Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Christus, Koning van het heelal


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
Toen Jezus aan het kruis hing,
35 stond het volk toe te kijken
maar de overheidspersonen lachten Hem uit en zeiden:
"Anderen heeft Hij gered;
laat Hij zichzelf eens redden
als Hij de Messias van God is,
de uitverkorene!"
36 De soldaten brachten Hem zure wijn,
en ook zij voegden Hem spottend toe:
37 "Als Gij de koning der Joden zijt,
red dan uzelf."
38 Boven Hem stond als opschrift
in Griekse, Romeinse en Hebreeuwse letters:
"Dit is de koning der Joden."
39 Ook een van de misdadigers die daar hingen,
hoonde Hem:
"Zijt Gij niet de Messias?
Red dan uzelf en ons."
40 Maar de andere strafte hem af en zei:
"Heb zelfs jij geen vrees voor God
terwijl je toch hetzelfde vonnis ondergaat?
41 En wij ondergaan dat vonnis terecht,
want wij krijgen wat wij door onze daden verdiend hebben;
maar Hij heeft niets verkeerds gedaan."
42 Daarop zei hij:
"Jezus, denk aan mij
wanneer Gij in uw Koninkrijk gekomen zijt."
43 En Jezus sprak tot hem:
"Voorwaar, Ik zeg u:
vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs."
Lucas 23,35-43

Beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem, de Koning van mijn hart. Hem alle heerschappij uit handen geven, ook het verlangen om te heersen, mijzelf door Hem laten toeëigenen.

Een paar passen van de plaats staande me zijn tegenwoordigheid bewust maken, zien hoe Hij mij ziet, de blik omhoog naar mijn Koning die mij te boven gaat in Majesteit ín in nederigheid. Dan verneder ik mij in een gebaar van nederigheid en eerbied.

Ik neem de houding aan van het gebed, liggend, zittend of geknield naargelang ik vermoed Hem het beste te kunnen vinden. Dat vraag ik dan ook als een genade voor heel mijn leven, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit. In dit woord "Majesteit" zit het woord "majus" dat "groter" betekent. Want God is altijd groter (Deus semper maior). Ook in het klein-zijn. Hij is een koning in nederigheid.

Ik doorloop kort de geschiedenis van het geheim dat ik ga overwegen. Hier: binnen een omlijsting van rouwmoedigen, het volk aan de ene kant (23,35) en de rouwmoedige moordenaar aan de andere kant (23,40-43) wordt tot driemaal toe gedemonstreerd hoe Jezus' koningschap niet van deze wereld is: door de overheidspersonen (23,35), door de soldaten (23,36) en door íín van de misdadigers (23,39). Op hun spot antwoordt Jezus niet. Wel op de vertrouwvolle smeekbede van de goede moordenaar: "Vandaag nog..." (23,43)

Om zo dicht mogelijk bij het geheim te komen stel ik me ook de plaats voor: de schedelplaats, Golgota, de drie kruisen, Jezus in het midden. En ook in de wereld van vandaag waar Jezus opnieuw wordt gekruisigd. En ook de kerken waar Hij als koning wordt vereerd aan het kruis vanwaaruit Hij regeert.

Ik vraag om de bijzondere genade die ik in dit gebed verlang te krijgen: het geloof mogen hebben van de goede moordenaar, zodat ik begrip en smaak krijg voor zijn koningschap.

 
"Toen Jezus aan het kruis hing, stond het volk toe te kijken."

Het volk geeft de houding aan waarin ik dit geheim mag overwegen. Dat "toekijken" heeft iets neutraals, maar in het oorspronkelijke woord zit iets van bewonderend schouwen, met liefde toezien (=contempleren). Helemaal in de lijn van dit "toezien" is de manier waarop aan het slot van de kruisiging wordt vermeld hoe "al het volk dat voor dat schouwspel samengestroomd was, terugkeerde, toen zij aanschouwd hadden wat er gebeurd was en zich op de borst sloegen" (23,48). Ik kan niet veel meer dan toezien. Maar het toezien kan op vele manieren. De beste manier is die van het volk: in de geest van rouwmoedigheid die zich uitte in het gebaar van zich op de borst slaan. Ik ben zelf bij de kruisiging betrokken vanwege mijn zonden: "In zijn eigen lichaam heeft Hij onze zonden op het kruishout gedragen" (1 Petrus 2,24).

