Dinsdag in het Paasoctaaf
Eerste lezing: Handelingen 2,36-41 [I 164]
Evangelie: Johannes 20,11-18 [I 165]


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Maria stond buiten bij het graf te schreien.
En al schreiend boog zij zich naar het graf toe
en zag op de plaats waar Jezus ' lichaam gelegen had,
twee in het wit geklede engelen zitten,
een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde.
Zij spraken haar aan: ”Vrouw, waarom schreit ge?”
Zij antwoordde: “ Zij hebben mijn Heer weggenomen
en ik weet niet waar zij Hem hebben neergelegd.”
Toen zij dit gezegd had, keerde zij zich om en zag Jezus staan,
maar zonder te weten dat het Jezus was.
Jezus zei tot haar: “Vrouw, waarom schreit ge? Wie zoekt ge?”
In de mening dat het de tuinman was, vroeg zij:
“Heer, mocht gij Hem hebben weggenomen,
zeg mij dan waar ge Hem hebt neergelegd,
zodat ik Hem kan weghalen.”
Daarop zei Jezus tot haar: “Maria!”
Zij keerde zich om en zei tot Hem in het Hebreeuws:
“Rabboeni!” - wat leraar betekent.
Toen sprak Jezus:
“Houd mij niet vast,
want Ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader,
maar ga naar mijn broeders en zeg hun:
Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader,
naar mijn God en uw God.”
Maria Magdalena ging aan de leerlingen berichten
dat zij de Heer gezien had, en wat Hij haar gezegd had.

Homilie  


Het evangelie van sint Jan maakt een sterk gestileerde indruk. Het heeft iets onthevens, ontheven aan de gewone, grillige, historische werkelijkheid. Sint Jan wordt dan ook voorgesteld als een adelaar: hoogvliegend, zich uitheffend boven het gewone en alledaagse, zich niet verliezend in details, maar de grote lijnen volgend.
Het lijkt wel een liturgisch spel: de typische gebaren die de eigen aard van deze mens tekenen, worden achterwege gelaten. Maar adelaars hebben goede ogen. Johannes heeft scherpe ogen voor de concrete historische werkelijkheid. Het vierde evangelie is tegelijk ook het meest historische evangelie. Het levert historische details die we bij de andere evangelisten niet aantreffen. Bijvoorbeeld de reizen naar Jeruzalem. Door de synoptici gestileerd tot één forse lijn, door Johannes vastgelegd zoals het was: drie reizen naar Jeruzalem. En de roeping van de eerste leerlingen.

Vandaag een combinatie van beide: in een fijn, tot in details geschilderd miniatuurtje schetst Johannes de ontmoeting tussen Jezus en Maria Magdalena, en daarin de verhouding tussen de mens en God. Hij houdt ons de verschijning van Jezus aan Maria Magdalena voor als een spiegel, waarin wij ónze ontmoeting met Jezus en Jezus' verhouding tot ons kunnen aflezen. Een verhouding van liefde, als een spel van liefde, van aantrekken en afstoten, van zich laten zien en zich verbergen. Daarom is het een echt paasevangelie: een blijde boodschap van overgang, van zoeken en schreien naar vinden en het noemen van lieve namen, een ommekeer van niet weten waar ze Hem hebben neergelegd naar een feestelijke herkenning.

Ieder van ons heeft zijn eigen naam, en zijn eigen geschiedenis met God: nu eens zie je er weer wat in, voel je je gedragen door zijn aanwezigheid - alles gaat als vanzelf - dan weer ben je de draad kwijt, tast je in het duister - je bent Hem kwijt - het huilen staat je nader dan het lachen. Vooral in het begin kunnen de stemmingen met een verbluffende snelheid wisselen.
Waarom schreit Maria eigenlijk? Waarom zitten wij in de put? Omdat zij, omdat wij, God zoeken als een dode, als een dood lichaam dat door mensen kan worden weggenomen en ergens anders neergelegd. Wij zoeken een lichaam dat wij kunnen aanraken en vasthouden. Daarom herkent Maria Magdalena Jezus niet. En wij ? Ook wij raken het spoor bijster, omdat wij op een of andere manier God zoeken in het beeld dat wij van Hem gemaakt hebben: een menselijk beeld van God. Geen wonder dat ook wij steeds opnieuw radeloos en zonder hoop staan aan het graf van onze aardse verwachtingen. Wij moeten Hem niet willen vasthouden, maar Hem laten opstijgen, Hem laten ontstijgen aan wat wij van Hem hebben gedacht en gehoopt, Hem laten opstijgen naar zijn Vader.