Dinsdag in het Paasoctaaf
Eerste lezing: Handelingen 2,36-41
Evangelie: Johannes 20,11-18


Inleiding  

'Water van wijsheid heeft Hij hun te drinken gegeven.' Met dit water wordt de heilige Geest bedoeld. Bij het doopsel worden wij door dit water met kracht van de heilige Geest versterkt, en die kracht ontplooit zich alleen nog maar verder en zal nooit meer aflaten.
'Voor eeuwig zal Hij hen verheffen, alleluja.' Dat woord 'alleluja' is gedurende de paastijd niet meer uit de lucht, het zal ons heel de paastijd blijven begeleiden. Trouwens, heel het jaar door zingen of zeggen we 'alleluja', want dat betekent: 'God lof', 'God zij geloofd'. Het is een beweging, de 'paas-beweging' die ons naar God brengt, die ons uit onszelf, uit onze 'ik-gevangenis' wegvoert naar God toe. Dat is het bewijs dat de operatie 'redding mensheid' is geslaagd en nog steeds bezig is te slagen.
Belijden wij dan onze schuld, dat dat niet echt helemaal aan ons is geschied, dat wij niet helemaal daaruit leven, dat onze vreugde niet totaal is.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Maria stond buiten bij het graf te schreien.
Al schreiend boog zij zich naar het graf toe
en zag op de plaats waar Jezus' lichaam gelegen had,
twee in het wit geklede engelen zitten,
een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde.
Zij spraken haar aan:
“Vrouw, waarom schreit ge?”
Zij antwoordde:
“Zij hebben mijn Heer weggenomen
en ik weet niet waar zij Hem hebben neergelegd.”
Toen zij dit gezegd had, keerde zij zich om en zag Jezus staan,
maar zonder te weten dat het Jezus was.
Jezus zei tot haar:
“Vrouw, waarom schreit ge?
Wie zoekt ge?”
In de mening dat het de tuinman was, vroeg zij:
“Heer, mocht gij Hem hebben weggenomen,
zeg mij dan waar ge Hem hebt neergelegd,
zodat ik Hem kan weghalen.”
Daarop zei Jezus tot haar:
“Maria!”
Zij keerde zich om en zei tot Hem in het Hebreeuws:
“Rabboeni!”  
wat 'leraar' betekent.
Toen sprak Jezus:
“Houd mij niet vast,
want Ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader,
maar ga naar mijn broeders en zeg hun:
Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader,
naar mijn God en uw God.”
Maria Magdalena ging aan de leerlingen berichten
dat zij de Heer gezien had,
en wat Hij haar gezegd had.

Homilie      

Vandaag is het in de Handelingen van de Apostelen Pinksteren, maar het is Pasen wat er geschiedt, en wel aan een groot gezelschap van ongeveer drieduizend mensen. De mensen die Petrus' getuigenis aannamen, lieten zich dopen. "Ongeveer drieduizend mensen, zo staat er, sloten zich bij hen aan." Waar sloten ze zich bij aan? Eigenlijk staat er letterlijk: werden bij hen geplaatst (door God). Het is een goddelijk gebeuren, een religieus gebeuren, en ook een massaal gebeuren, iets collectiefs. Een gebeuren waarbij het lijkt of de enkelingen ondergaan in de massa. Maar nee, zo is het niet. Wat aan velen geschiedt, geschiedt niet massaal, in een gebaar, maar aan ieder persoonlijk, de een na de ander. Zoals dat ook geschiedde aan Maria Magdalena in haar gesprek met Jezus, in een een op een relatie.

Het noemen van een naam en het noemen van een titel heeft iets intiems, iets persoonlijks. Jouw naam, en iedereen heeft er een, wordt uitgesproken op een unieke manier. Zoiets is er gebeurd bij die drieduizend mensen, bij álle volgelingen van Jezus, en dus ook bij ieder van ons. De Goede Herder is te herkennen aan zijn stem. Dat is wat we in de Handelingen van de Apostelen voor onze ogen zien gebeuren, want Pasen is niet een louter liturgisch feest dat gevierd wordt met een stel riten, symbolen en woorden, nee, in de liturgie van Pasen, in al die woorden en symbolen wordt een gebeuren gevierd, een overgang van niets naar alles.