 
"maar de overheidspersonen lachten Hem uit en zeiden: Anderen heeft Hij gered; laat Hij zichzelf eens redden, als Hij de Messias van God is, de uitverkorene!"

Jezus antwoordde niet, want op deze uitdaging om zichzelf te redden heeft Jezus allang antwoord gegeven: "Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest... die zal het redden" (9,24). Wat ik voor redding nodig heb, is dat ik me ontdoe van eigenmachtigheid, de wapenen uit handen geef, ophoud mij zelfverzekerd op te stellen om met vertrouwen mijn hoofd op te heffen naar Hem die mijn koning is: "Ik heb de wereld overwonnen" (Joh 16,33).

 
"De soldaten brachten Hem zure wijn, en ook zij voegden Hem spottend toe: "Als Gij de koning der Joden zijt, red dan uzelf." Boven Hem stond als opschrift in Griekse, Romeinse en Hebreeuwse letters: Dit is de koning der Joden."

Zonder het te weten brengen de soldaten psalm 69 in vervulling waarin een vrome in zijn lijden God zoekt en vindt: "Zij gaven mij azijn, toen ik verdorstte" (Psalm 69,22). Terwijl de soldaten bezig zijn Jezus te kruisigen, is Jezus doende het koningschap van deze wereld te kruisigen. Want als Jezus zich koning blijft noemen zoals Hij deed voor Pilatus en zoals ook het opschrift in drie talen aan heel de wereld van toen te kennen gaf, wat is dan het koningschap nog waard? Jezus' koningschap is het tegendeel van een koningschap. In plaats van toejuichingen is spot en hoon zijn deel; in plaats van dat de overheidspersonen aan Hem rekenschap afleggen, vragen zij rekenschap van Hem. Wel zijn er soldaten bij Hem, niet echter om Hem te dienen, maar om Hem te bewaken en te vonnissen. Er zijn ook misdadigers die worden gestraft, maar niet door Hem. De ene misdadiger gaat straffeloos door met zijn verguizingen en de ander vraagt niet om amnestie, maar om een memento. Weer zwijgt Jezus. Want dat koningschap waartoe de soldaten Hem oproepen, heeft Hij al eerder afgewezen. Als een bekoring: "Daarop voerde de duivel Hem omhoog en toonde Hem in een oogwenk alle koninkrijken der wereld en de duivel sprak tot Hem: Heel dat machtsgebied met zijn heerlijkheid zal ik U geven, want het is mij in handen gesteld en ik geef het aan wie ik wil. Als Gij dus in aanbidding voor mij neervalt, zal het in zijn geheel van U zijn. Toen antwoordde Jezus hem: Er staat geschreven: De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen" (4,5-8). Willen heersen is een duivelse bekoring waardoor alle mensen worden bekoord, bijvoorbeeld wanneer zij de eigen haan koning laten kraaien; of wanneer zij verontrust worden of ontmoedigd raken als zij zien hoe de kerk zonder macht is in deze wereld.

 
"Ook een van de misdadigers die daar hingen, hoonde Hem: Zijt Gij niet de Messias? Red dan uzelf en ons."

Misschien waren de rovers wel leden van een bevrijdingsbeweging die op gewelddadige manier het juk van de Romeinse bezetting zochten af te schudden. In dat milieu was het religieuze, allereerst op God gerichte begrip van de Messias helemaal verpolitiekt. Dat politieke Messianisme had trouwens heel het volk in zijn greep. Daarom verbood Jezus zijn leerlingen "nadrukkelijk" aan iemand te zeggen dat Hij de Messias, de Gezalfde van God was (9,21). In de plaats van een strijdende Messias wilde Jezus een lijdende Messias zijn. Want er waren heel wat míír vijanden dan alleen politieke te bestrijden. De voornaamste vijand zit niet buiten, maar ín de mens. Het gaat erom de eigen ziel te redden: "Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen, als hij zichzelf hierdoor ondergang en dood berokkent?" (9,25) Maar deze misdadiger zit zo vastgeklonken aan zijn verkeerde Messiasbegrip, dat hij Jezus vraagt om zichzelf te redden "ín ons". Hij vraagt aan de Redder om redding. Je zou zeggen: bij wie kan hij beter terecht? Maar de rover wil redding door bevrijding ván het kruis. Jezus geeft alleen maar redding dóór het kruis. De vraag is: hoe zie ík het lijden? Van anderen, van mijzelf?

