Eerste lezing: Handelingen 5,27-33 [I 180]
Evangelie: Johannes 3,31-36 [I 181]
Inleiding
'Het maal van zijn gedachtenis wordt hier blij hernomen', zongen we in het openingslied. Het brood smaakt naar de omstandigheden waarin je het nuttigt. Verkeer je in droefheid dan smaakt het brood als tranenbrood. Maar verkeer je in blijdschap dan smaakt het brood naar leven. We verkeren in de Paastijd, blijdschap om het leven. Dit brood, dit paasbrood, smaakt naar eeuwig leven. Het volle leven, het echte leven met God. En alle symbolen worden hier bijeen gebracht om ons naar dat leven te verwijzen, zodat wij er ook echt uit gaan leven. Dat het bezit neemt van ons hart. En dat wij ook leven uit het Woord dat wij nu gaan ontvangen en uit zijn zelfgave de heilige Geest.
Belijden wij dan eerst onze schuld, dat wij ons nog zo vastklampen aan dit leven, het leven van hier en nu, en dat wij nog zo weinig ontvankelijk zijn voor zijn leven, het eeuwige leven en voor zijn woorden van eeuwig leven.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd zei Jezus tot Nikodémus:
Wie van boven komt, staat boven allen.
Wie van de aarde is,
behoort tot de aarde en spreekt de taal van de aarde.
Wie uit de hemel komt, staat boven allen.
Hij legt getuigenis af van wat Hij zag en hoorde,
maar toch aanvaardt niemand zijn getuigenis.
Wie zijn getuigenis wel aanvaardt,
bezegelt daarmee dat God waarachtig is.
Want Hij, die door God gezonden is,
spreekt Gods eigen woorden:
zo mateloos schenkt God zijn Geest.
De Vader heeft de Zoon lief
en heeft Hem alles in handen gegeven.
Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven.
Wie weigert in de Zoon te geloven, zal het leven niet zien,
integendeel, de toorn Gods blijft op hem.
Homilie
Hij, die door God gezonden is, spreekt Gods eigen woorden: zo mateloos schenkt God zijn Geest." Hier heb je de drie goddelijke Personen in één vers, in één zin. Jezus is door God gezonden als zijn eigen Woord. "Hij die door God is gezonden spreekt Gods eigen woorden." Geen wonder, want Hij is het eigen Woord van God. God heeft Zich in Jezus zo helemaal uitgesproken, dat wij daardoor aan Gods eigen Geest deelachtig zijn geworden. "Zo mateloos schenkt God zijn Geest." De Vader zendt de Zoon in de eenheid van de heilige Geest.
Dit is zo verheven, zo hoog, hemelhoog, zoals Jezus dan ook zegt: "Wie van boven komt, staat boven allen. Wie van de aarde is, behoort tot de aarde en spreekt de taal van de aarde. Wie uit de hemel komt, staat boven allen." Hoog, dat is het geheim van de allerheiligste Drievuldigheid. Het gaat mij te hoog, zeggen de mensen. Maar gewone mensen, zoals de apostelen, leven van dat geheim van de allerheiligste Drie-eenheid. In de eerste lezing zeggen ze: "De God van onze vaderen, de Vader dus, heeft Jezus ten leven gewekt.
En van dit alles zijn wij getuigen, maar ook de heilige Geest die God geschonken heeft aan die Hem gehoorzamen." Dit komt uit de mond van eenvoudige mensen, lang voordat het geheim van de allerheiligste Drievuldigheid werd geformuleerd. Het wordt door gewone mensen uit de volheid van hun hart zomaar uitgesproken.
Blijkbaar wordt het geheim van de allerheiligste Drie-eenheid eerst geleefd door de heilige Geest, en dan pas gedacht en geformuleerd. Blijkbaar is dat zoiets als het leven zelf, waarmee we aan het begin van deze eucharistieviering zijn begonnen: 'cibavit', voedsel, voor het leven, voor het goddelijke leven, voor het leven van de allerheiligste Drie-eenheid. Ook dat werd genoten voordat men het geheim van de eucharistie helemaal doordacht had. Het leven gaat voor de reflexie, het hart gaat voor het verstand. Het hart is vervuld van de heilige Geest, daar heeft God voor gezorgd. "Hij heeft de Geest van zijn Zoon, de heilige Geest, in ons hart uitgestort en daar roept Hij Abba, Vader!" (Gal 4,6) Dat roepen van Abba, Vader, is een uitdrukking van het levensgevoel, van een gevoel van: God is Vader, Hij is liefde en macht ineen. Hij kan uit alle situaties nog iets maken, maar Hij doet dat vanuit liefde. Er is in God geen andere macht dan de macht van de liefde.
De leerlingen stonden voor de onmogelijke opdracht, menselijk gezien onmogelijk, om het geheim van de allerheiligste Drievuldigheid, zoals het in Jezus' kruisdood vorm heeft gekregen en is geopenbaard, aan de mensen van het volk te verkondigen, en eveneens aan de machthebbers die zich schuldig hadden gemaakt aan die kruisdood, want dezen probeerden zich er van af te maken: "Bovendien wilt gij ons het bloed van die man aanrekenen." Wat een onmogelijke opdracht! Ze werden onder druk gezet, ze mochten die Naam niet uitspreken, ze mochten niet zeggen wat er, hoe je het ook wendt of keert, in de kracht van die Naam was gebeurd. En wat zeiden de leerlingen? "Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen." Hoe zouden wij aan de mensen meer gehoorzamen dan aan God?! Aan Hem zijn wij gehoorzaamheid verschuldigd, want wij staan op de plaats van de Zoon. We worden door een geweldige macht, de macht van de liefde, de Geest die in ons hart is uitgestort, gedreven om aan God te gehoorzamen. Aan de Vader die zijn Zoon heeft opgewekt uit de dood, en die zijn Geest in ons hart heeft uitgestort.
Wat zijn wij klein en wat zijn wij machtig. Wij worden bijgestaan door de heilige, goddelijke Drie. Zij zijn nooit alleen en wij zijn nooit alleen. Zij geven ons het voedsel daar wij aan eigen kracht tekort schieten.