Eerste lezing: Deuteronomium 30,15-20
Evangelie: Lucas 9,22-25
Inleiding
De woorden van het openingslied laten ons zien hoe laat het is: 'God zelf is mijn helper geworden'; iemand zegt: Iedereen heeft zijn handen van mij afgetrokken. Ik sta helemaal alleen. Op zo'n moment is er in mensen een licht opgegaan, dat, als de mensen hen in de steek gelaten hebben, God zijn kracht en zijn beschermende liefde over hen vaardig laat worden. Dat willen we vandaag op deze donderdag aan onze gemeenschap laten gebeuren.
Het is Jezus van wie men de handen heeft afgetrokken, die men in de dood heeft gestoten, en toen is God zelf zijn Helper geworden. Als we dat samen vieren, gebeurt datzelfde ook aan ons. We krijgen leven van achter de dood; het leven van achter de dood wordt hier tegenwoordig gesteld.
Belijden wij dan eerst onze schuld, dat we dat moment om op God alleen te vertrouwen altijd zo lang mogelijk proberen uit te stellen.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
De Mensenzoon moet veel lijden
en door de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden
verworpen worden,
maar na ter dood te zijn gebracht,
zal Hij op de derde dag verrijzen.
Maar tot allen sprak Hij:
Wie mijn volgeling wil zijn,
moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen
en door elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen.
Want wie zijn leven wil redden zal het verliezen.
Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, die zal het redden.
Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen,
als hij zichzelf hierdoor zijn ondergang en dood berokkent?
Homilie
Naar Gods geboden luisteren, zijn wegen gaan, zijn geboden, voorschriften en bepalingen nakomen. Is dat nu leven? Maakt dat nu het leven uit? Dat is wat de schrijver in de eerste lezing zegt: "Ik houd u vandaag het leven en het geluk voor." Is het niet juist zo dat je gelukkig bent omdat je vrij bent? Omdat je niet van alles en nog wat moet, zoals: geboden, regels, voorschriften en bepalingen onderhouden.
Nu moet u zich die regels, geboden, bepalingen en voorschriften voorstellen als héél de wijze van leven die het Joodse volk erop na hield, waardoor zij zich aftekenden tegen de naburige volkeren. Dat hoorde bij hun God, zoals het leven van de nabuurvolkeren bij hún goden hoorde. Ze hadden een heel stelsel van bepalingen, voorschriften en geboden, allerlei soorten wetten, cultische en morele, die als geheel het volk van God uitmaakten. Als je díe onderhield, dan hoorde je erbij. Zette je één stap daarbuiten, dan hoorde je niet meer bij dit volk, dan hoorde je bij een ander volk, bij andere goden.
Er is een eenheid tussen God en zijn volk, zoals er een eenheid ontstaat tussen twee partners die een verbond aangaan en daarmee samen een soort familieband aangaan. De een neemt de ander op in zijn persoonlijke sfeer en daarom komt er aan het verbond met God ook bloed te pas, dat wil zeggen de levenskracht van de een wordt ook de levenskracht van de ander. "Gij zult mijn eigendom zijn" (Ex 19,5). Israël is het privé-bezit van de Heer. Buiten de eigenaar is het bezit niet veilig. Als je zijn wegen niet bewandelt, zul je niet lang in het land blijven, horen we vandaag.
Wat betekent dit nu voor ons, die weg gaan van Jezus, van wie wij de bloedverwanten zijn geworden, in wiens Lichaam wij zijn opgenomen, door wiens Bloed wij zijn besprenkeld? Onze weg is de weg van Jezus; we moeten achter Jezus aan; leven omwille van Jezus. Op die weg worden alle andere bekoringen en dwaalwegen samengevat in: jezelf verloochenen, je leven geven. "Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij, in de eenheid met Mij, die zal het redden."
Hij helpt je niet van het lijden af, maar Hij helpt je er doorheen en doordat Hij je er doorheen helpt, helpt Hij je van je 'ik' af. Daarom: jezelf verloochenen. Door versterving en zelfverloochening kom je los van jezelf, zodat je vrijkomt voor Hem. Hier wordt de negatieve kant benadrukt, maar er wordt ook al iets opgeroepen van de positieve kant. Als je nu zou moeten kiezen tussen de dingen, de schatten van deze wereld en je zou die zo hoog opstapelen dat ze heel de wereld zouden omvatten, alle geluk van de wereld omvatten, dan weegt dat nog niet op tegen het geluk van een mens die leeft in verbondenheid met Hem. Als alles je wordt afgenomen, dan héb je juist alles: Hem. Al heeft iemand buiten God om alles, dan heeft hij nog alleen maar z'n ondergang en de dood. "Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen, als hij zichzelf hierdoor zijn ondergang en dood berokkent." Daar loopt het op uit, net als bij Mozes. Je gaat dood zónder God, maar je krijgt leven en geluk mét Hem.