 
"Maar de andere strafte hem af en zei: Heb zelfs jij geen vrees voor God terwijl je toch hetzelfde vonnis ondergaat? En wij ondergaan dat vonnis terecht, want wij krijgen wat wij door onze daden verdiend hebben; maar Hij heeft niets verkeerds gedaan."

En nu de "goede moordenaar", de "latro penitens" (=rouwmoedige rover) van het Adoro Te van Thomas van Aquino.

  1. Hij erkent God.
  2. Hij ziet en erkent zijn eigen schuld.
  3. En hij erkent de onschuld van Jezus.
Wie God vreest, dat betekent ontzag heeft voor God als Rechter aan Wie elke mens rekenschap en verantwoording verschuldigd is, zal zijn eigen schuld onder ogen kunnen zien in plaats van deze op anderen te projecteren. Dat is de fout van de messianistische bevrijdingsbewegingen: volgens hen ligt de fout bij de ander, bij de rijken, de heersende klasse (de Romeinen, de blanken, de adel, de multinationals enz.) en niet bij de anderen, de armen, de onderdrukte klasse (de Joden, de zwarten, de burgerij, de werknemers enz.). Terwijl hier op deze aarde allen nog onder het oordeel staan, is voor hen het oordeel al uitgemaakt of beter: zij vellen zelf het definitieve, laatste oordeel. Eigenlijk is dit elke keer het geval, wanneer mensen een oordeel over anderen vellen: die ís goed, die ís slecht.

 
"Daarop zei hij: Jezus, denk aan mij, wanneer Gij in uw Koninkrijk gekomen zijt."

In het licht van God velt de goede moordenaar een rechtvaardig oordeel over zichzelf en over Jezus. Maar nu gaat hij nog een stap verder: de armzalig Gefolterde is voor hem werkelijk de redder, niet ván de dood, maar dóór de dood. Hij gelooft in Jezus. Dat heeft hem een plaatsje in het evangelie gegeven. En in het Adoro Te. De "goede moordenaar" is het voorbeeld van alle christengelovigen. Eín act van vertrouwen kan een heel zondig leven goed maken. Juist zoals bij de tollenaar (18,14) en de rouwmoedige zondares (7,47). De rechtvaardigen van het evangelie zijn allen gerechtvaardigden, rechtvaardig gemáákt. Door Jezus. Door zijn kostbaar Bloed.

 
"En Jezus sprak tot hem: Voorwaar, Ik zeg u: vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs."

Dit is Jezus ten voeten uit. Iemand vraagt een memento en Hij geeft alles wat Hij maar te geven heeft, namelijk zichzelf als gezelschap: "mít Mij zijn in het paradijs." Op die heerlijkheid is het gebed een vóórgave, een voorproef. In de mate dat iemand los is van zichzelf, zoals de goede moordenaar, in die mate zal de gebedservaring iets paradijselijks hebben.

Aan het einde gesprekjes voeren met Jezus aan het kruis, zoals de goede moordenaar. Met hetzelfde vertrouwen. Me dan door Jezus naar de Vader laten brengen. Uiteindelijk is het de Vader die kan doen zitten aan Jezus' rechter- of linkerhand (Mc 10,40). De Vader is vlakbij Jezus en bij alle volgelingen van Jezus, wanneer zij zich op hun laatste plaats bevinden.

Na afloop kijk ik terug in een terugblik of reflexie om te zien waar het evangelie bij mij is aangekomen en waar Jezus' woord er niet bij mij inging:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? In mijn verstrooiingen ben ik bezig met mijn eigen rijkje en eigen recht en eigen oordeel. Daar is mijn "ik" koning.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Daar beleefde ik in mijn bewustzijn het "met Mij" zijn.
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Geloof, hoop en liefde maken de dienst uit in het gebed. Zij verdwijnen niet na afloop van het gebed. Zij hebben hun nawerking. Ook in het gebedsleven.