Eerste lezing: Jesaja 49,1-6
Evangelie: Johannes 13,21-33.36-38
Inleiding
'Zie mij aan in uw mateloos erbarmen.' Is dat dan nodig? Mateloos erbarmen? Is er dan een mateloos kwaad in ons, een afgrond van niet te peilen kwaad, waarvoor alleen maar een mateloos erbarmen toereikend is? Dat is wat er vandaag in het evangelie gebeurt. "Toen
voer de satan in Judas. Toen
ging hij terstond weg. Het was nacht." De uiterste duisternis. De nacht, de satan, de afgrond van het kwaad zijn ingrediënten voor uiterste duisternis en daarvan heeft Jezus ons gered. Dat we daaraan niet ten prooi zijn gevallen, danken wij aan zijn mateloos erbarmen.
Belijden wij dan eerst onze schuld, om deze heilige Geheimen van zijn mateloos erbarmen, goed te kunnen vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd toen Jezus met zijn leerlingen aan tafel aanlag
werd Hij ontroerd en bevestigde:
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: een van u zal Mij overleveren.
De leerlingen keken elkaar aan in het onzekere wie Hij bedoelde.
Een van de leerlingen, degene die door Jezus bemind werd,
lag dicht tegen Jezus aan.
Simon Petrus gaf hem een teken en vroeg hem:
Wie bedoelt Hij?
Toen leunde deze tegen Jezus' borst en zei:
Heer, wie is het?
Jezus antwoordde:
Hij is het, aan wie Ik het stuk brood zal geven dat Ik ga indopen.
Na het stuk brood te hebben ingedoopt,
reikte Hij het toe aan Judas Iskariot.
En toen Judas dit had aangenomen voer de satan in hem.
Jezus zei hem:
Wat ge te doen hebt, doe dat spoedig.
Maar niemand van de aanliggenden begreep waarom Hij dit tot hem zei.
Omdat Judas de beurs hield, meenden sommigen dat Jezus hem opdroeg:
Koop wat wij voor het feest nodig hebben,
of dat hij iets aan de armen moest geven.
Toen hij het stuk brood had aangenomen, ging hij terstond weg.
Het was nacht.
Na zijn vertrek zei Jezus:
Nu is de Mensenzoon verheerlijkt
en God is verheerlijkt in Hem.
Als God in Hem verheerlijkt is,
zal God ook Hem in Zichzelf verheerlijken,
ja, Hij zal Hem spoedig verheerlijken.
Kindertjes, nog maar kort zal Ik bij u zijn.
Gij zult Mij zoeken en zoals Ik tot de Joden gezegd heb:
Waar Ik heenga kunt gij niet komen,
zo zeg Ik het thans tot u.
Simon Petrus zei Hem:
Heer, waar gaat Gij naartoe?
Jezus gaf hem ten antwoord:
Waar Ik heenga, kunt gij Mij nu niet volgen, later wel.
Petrus vroeg Hem:
Heer, waarom kan ik U niet terstond volgen?
Mijn leven zal ik voor U geven.
Jezus antwoordde:
Uw leven zult ge voor Mij geven?
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
Nog eer de haan kraait zult gij Mij driemaal verloochend hebben.
Homilie
In het evangelie zien we de mensen en God onder de mensen. De mensen in gezelschap van Jezus, eensgezind aan dezelfde tafel rond de ene Heer, een eenheid. Maar Jezus, God onder de mensen, weet beter. Hij zegt: er is een verrader bij, "één van u zal Mij overleveren." De anderen weten van niets. Alleen wie Jezus kent, wie Hem kent als Iemand die van je houdt, van wiens liefde je zeker bent, alleen zo iemand mag een blik slaan in de duisternis. Alleen zo iemand mag de verader kennen. Anders houd je het er niet in uit.
Van paus Johannes Paulus II werd gezegd, dat hij wist wat er in de wereld gebeurde, namelijk: het kwaad. En toch zei hij: 'Houdt moed.' Hij heeft het licht gezien, het licht in de duisternis.
Zo mag Johannes een blik slaan in de duisternis. Maar ook hij moet zich niets verbeelden. Allen zijn aangetast door de zonde, allen zijn aangetast door hetzelfde kwaad. Petrus staat model voor het hele apostelcollege, voor heel de Kerk, voor alle mensen. En daarvan staat geschreven: allen lieten Hem in de steek. Want de trouw van hen die blijven, van hen die zijn gebleven, de getrouwen van het laatste uur, het schamele restje dat wij zijn, die trouw moet nog beproefd worden en als dat gebeurt, als onze trouw op de proef gesteld wordt, dan zal pas blijken wat er in de mens steekt: "Nog eer de haan kraait zult gij Mij driemaal verloochend hebben." En dat zegt Jezus nu juist van Petrus, en nog wel driemaal verloochenen. Het getal van de volheid, de volheid van de ontrouw, de volheid van de afval. De laatste op wie men zijn hoop gesteld heeft. Dat zit er in ons, dat zit er in ieder van ons. Niet dat het per se hoeft te gebeuren. Als het niet gebeurt, is dat genade. Dan is dat iets van Godswege. Dan worden we als het ware boven onszelf uitgeheven, tegen onszelf beschermd.
Waarom gaat dat nu zo? Waarom moet dat nu zo? Waarom kan Petrus Jezus niet terstond volgen? Waarom moet hij Hem eerst verloochenen? Waarom is er eerst afbraak? Waarom schiet je maar niet op in de vooruitgang; waarom is er stilstand, windstilte, pas op de plaats? Waarom is er geen nieuw elan?
Dat is omdat moet blijken wie wij zijn. Omdat het diep tot ons moet doordringen wie wij eigenlijk zijn. Wij denken dat wij heel wat voorstellen en dat we heel veel kunnen op allerlei gebied, maar het eigenlijke kunnen wij niet. Het eigenlijke waarop wij wachten, dat is genade. Genade waarop je alleen maar deemoedig kunt wachten. En zeker in een tijd als de onze waarin de mensen zoveel kunnen. Wat moeten zij niet lang wachten om ervan doordrongen te worden dat ze het niet kunnen: hun eigen heil bewerken, hun eigen heiligheid.
Maar het is ook, omdat moet blijken wie Jezus is. Jezus is onnavolgbaar, weergaloos, ongeëvenaard, volstrekt uniek. Daar waar Hij is, daar waar Hij helemaal Zichzelf is, zijn heerlijkheid openbaart, kan niemand Hem volgen. Petrus, de eerste volgeling, de eerste van het apostelcollege moet van Jezus, zijn Meester, horen: Juist gij zult Mij driemaal verloochenen. Dat Hij hem dat durft te zeggen! Dat Hij hem dat kan zeggen en toch in de relatie blijft, hem niet uitstoot, hem niet excommuniceert, dat is de waarheid van Jezus' liefde. Het verraad van Judas, de verloochening van Petrus, dat Jezus door iedereen in de steek gelaten wordt, onze ontrouw, ons eigen onvermogen om nieuw leven te blazen in de Kerk, in ons eigen hart, dat zijn openbaringen, Het openbaart dat wij onze redding alleen van God te verwachten hebben.