Bij de toehoorders van Petrus' eerste preek ging er inderdaad een wereld ten onder: Jullie hebben, door de hand van goddelozen, Jezus aan het kruis genageld en gedood. Jullie hebben "Jezus die God én Heer én Christus heeft gemaakt, gekruisigd.” En “toen ze dit hoorden waren zij diep getroffen." Eigenlijk staat er letterlijk: 'toen werden ze tot in hun hart doorboord.' Het ging hun dwars door het hart; ze voelden zich reddeloos verloren. Er ging voor hen een wereld ten onder, de wereld van iets te zijn, van te horen bij het uitverkoren volk, van een zekere zelfgenoegzaamheid, van een zekere zelfrechtvaardiging. Zo van: wij zijn toch nette mensen, goede gelovigen. Ze waren van het ene moment op het ander nergens meer. In de Latijnse vertaling staat daar een woord dat u misschien wel kent: 'compunctie van het hart', 'vermorzeld van hart.'

Zo'n vermorzeling van hart gebeurde bij Jezus aan het kruis, op Goede Vrijdag. Pasen ís Goede Vrijdag. Pasen kan al gevierd worden op Goede Vrijdag; in het sterven van Jezus de overwinning vieren, de overwinning op de dood, dat het niet Jezus was die stierf, maar dat de dood is gestorven. In het sterven van Jezus beleven we de overwinning op de dood, dat Hij de dood in liefdevolle gehoorzaamheid aan de Vader heeft aanvaard.
Maar als je op Goede Vrijdag Pasen kunt vieren, dan kun je op Pasen ook Goede Vrijdag vieren, zoals wij dat vandaag in de Handelingen der Apostelen zien gebeuren. Want het eerste van Pasen is wat die mensen overkwam: een overtuiging van een eindeloze kleinheid, een diep doorvoeld gevoel van nietigheid van zichzelf, een gevoel nergens meer te zijn, alle grond onder de voeten weggeslagen, reddeloos in dit ontaarde geslacht. De manier voor ons om dat gevoel te krijgen, is je blik op te slaan naar het kruis. Dan krijgen we iets van wat die mensen daar te horen kregen: "Jezus, die jullie gekruisigd hebt." Door een gesprek te hebben met Jezus aan het kruis, zie je de afgrondelijke ernst van de zonde.

Maar aan het kruis zie je ook nog iets anders: de eindeloos barmhartige God! Het kwaad dat wij Hem aandeden, heeft Hij met liefde gedragen en ons van harte vergeven. Die twee samen, een gevoel van eindeloze kleinheid en verlorenheid én het besef van onze zonden, brengen de bekering tot stand: "Wee mij! Ik ben verloren! Ik ben een mens met onreine lippen, en ik woon onder een volk met onreine lippen" (Js 6,5), Ik woon bij een ontaard geslacht. Ook de ervaring van Paulus bij Damascus laat iets zien van die kleinheid en verlorenheid. Nadat Jezus tot Paulus gezegd had: "Ik ben Jezus, die gij vervolgt," viel hij van zijn paard en was nergens meer (Hnd 9,1-10). Een ander voorbeeld van bekering is die man met een schuld van tienduizend talenten, waarin wij als leerlingen van Jezus onszelf mogen herkennen (Mt 18,23-35). En Petrus, die bij het zien van de wonderbare visvangst tegen Jezus zei: "Heer, ga weg van mij, want ik ben een zondig mens" (Lc 5,8).

De oerervaring van Pasen is dus de oerervaring van het monniksleven, waarop ook uw (de zusters van Priorij Nazareth) regel (van Benedictus) is gevestigd en uitgedrukt wordt in het 'Jezusgebed': 'Heer, Jezus Christus, Zoon van God, wees mij, zondaar, genadig.' Dat is het gebed van de tollenaar. Die man was nergens meer: "God, wees mij, zondaar, genadig" (Lc 18,13).
Op genade en ongenade worden uitgeleverd aan de barmhartige liefde van God. Geen plek meer hebben om op te staan, zoals Petrus op de golven: "Heer, red mij" (Mt 14,30), en dan worden opgevangen. Een eindeloos gevoel van tederheid, van een barmhartige God. Je hebt dus twee gevoelens: het Goede Vrijdag-gevoel met je grondeloze zwakheid, en het Pasen-gevoel met Gods oneindige goedheid.

Je bent er niet omdat je zo goed bent, omdat je het waardig bent, maar omdat Hij zo goed is. Je bent rechtvaardig gemaakt. "Deze ging gerechtvaardigd naar huis", luidt het in de parabel van de tollenaar (Lc 18,14). Gerechtvaardigd, door wie? Door God!
Wij zijn allen één in de zonde. Wij zijn niet goed, maar wij zijn allen goed gemaakt, gerechtvaardigd en door God aangenomen als zijn kind.