Donderdag in het Paasoctaaf
Eerste lezing: Handelingen 3,11-26
Evangelie: Lucas 24,35-48


Inleiding  
 

'Heer, uw hand heeft de overwinning behaald.' Hier wordt geen verpletterende overwinning, een overwinning die de vijand verplettert, bedoeld, en ook geen Pyrrusoverwinning, een overwinning die zoveel inspanning heeft gekost, dat het overwinnende land uitgeput achterblijft. Nee, wij hebben de kracht gekregen van dé Overwinnaar, de heilige Geest. Kracht in ledematen, kracht in het hart. 'De wijsheid heeft sprakelozen de mond geopend en onmondige kinderen doen spreken.'
Dat is ons heilig geloof, dat is Pasen. Vandaag, op de donderdag onder het octaaf van Pasen, brengen wij ons die sympathieke wijze van overwinnen van Jezus te binnen, opdat wij daarvan mogen leven.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd vertelden de leerlingen wat er onderweg gebeurd was
en hoe Jezus door hen herkend werd  
aan het breken van het brood.
Terwijl ze hierover spraken,
stond Hijzelf plotseling in hun midden en zei:
“Vrede zij u.”
In hun verbijstering en schrik meenden zij een geest te zien.
Maar Hij sprak tot hen:
“Waarom zijt ge ontsteld
en waarom komt er twijfel op in uw hart?
Kijkt naar mijn handen en voeten:
Ik ben het zelf.
Betast Mij en kijkt:
een geest heeft geen vlees en beenderen,
zoals ge ziet dat Ik heb.”
En na zo gesproken te hebben
toonde Hij hun zijn handen en voeten.
Toen ze het van vreugde en verbazing niet konden geloven,
zei Hij tot hen:
“Hebt ge hier iets te eten?”
Zij reikten Hem een stuk geroosterde vis aan;
Hij nam het en at het voor hun ogen op.
Hij sprak tot hen:
“Dit zijn mijn woorden,
die Ik tot u sprak, toen Ik nog bij u was:
Alles wat over Mij geschreven staat in de Wet van Mozes,
in de profeten en psalmen moet vervuld worden.”
Toen maakte Hij hun geest toegankelijk
voor het begrijpen van de Schriften.
Hij zei hun:
“Zó spreken de Schriften over het lijden en sterven van de Messias
en over zijn verrijzenis uit de doden op de derde dag,
over de verkondiging onder alle volkeren,
van de bekering en de vergiffenis der zonden in zijn Naam.
Te beginnen met Jeruzalem moet gij van dit alles getuigen.”

Homilie    

“In die tijd vertelden de leerlingen wat er onderweg gebeurd was en hoe Jezus door hen herkend werd aan het breken van het brood. Terwijl ze daarover spraken stond Hijzelf plotseling in hun midden",
in levende lijve. Dat kan je ook in het gebed overkomen. Je hebt ideeën, gedachten over Jezus, vrome gedachten en ineens is Hij er zelf, is Hij werkelijk tegenwoordig. Wat een verschil! Maar wat is nu dat verschil? Dat ligt daarin, dat je het eerst zelf doet, het eerst zelf maakt, aan de slag gaat met eigen inspanning en eigen denkwerk, natuurlijk altijd vanuit wat de Kerk ons voorgegeven heeft: de traditie, het evangelie, maar dat je datgene wat je eruit haalt, met eigen kracht doet en bewerkt, met je eigen voorstellingsvermogen.
Echter als Jezus Zichzelf aan je meedeelt, als Hij je raakt, je in zijn greep neemt, de greep van de heilige Geest, dan houdt de zelfwerkzaamheid op, dan is er ook geen afstand meer, maar eenheid, iets van versmelting, met als gevolg dat het gebed je geen inspanning meer kost, maar het rustig aan je kunt laten gebeuren. Het is een soort uitrusten in Hem, Hij neemt het initiatief. Je kríjgt kracht, in plaats van dat je kracht moet opbrengen, dat het je kracht kost.

Wat voedsel is voor je lichaam, dat is Jezus voor je hart. Als je van Hem leeft, leef je van het Woord van God. Dat overkomt je, je kunt het niet zelf maken, je kunt het ook niet reproduceren; je kunt eraan terugdenken als een feit, maar het feit zelf kun je niet opnieuw maken, je kunt er niet een kopie van maken in je geest. Jezus laat Zich niet kopiëren, en dat hoeft ook niet, want Hij is er altijd zelf. "Zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld" (Mt 28,20). Je zou ook kunnen zeggen: Jezus bestaat alleen maar in het echt.

