Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 31 | en vergezeld van alle engelen, dan zal Hij plaats nemen op zijn troon van glorie. |
| 32 | en Hij zal ze in twee groepen scheiden, zoals de herder een scheiding maakt tussen schapen en bokken. |
| 33 | maar de bokken aan zijn linker. |
| 34 | Komt, gezegenden van mijn Vader, en ontvangt het Rijk dat voor u gereed is vanaf de grondvesting der wereld. |
| 35 | Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen. |
| 36 | Ik was ziek en gij hebt Mij gekleed, Ik was in de gevangenis en gij hebt Mij bezocht. |
| 37 | Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? |
| 38 | en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed? |
| 39 | en zijn U komen bezoeken? |
| 40 | Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders, hebt gij voor Mij gedaan. |
| 41 | Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur dat bereid is voor de duivel en zijn trawanten. |
| 42 | Ik had dorst en gij hebt Mij niet te drinken gegeven. |
| 43 | naakt en hebt Mij niet gekleed. Ik was ziek en in de gevangenis en gij zijt Mij niet komen bezoeken. |
| 44 | Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien of dorstig of als vreemdeling of naakt of ziek of in de gevangenis, en hebben wij niet voor U gezorgd? |
| 45 | Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij niet voor een van deze geringsten hebt gedaan, hebt gij ook voor Mij niet gedaan. |
| 46 | maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven." |
| Matteüs 25, 31-46 |
Ermee beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem die beloofd heeft, dat Hij "rust en verlichting zal schenken" (11,28) aan wie tot Hem komen. Ik hoef Hem maar te laten komen, op mij af te laten komen zoals Hij eens "in zijn heerlijkheid" zal komen.
Een paar passen voor de plaats waar ik ga bidden, een ogenblik staande me zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, een tegenwoordigheid van macht en majesteit én van nederigheid en aandacht voor de geringen. Het besef van zijn nabijheid verdiepen door een daarbij passend gebaar te maken van eerbied.
De houding van het gebed aannemen, de houding die mij het meeste helpt om het besef van zijn tegenwoordigheid in heerlijkheid en nederigheid te schragen. Niet alleen tijdens het gebed, maar ook met heel mijn leven zou ik in dienst moeten staan van deze God die alle afmetingen vult. Dit vraag ik nu als een genade: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.
In het kort overzie ik de situatie in Jezus' leven waarin dit stuk Blijde Boodschap werd uitgesproken: in Jeruzalem, waar Jezus het einde van zijn eigen leven ziet naderen en in het licht van zijn eigen levenseinde de ondergang van de tempel schouwt als een beeld van de ondergang van de wereld (24,1-31). Daarop volgen een aantal waakzaamheidsparabels: de vijgeboom (24,32-35), de dagen van Noach (24,37-42), de dief (24,43-44), de knecht die de heer over zijn dienstvolk heeft aangesteld (24,45-51), de bruidsmeisjes (25,1-13) en het gebruik van de talenten (25,14-30). Deze laatste parabel zegt niet alleen dát wij waakzaam moeten zijn, maar ook waarín wij waakzaam moeten zijn, namelijk in het volbrengen van de wil van God met ons leven doordat wij met de ontvangen geloofsgenade iets doen. Wat doen? Dat is het onderwerp van de laatste oordeel-scene. De gave van het geloof moet worden gebruikt voor werken van barmhartigheid. Daarnaar zullen wij worden geoordeeld.
De plaats: een glorievolle plaats: "zijn troon van glorie" en een nederige plaats: verborgen in hongerigen, dorstigen, vreemdelingen, naakten, zieken en gevangenen. De twee uitersten zijn in Jezus gelijktijdig te zien, wanneer Hij in verheerlijkte gestalte aan zijn leerlingen verschijnt en daarbij zijn handen en zijn zijde toont, dat wil zeggen de tekenen van zijn vernedering (Joh 20,19-31; ook Openb 5,6: "een Lam, als geslacht").
Dat is ook de bijzondere genade waarnaar ik verlang, namelijk dat ik een zicht mag krijgen op Jezus, hoe Hij alle afmetingen vervult, van Heer en dienaar, zodat ik Hem in de geringsten van zijn broeders kan ontdekken en dienen.
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: "Wanneer de
Mensenzoon komt in zijn heerlijkheid en vergezeld van alle
engelen, dan zal Hij plaats nemen op zijn troon van glorie."
Wat tijdens Jezus' leven op de achtergrond werd gehouden om
alleen maar bij tijd en wijle, bijvoorbeeld bij de
gedaanteverandering op de berg (17,2.5) even door te breken,
lijkt nu de totale werkelijkheid te vormen: "heerlijkheid" (of
"eer" of "glorie") is het goddelijk attribuut bij uitstek.
