Eerste lezing: Jesaja 7,10-14 [I 41]
Evangelie: Lucas 1,26-38 [I 42]
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
Toen Elisabeth zes maanden zwanger was
werd de engel Gabriël van Godswege gezonden
naar een stad in Galilea, Nazaret,
tot een maagd die verloofd was met een man die Jozef heette,
uit het huis van David;
de naam van de maagd was Maria.
Hij trad bij haar binnen en sprak:
Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u.
Zij schrok van dat woord
en vroeg zich af wat die groet toch wel kon betekenen.
Maar de engel zei tot haar:
Vrees niet Maria, want gij hebt genade gevonden bij God.
Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen
en gij moet Hem de naam Jezus geven.
Hij zal groot zijn
en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden.
God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken
en Hij zal in eeuwigheid koning zijn over het huis van Jakob
en aan zijn koningschap zal nooit een einde komen.
Maria echter sprak tot de engel:
Hoe zal dit geschieden daar ik geen man beken?
Hierop gaf de engel haar ten antwoord:
De heilige Geest zal over u komen
en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen;
daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht
heilig genoemd worden, Zoon van God.
Weet dat zelfs Elisabeth, uw bloedverwante,
in haar ouderdom een zoon heeft ontvangen
en, ofschoon zij onvruchtbaar heette,
is zij in haar zesde maand;
want voor God is niets onmogelijk.
Nu zei Maria:
Zie de dienstmaagd des Heren;
mij geschiede naar uw woord.
En de engel ging van haar heen.
Homilie
Zie, de jonge vrouw zal ontvangen en een zoon baren, en zij zal hem noemen 'Immanuel', 'God-met-ons.' Een koningskind als een levend teken van Gods trouw aan het Verbond. De titel 'Immanuel' is overgegaan op Jezus, want de engel heeft aan Jozef geboodschapt: Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw tot u te nemen; het kind in haar schoot is van de heilige Geest. Zij zal een zoon ter wereld brengen die gij Jezus moet noemen, want Hij zal zijn volk redden uit hun zonden. Dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden wat de Heer gesproken heeft door de profeet, die zegt: Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon ter wereld brengen en men zal Hem de naam Immanuël geven. Dat is in vertaling: God met ons" (Mt 1,20-23). Jezus is 'Immanuel', 'God-met-ons' in een nog veel vollere zin van het woord: Hij is die trouw van God, Hij is het 'ja' van God tot de mensen in eigen Persoon, in eigen goddelijke Persoon.
Maar hoe breng je zoiets over? Hoe beschrijf je het gebeuren van de menswording van de Zoon van God? Maak je er gewoon geschiedenis van, dan gaan de goddelijke dimensies van het geheim verloren. Maak je er een bovenmenselijk goddelijk geheim van, dan gaan de historische dimensies verloren. Of je maakt er een onderonsje van mensen van in plaats van een gebeuren van God met ons mensen, ofwel het goddelijke wordt geïsoleerd van de mensheid en menselijkheid van dit geheim. Nabijheid en verhevenheid zijn de schering en de inslag van dit geheim. Maar hoe vertel je dat zonder dat het één tekort doet aan het ander?
De evangelist doet het zo: De verhevenheid gaat voorop: "een engel van Godswege." Daarmee begint het. Maar zo eindigt het ook: "De engel ging van haar heen." Het geheim wordt geheel in goud gevat. Precies zoals de iconenschilder begint met op het geprepareerde hout een goudlaag te leggen om daarmee de achtergrond te geven van wát hij afbeeldt als ook van de activiteit zelf van het uitbeelden. God is de inhoud van zijn boodschap: "De Heer is met u." Goddelijk goud is de grondkleur van dit geheim.
Maar ook de vertrouwelijkheid hoort tot de grondkleur van dit geheim. De engel komt bij Maria binnen als gold het een burenontmoeting. Dat is het ook: een ontmoeting van buren. De engel treedt bij Maria binnen als was hij op zijn eigen terrein. Het is niet de apotheose van een Godsverschijning zoals bij Zacharia. Er is geen schrik of angst zoals bij Zacharias: "Toen Zacharias hem zag, ontstelde hij en werd door vrees bevangen." Wel staat er, dat Maria schrok van dat woord, maar dat zegt eerder iets van Maria's beschroomdheid, van haar bescheidenheid, van haar nederigheid. Maria dacht nooit over zichzelf na, zij dacht nooit aan zichzelf. Een steen kan niet strakker naar de aarde vallen als Maria's oog en hart naar God toegericht staan. En nu keert de engel het perspectief om en geeft aandacht aan de zelveloze. Hij geeft háár aandacht. Maria's reactie is dan in de geest van: 'Ik, uitverkoren?'
Maar dat stille, verborgene, onopvallende zegt ook iets over hoe diep God met zijn genade, zijn zelfmededeling wil gaan, niet in het gevoel, waarbij een sterke werking van zijn aanwezigheid wordt achtergelaten, maar die al spoedig vervaagt of vervlakt. Hij wil binnendringen tot in de substantie, als een vrucht in de schoot. Er vindt een transsubstantiatie plaats, een transformatie: Gods Geest neemt vlees en bloed aan in de schoot van Maria: "De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen en Gods Woord geschiedt aan Maria: Mij geschiede naar uw Woord."
Het is een geloofsgebeuren. Maria neemt het Woord van God op in haar hart zoals de winterakker het zaad opneemt. Dat er aan de oppervlakte zo weinig, ja helemaal niets gebeurt, is voor de boer juist een teken dat er zo veel in de diepte gebeurt. Zo beschouwd kunnen wij er zelfs vreugde in vinden dat we in de voorbereiding van Kerstmis in ons gevoel weinig of niets merken, want we mogen dat zien als een teken niet dat er niets gebeurt, maar dat er zoveel in de diepte gebeurt. Zo is het immers ook bij de transsubstantiatie, de zelfstandigheidverandering van brood en wijn in het Lichaam en Bloed van onze Heer. Zintuiglijk is er van die verandering niets waar te nemen. De verandering speelt zich af niet op het niveau van de zintuiglijk waar te nemen gedaante, maar op het niveau van de substantie. En dat is het niveau waar alleen de Schepper zelf bij kan. Maria mag ons helpen dit gebeuren dat nu aan ons gaat geschieden, met haar geloof te ontvangen.