De lezingen van vandaag zijn er vol van dat zoiets mogelijk is, dat in onze werkelijkheid dingen gebeuren vanuit de werkelijkheid van God, dat God binnentreedt in onze geest, in ons hart. Neem nu bijvoorbeeld de lamme uit de eerste lezing. Deze lamme wordt genezen en doet het hele volk te hoop lopen, niet rond hemzelf en het werk dat er aan hem gebeurd is, maar rond Johannes en Petrus, alsof zij, zo zeggen ze het zelf, "uit eigen kracht of vroomheid bewerkt hebben” dat die lamme loopt. Nee, omwille van Jezus, “omwille van het geloof in zijn Naam heeft zijn Naam weer kracht gegeven aan deze man die ge ziet en kent.” … “Bekeert u dus tot Jezus en hebt berouw", laat jullie dopen in zijn Naam, dan komt diezelfde kracht van God in jullie leven. Dan zullen jullie zelf opstaan uit de verlamming van de zonde, van het goddeloze leven, van het leven uit eigen kracht.

Precies zo was het in de ontmoeting van Jezus met zijn leerlingen. Eerst spraken zij óver Hem en toen ... "stond Hijzelf plotseling in hun midden." Ze schrokken ervan en meenden een geest te zien, een geest zonder vlees en beenderen, een product van eigen fantasie. "Waarom komt er twijfel op in uw hart?", vraagt Jezus aan hen. Eigenlijk staat er: waarom komen er gedachten op in uw hart, bedenkingen, waardoor je uit je hart weggaat naar je verstand, waardoor er een verbreking komt van de eenheidservaring. In het woord twijfel zit het woord 'twee'. Hun geest was één in de ongebroken ervaring van Jezus, maar wordt gebroken door het denken, wordt in tweeën. De gave geloofsintuïtie wordt een gedachte, een bedenking en daardoor ontstaat twijfel.

Arme mensen die in het gebed met te veel verstand te werk gaan. De werkzaamheid van het verstand doorbreekt de eenheidservaring van het gebed, van Jezus' vereniging met ons, van onze vereniging met Hem. Je hoeft je verstand niet op nul te zetten, maar je moet je verstand op een afstand houden, je moet het laten voor wat het is, de gedachten laten zoals ze zijn. Het gebeurt wel eens, dat mensen, als ze gebeden hebben, als ze een viering hebben meegemaakt, als ze in aanbidding zijn geweest, zich op een gegeven ogenblik afvragen: 'Geloof ik eigenlijk wel?' Ze hebben daar dan geen antwoord op, want geloof is een eenheidservaring, een totaliteit, en de gedachte: 'Geloof ik eigenlijk wel?' verbreekt die eenheidservaring. Je moet het daarom laten voor wat het is en op zulke momenten niet denken: ik geloof dus eigenlijk niet, nee, je bent op het ogenblik bezig op de golflengte van het verstand en daarmee verlaat je het contact met je geloofservaring.

"Kijk naar mijn handen en voeten" met de wonden van mijn liefde, met de bewijzen dat mijn liefde niet gemaakt maar echt is. Maar zelfs dat kijken was nog niet genoeg, ze moesten kijken met hun handen, dat wil zeggen: de afstand verkleinen, het nog dichter naar zich toebrengen. "Betast Mij en kijk." Pas dan, als ze echt helemaal hun hart verzadigd hebben met zijn werkelijke aanwezigheid, kan Jezus het onderricht geven.
Met onze woorden: Ik maak deel uit van de geschiedenis van Israël, een geschiedenis van Gods ingrijpen in de wondere wereld van God. Ja, Ik ben er de vervulling van, de voltooiing, de kroon op het werk. "Toen maakte Hij hun geest toegankelijk voor het begrijpen van de Schriften." Wat de Schriften bevatten, is het werk van God, geïnspireerd door de heilige Geest van God. Het is authentiek. Dat zeggen we toch: de authentieke geschriften, geschriften die echt van God komen en naar Jezus verwijzen. Jezus is authentiek, maar Hij is ook echt van God. Het is niet iets wat Hij zelf bedacht heeft, zijn zending, zijn verkondiging; "de Schriften spreken over de verkondiging onder alle volkeren.”

“Te beginnen met Jeruzalem moet gij van dit alles getuigen."
Maar dat gaat de menselijke kracht toch verre te boven. Inderdaad! "Daarom zend Ik tot u wat door mijn Vader beloofd is; blijft dus in de stad totdat gij uit den hoge met kracht zult zijn toegerust.”
Hetgeen de engel tegen Maria gezegd heeft: “De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen" (Lc 1,35), dat komt nu over de hele Kerk, te beginnen met de apostelen, maar ook over ons, over u. We worden door de heilige Geest in God ingeschapen, we worden in Hem opgenomen, zoals Jezus. Dát mogen wij in de verkondiging horen en in de viering mag dat opnieuw aan ons geschieden.