Eerste lezing: Handelingen 7,51-8,1a [I 188];
Evangelie: Johannes 6,30-35 [I 189]
Inleiding
"Ik ben de verrijzenis en het leven" (Joh 11,25). Ja, Hij is de Verrezene. In die zin kun je zeggen: Hij is de verrijzenis, maar met dat woord wordt bedoeld, dat Hij de verrijzenis is voor óns. Het is een 'Ik ben' woord, dus een Godswoord, een woord waarmee God Zichzelf aanduidt. "Ik ben die is, sprak God tot Mozes (Ex 3,14). Ik ben er voor u. Hij is de herder van de schapen. Hij is het leven voor ons én Hij is de verrijzenis voor ons. Wie in Mij gelooft zal leven in eeuwigheid (Joh 11,26). Jezus is het voor Zichzelf om het voor ons te kunnen zijn. Zoals Hij nu het woord en straks ook zijn Lichaam is voor u. Jezus is er helemaal voor ons.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die dagen zei de menigte tot Jezus:
Wat voor teken doet Gij dan wel
waardoor wij kunnen zien dat wij in U moeten geloven?
Wat doet Gij eigenlijk?
Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn,
zoals geschreven staat:
Brood uit de hemel gaf Hij hun te eten.
Jezus hernam:
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
wat Mozes u gaf, was niet het brood uit de hemel;
het echte brood uit de hemel
wordt u door mijn Vader gegeven;
want het brood van God daalt uit de hemel neer
en geeft leven aan de wereld.
Zij zeiden tot Hem:
Heer, geef ons te allen tijde dat brood.
Jezus sprak tot hen:
Ik ben het Brood des levens:
wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben,
en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst krijgen.
Homilie
In de beide lezingen is er een strijd gaande, in de Handelingen der Apostelen en in het evangelie. De Joden strijden met Stefanus en Jezus strijdt met de Joden in Kafarnaüm. Strijd is wezenlijk voor de christelijke bestaanswijze, want het nieuwe leven en het oude leven bestaan naast elkaar. Mensen die die nieuwe bestaanswijze, die nieuwe leefwijze, al gekregen hebben, moeten leven naast en temidden van mensen die die nieuwe wijze van denken en voelen niet hebben gekregen. Maar ook in ieder van ons strijdt die nieuwe denk- en handelwijze met de oude denkwijze, de denkwijze van het vlees waaraan wij zo hardnekkig vasthouden, zegt Stefanus. Dat strijden in ons gebeurt van dag tot dag, van uur tot uur. Het is als zwemmen tegen de stroom in. Zo gauw je ophoudt met zwemmen, word je meegesleurd, ga je achteruit.
We zien in het evangelie hoe Jezus tegenover de Joden staat, en hoe die vragen stellen. "Wat voor teken doet Gij dan wel waardoor wij kunnen zien dat wij in U moeten geloven? Wat doet Gij eigenlijk?" Vragen stellen lijkt onschuldig. 'Vragen staat vrij', zeggen wij wel eens. Ze vragen toch alleen maar, ze wijzen toch niets af? Maar die vragen worden zó gesteld dat hun ongeloof er in doorklinkt. Zoals in de vragen die Nikodémus aan Jezus stelde: "Hoe kan een mens geboren worden als hij al oud is? Kan hij soms in de schoot van zijn moeder terugkeren en opnieuw geboren worden?" (Joh 3,4). Een retorische vraag noemen we dat, een vraag die zichzelf beantwoordt. Hoe kan dat nu? Je kunt toch niet opnieuw geboren worden? Het is geen vraag, het is meer een stelling: dat kan toch niet! Zo is het met veel vragen die in het evangelie gesteld worden: "Is dit niet Jezus? Hoe kan Hij dan zeggen: Ik ben uit de hemel neergedaald?" (Joh 6,42) Verderop in dit evangelie zullen we nog horen: "Hoe kan Hij ons zijn vlees te eten geven?" (Joh 6,52) Hoe dit, hoe dat? Dat kan toch niet! De vragen op die manier stellen, is een poging om het grotere, God, in je kleine verstand te stoppen. Maar je moet het grotere niet in het kleine stoppen, maar het kleine in het grotere. Dat heet overgave!
Toch moeten er ook wel eens vragen gesteld worden, en dat is niet omdat wij dom zijn, of omdat we ons verstand niet genoeg gebruiken, niet nadenken, nee, vragen stellen is wezenlijk aan het menszijn. Vragen stellen is eigen aan de toestand van de zonde, dat wij tegenover de werkelijkheid van God staan, dat we niet zien, niet begrijpen, niet luisteren; dat we doof zijn of blind, hardnekkig. De werkelijkheid van God gaat de werkelijkheid van de mens te boven. Het is wezenlijk voor de mens dat hij niet begrijpt. De mens is een vragende. Daarom ook geeft Jezus daar de uitleg bij: het is immers de hemel die neerdaalt. "Het echte brood uit de hemel wordt u door mijn Vader gegeven; want het brood van God daalt uit de hemel neer. Stefanus zag de hemel open en Mensenzoon staande aan Gods rechterhand", gereed om Stefanus op te vangen, zodra hij door de handen van de mensen was gestenigd en gevallen.
Waar leven ze nu van in de hemel? Van hemelbrood! Dat is waarvan ze in de hemel leven. Ze leven niet van gewoon brood, maar van God! God is de bron van het leven. Maar ook wij, hier op aarde, mogen dat brood al eten. De uitwerking van dat brood, de voedingswaarde ervan is dat je ermee door de dood heen komt, dat we daarmee over ons dode punt heen komen. Als u vandaag iets van dood zijn beleeft, ergens de dood over in hebt, u krachteloos voelt, er niet meer tegenop kunt, ergens niet tegen opgewassen bent, of het niet meer ziet zitten, dan kunt u met dit brood dat Jezus is, er doorheen. "Ik ben het brood des levens: wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft zal nooit meer dorst krijgen."
Dat is het brood dat ons gegeven wordt in het woord, maar straks nog eens in het Lichaam en Bloed van Jezus Christus, onze Heer. Dat is de zelfgave van God, zijn goddelijke liefde.