste van het meest vernederde in de mens. Daarom is hier allereerst sprake van de titel "Mensenzoon" en dan pas van "herder" (32), "koning" (34 en 40) en indirect van "Zoon van God" ("gezegenden van mijn Vader", 34).
Voor het bidden betekent dit, dat ik niet zo met Jezus omga, dat ik Hem om zo te zeggen buiten de achterbuurten van mijn persoon houd, dat ik als het ware mooi weer speel.
Niet de schaamte over mijn zonden en gebreken of de ergernis over de zwakheden van mijn medemensen tussen mezelf en Gods liefde laten komen. Want zijn liefde is een barmhartige liefde. Juist voor mensen van niks.

 
"Alle volken zullen vóór Hem bijeengebracht worden en Hij zal ze in twee groepen scheiden, zoals de herder een scheiding maakt tussen schapen en bokken. De schapen zal Hij plaatsen aan zijn rechterhand, maar de bokken aan zijn linker."

Hier wordt een tweevoudige goddelijke handeling gesteld:

  1. door een onzichtbare, machtige hand wordt het initiatief van de machten van de geschiedenis overgenomen. Deze menselijke machten bestrijken altijd - hoe groot ze ook zijn - maar een gedeelte van de wereld en maar een klein gedeelte van de tijd. Gods macht strekt zich uit over alle wereldmachten en wel vanaf het begin. Hij beschikt ook over de eeuwigheid door eeuwige straffen in het vooruitzicht te stellen aan de bokken aan zijn linkerhand: "Gaat weg van Mij, vervloekten in het eeuwig vuur" (41) en door een eeuwige beloning te schenken aan de schapen aan zijn rechterhand: "... de rechtvaardigen (zullen heengaan) naar het eeuwig leven" (46).
  2. Ook de scheiding die wordt doorgevoerd, is het gevolg van een goddelijk ingrijpen. Want hier op aarde is alles grijs, onkruid en tarwe dooreen. Wij verlangen er wel eens naar, dat een wrekende engel van God onze vijanden zal vernietigen en samen met de twee zonen van de donder roepen wij wel eens uit: "Heer, wilt Gij, dat wij vuur uit de hemel afroepen om hen te verdelgen?" (13,28)
Aan onze aardse tijd is het eigen, dat het oordeel wordt uitgesteld en aan God wordt overgelaten, dat wil zeggen, dat het oordeel helemaal buiten de grens van de geschiedenis komt te liggen, helemaal onzichtbaar, juist zoals Godzelf. Daarmee krijgt de kerk de handen vrij voor de werken van barmhartigheid. In tegenstelling tot de ideologische bewegingen van de geschiedenis. Zij streven een oordeel na binnen de kaders van de mensengeschiedenis (een klassenloze maatschappij, de volledige emancipatie). Deze bewegingen hebben altijd haast en dus geen tijd voor de naaste. Doordat ze te veel willen, doen ze ook niet het kleine beetje dat ze wel zouden kunnen, namelijk de kleine werken van barmhartigheid. De structuren gaan vóór de mens.
De wereld kan echter pas worden gered, wanneer iedereen afstand zou doen van zijn pretenties om enkel de hele wereld te redden en de vrijgekomen energie zou besteden aan het doen van het kleinere goed aan de naaste, vlak naast zich.

 
"Dan zal de Koning tot die aan zijn rechterhand zeggen: Komt, gezegenden van mijn Vader, en ontvangt het Rijk dat voor u gereed is vanaf de grondvesting der wereld. Want Ik had honger ... dorst ... Ik was vreemdeling ... naakt ... ziek ... in de gevangenis ... De Koning zal hun ten antwoord geven: Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders, hebt gij voor Mij gedaan."

De Mensenzoon met heel zijn goddelijke glorie en hofhouding is dienstbaar aan de Mensenzoon in verborgenheid: de hongerige, dorstige, ontheemde, naakte, zieke, gevangene. Deze Koning is verborgen in zijn eigen lijden en in het lijden van zijn broeders: "Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders, hebt gij voor Mij gedaan."
Daarmee worden in eerste instantie de "kerkbroeders" bedoeld. Dit evangelie is dus geen pleidooi voor een humanisme zonder God. De conclusie mag niet zijn: als we maar goed zijn voor elkaar; op het laatste oordeel wordt er toch alleen maar gevraagd of je goed geweest bent voor de medemensen. Zo is het niet. Jezus' antwoord op de vraag van de linksen en rechtsen: "Wanneer hebben wij U hongerig gezien?" heeft de bedoeling, dat de christenen in elk geval die vraag bij het laatste oordeel alvast niet kunnen stellen. Die weten beter. Dat onder de "broeder" allereerst de kerkbroeder wordt bedoeld, blijkt ook uit de vraag van de linksen: "Wanneer ... hebben wij niet voor U gezorgd?" Eigenlijk staat er: "Wanneer hebben wij U niet gediend?; wanneer hebben wij U bij onze kerkelijke plicht tot diakonie verwaarloosd?" (Zie ook 27,55 en 20,28).
Dat wij zullen worden geoordeeld naar hoe wij met de mensen van onze eigen geloofsgroep, met de broeders en zusters in de Heer, omgaan, sluit niet uit, dat wij Hem ook moeten herkennen in de niet-gelovige buitenstaanders. Maar wie het eerste niet doet, zal ook het tweede verwaarlozen.
Alle volken zullen naar deze maatstaf geoordeeld worden. Het eigen kerkelijke geloof, dat de Mensenzoon zichtbaar wordt in de geringste broeder, levert de maatstaf op voor het oordeel over alle volken.
Hoe is Jezus de Mensenzoon in deze geringste van de broeders verborgen? Doordat Hij zich hen zozeer heeft aangetrokken, dat wie aan hen komt, ook aan Hem komt. Zij zijn de broeders bij uitstek van Jezus, omdat Jezus hun broeder is en als een grote Broer zich hun lot bijzonder aantrekt. En dat dit uit de verborgenheid van de geschiedenis zichtbaar wordt, dat is het laatste oordeel over de mens.

Aan het eind gesprekjes voeren met Jezus onze Koning in nederigheid, die definitief beslag heeft gelegd op de laatste plaats. Ik zal Hem in gegroeid vertrouwen mijn zwakheden tonen. Dan herkent Hij in mij een "gezegende" van zijn Vader. Dan zal ik mij vrijmoedig tot zijn Vader wenden. Een Onze Vader bidden, langzaam, eerbiedig met gegroeid vertrouwen.

Na afloop van het gebed kan ik de gelegenheid te baat nemen om te onderscheiden wat er voor krachten of geesten in mij leven:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? In mijn verstrooiingen heb ik mij nog niet met mijn zwakheden aan God overgegeven. Daar zoek ik mij met eigen kracht te redden.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Daar begon Jezus mijn koning te zijn.
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Zijn koningschap is van blijvende aard.