Engelen vormen de hofhouding van God. Zij doen niets anders dan
luister bijzetten aan de Mensenzoon. Ook de titel "Mensenzoon" is
een titel van glorie, ontleend aan visioenen van profeet Daniël:
"in mijn nachtelijk visioen zag ik toen met de wolken des hemels
iemand aankomen die op een mens geleek. Hij ging naar de
hoogbejaarde en werd voor hem geleid. Toen werd hem heerschappij
gegeven, luister en koninklijke macht; alle volken, stammen en
talen brachten hem hun hulde. Zijn heerschappij is een eeuwige
heerschappij die nooit vergaat. Zijn koninkrijk gaat nooit te
gronde" (Daniël 7,13-14). Maar ook in dit oordeelstafereel van
glorie is de vernedering niet afwezig: de in goddelijke luister
tronende Mensenzoon manifesteert zich als persoonlijk aanwezig
in de geringste van zijn broeders. Precies zo was die glorievol
tronende Mensenzoon uit Daniëls nachtelijke visioenen verbonden
met de gruwelijk vervolgde "heiligen" van het volk van God onder
koning Epiphanes. "Dan zal het koningschap, de heerschappij en de
luister van al de rijken onder de hemel gegeven worden aan het
volk van de heiligen van de Allerhoogste" (Daniël 7,27).
De titel Mensenzoon is een titel van goddelijke heerlijkheid en
menselijke vernedering. In die titel stelt het hoogste van God
zich ten dienste van het meest vernederde in de mens. Daarom is
hier allereerst sprake van de titel "Mensenzoon" en dan pas van
"herder" (32), "koning" (34 en 40) en indirect van "Zoon van God"
("gezegenden van mijn Vader", 34).
Voor het bidden betekent dit, dat ik niet zo met Jezus omga, dat
ik Hem om zo te zeggen buiten de achterbuurten van mijn persoon
houd, dat ik als het ware mooi weer speel.
Niet de schaamte over mijn zonden en gebreken of de ergernis over
de zwakheden van mijn medemensen tussen mezelf en Gods liefde
laten komen. Want zijn liefde is een barmhartige liefde. Juist
voor mensen van niks.
"Alle volken zullen vóór Hem bijeengebracht worden en Hij
zal ze in twee groepen scheiden, zoals de herder een scheiding
maakt tussen schapen en bokken. De schapen zal Hij plaatsen aan
zijn rechterhand, maar de bokken aan zijn linker."
Hier wordt een tweevoudige goddelijke handeling gesteld:
"Dan zal de Koning tot die aan zijn rechterhand zeggen:
Komt, gezegenden van mijn Vader, en ontvangt het Rijk dat voor u
gereed is vanaf de grondvesting der wereld. Want Ik had honger
... dorst ... Ik was vreemdeling ... naakt ... ziek ... in de
gevangenis ... De Koning zal hun ten antwoord geven: Voorwaar, Ik
zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn
broeders, hebt gij voor Mij gedaan."
De Mensenzoon met heel zijn goddelijke glorie en hofhouding is
dienstbaar aan de Mensenzoon in verborgenheid: de hongerige,
dorstige, ontheemde, naakte, zieke, gevangene. Deze Koning is
verborgen in zijn eigen lijden en in het lijden van zijn
broeders: "Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van
mijn broeders, hebt gij voor Mij gedaan."
Daarmee worden in eerste instantie de "kerkbroeders" bedoeld. Dit
evangelie is dus geen pleidooi voor een humanisme zonder God. De
conclusie mag niet zijn: als we maar goed zijn voor elkaar; op
het laatste oordeel wordt er toch alleen maar gevraagd of je goed
geweest bent voor de medemensen. Zo is het niet. Jezus' antwoord
op de vraag van de linksen en rechtsen: "Wanneer hebben wij U
hongerig gezien?" heeft de bedoeling, dat de christenen in elk
geval die vraag bij het laatste oordeel alvast niet kunnen
stellen. Die weten beter. Dat onder de "broeder" allereerst de
kerkbroeder wordt bedoeld, blijkt ook uit de vraag van de
linksen: "Wanneer ... hebben wij niet voor U gezorgd?"
Eigenlijk staat er: "Wanneer hebben wij U niet gediend?; wanneer
hebben wij U bij onze kerkelijke plicht tot diakonie
verwaarloosd?" (Zie ook 27,55 en 20,28).
Dat wij zullen worden geoordeeld naar hoe wij met de mensen van
onze eigen geloofsgroep, met de broeders en zusters in de Heer,
omgaan, sluit niet uit, dat wij Hem ook moeten herkennen in de
niet-gelovige buitenstaanders. Maar wie het eerste niet doet, zal
ook het tweede verwaarlozen.
Alle volken zullen naar deze maatstaf geoordeeld worden. Het
eigen kerkelijke geloof, dat de Mensenzoon zichtbaar wordt in de
geringste broeder, levert de maatstaf op voor het oordeel over
alle volken.
Hoe is Jezus de Mensenzoon in deze geringste van de broeders
verborgen? Doordat Hij zich hen zozeer heeft aangetrokken, dat
wie aan hen komt, ook aan Hem komt. Zij zijn de broeders bij
uitstek van Jezus, omdat Jezus hun broeder is en als een grote
Broer zich hun lot bijzonder aantrekt. En dat dit uit de
verborgenheid van de geschiedenis zichtbaar wordt, dat is het
laatste oordeel over de mens.
Aan het eind gesprekjes voeren met Jezus onze Koning in nederigheid, die definitief beslag heeft gelegd op de laatste plaats. Ik zal Hem in gegroeid vertrouwen mijn zwakheden tonen. Dan herkent Hij in mij een "gezegende" van zijn Vader. Dan zal ik mij vrijmoedig tot zijn Vader wenden. Een Onze Vader bidden, langzaam, eerbiedig met gegroeid vertrouwen.
Na afloop van het gebed kan ik de gelegenheid te baat nemen om te
onderscheiden wat er voor krachten of geesten in mij leven: