Doop van de Heer
                           Zondag na de Openbaring van de Heer


Eerste lezing: Jesaja 42,1-4,6-7 [B 37]; antwoordpsalm: Psalm 29,1a.2.3ac-4.3b.9b-10 [B 37]
Tweede lezing: Handelingen 10,34-38 [B 38]; vers voor het evangelie: Marcus 9,8 [B 39]
Evangelie: Marcus 1,7-11 [B 39]


Inleiding    

Vandaag, op het feest van het Doopsel van onze Heer Jezus in de Jordaan, laat de Kerk als intredelied zingen: 'Gij hebt de rechtvaardigheid bemind en de ongerechtigheid gehaat.' Wat heeft dat nu met Jezus' doop van doen? Wat moeten wij ons daar bij voorstellen? Ongerechtigheid is zelfverheffing. Gerechtigheid is het tegenovergestelde, zelfvernedering. Door Zichzelf te vernederen, door Zich door Johannes te laten onderdompelen in het waterbad van onze zonden, maakt Hij de zonde goed, gaat Hij voor in het nieuwe menszijn. Het doopsel is zelfvernedering tegenover zelfverheffing, en dat wordt direct gevolgd door verheffing door de Vader. "God heeft Hem gezalfd met de heilige Geest” en aangenomen als zijn Kind. “Gij zijt mijn Zoon, mijn veelgeliefde; in U heb Ik welbehagen."
Zoals u weet, beginnen wij de zondagse eucharistieviering altijd met de viering van ons doopsel. Als we dat vandaag nu eens doen in dezelfde geest van Jezus, in een geest van vernedering. We hoeven ons niet kleiner te maken dan we zijn, maar zo klein als we zijn, daaruit worden we dan opgeheven. We worden niet opgeheven uit het niets van de schepping, maar uit het dubbele niets van de zonde.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd predikte Johannes:
“Na mij komt die sterker is dan ik
en ik ben niet waardig mij te bukken
en de riem van zijn sandalen los te maken.
Ik heb u gedoopt met water,
maar Hij zal u dopen met de heilige Geest.”
In die tijd vertrok Jezus uit Nazaret in Galilea
en liet Zich in de Jordaan door Johannes dopen.
En op hetzelfde ogenblik dat Hij uit het water opsteeg,
zag Hij de hemel openscheuren
en de Geest als een duif op Zich neerdalen
en er kwam een stem uit de hemel:
“Gij zijt mijn Zoon, mijn veelgeliefde;
in U heb Ik welbehagen.”

Homilie    

“In U heb Ik welbehagen."
Waar hebben we dat woord 'welbehagen' onlangs nog gehoord? Zongen de engelen dat niet in de kerstnacht? "Eer aan God in den hoge en op aarde vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft” (Lc 2,14). Datzelfde wordt vandaag over Jezus gezegd, maar nu door de Vader zelf: “gij zijt mijn Zoon, mijn Veelgeliefde, in U heb Ik welbehagen."

Diezelfde eer, datzelfde welbehagen, ontvangen wij ook. Doordat de Vader Jezus aanneemt in zijn welbehagen, worden ook wij kinderen van Gods welbehagen. Dat gebeurt in een ritueel, in het ritueel van het doopsel. In dat ritueel zijn alle elementen van ons heilig geloof in een kort verband samengevat. Het is geen zelfverheffing, maar een verheffing door God, een goddelijke verheffing. Het is de Vader die het zegt, Jezus zegt het niet zelf. Het is de Vader die het doet, Jezus doet het niet zelf. Hij doet het tegenovergestelde van zelfverheffing, Hij vernedert Zichzelf volgens het woord waarin heel de heilseconomie wordt samengevat: "Wie zichzelf verheft, zal vernederd worden (door God), en wie zichzelf vernedert, zal verheven worden" (door God) (Mt 23,11; vgl. Lc 14,11; 18,14).

Voorafgaand aan de verheffing door zijn Vader wordt Jezus eerst door Johannes de Doper verheven. Hij wordt aangekondigd als de Sterkere, met goddelijke waardigheid en goddelijke verhevenheid bekleed: "Ik ben niet waardig mij te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken." Dat is een slavengebaar en zelfs daartoe voelde Johannes de Doper zich niet waardig bij Jezus te doen. Hij ziet in Hem dus méér dan alleen maar een mens.

Als Jezus dan komt, waar komt Hij dan vandaan? "In die tijd vertrok Jezus uit Nazareth in Galilea.” Nazareth was een onbekend gehucht en voor zover het bekendheid had had het geen goede klank. “Uit Nazareth, kan daar iets goeds vandaan komen?” (Joh 1,46). Galilea had een bijklank, het had iets heidens. Hetzelfde woord als heiden zit er ook in dat woord Galilea en door de profeet Jesaja werd het dan ook genoemd: “Galilea van de heidenen!" (Js 8.23). Het is het land van slecht volk, geen goede reclame is als je daar vandaan komt.

Jezus is buitengewoon gewoon. En dan komt nu eindelijk de doorbreking van dat gewone bestaan. Hij liet Zich dopen. Dat is nu net wat iedereen deed. "Hij liet Zich in de Jordaan door Johannes dopen”, zo hoorde u zo-even voorlezen. Dat was nu net het gewone. “Johannes trad op in de woestijn en doopte; hij preekte een doopsel van bekering tot vergiffenis van de zonden. Heel de landstreek Judea en alle inwoners van Jeruzalem trokken naar hem uit en lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl zij hun zonden beleden" (Mc 1,4.5). Iedereen deed er aan mee en Jezus liet Zich opnemen in die stoet, in die rij, heel gewoon, als een van de velen, een nummer. Op een gegeven ogenblik was ook Hij aan de beurt en Hij liet Zich door Johannes dopen. Heel gewoon, precies zoals zijn spiegelbeeld van het Oude Verbond Hem had afgeschilderd. U heeft dat zo-even in de eerste lezing uit de mond van de profeet Jesaja kunnen horen: "Hij roept niet, Hij schreeuwt niet en op straat verheft Hij zijn stem niet." Wat Jezus betreft dus geen zelfverheffing, maar zelfvernedering, door te delen in het gewone menselijke bestaan met zijn grenzen, met zijn kwaad, met zijn zonde. Zo staat Jezus daar  moederziel alleen, maar ook nog zonder Vader, zonder zijn hemelse Vader, want Hij staat daar als een lam, zoals Johannes de Doper Hem heeft aangewezen: "Zie, het Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt" (Joh 1,29). En Hij neemt de zonden weg door ze weg te dragen, met eindeloos geduldige liefde. Hij draagt onze zonden als een lam dat naar de slachtbank wordt geleid (vgl. Js 53,7). Dat betekent: ten einde toe. Hij laat er Zich door verpletteren.

Dat gebeurt dan wel later bij zijn kruisdood, maar nu al in deze ritus van het doopsel vindt de inwijding plaats tot dat bestaan, tot die zending. Het is het al helemaal. Het is de inwijding van het boetebestaan dat voltooid wordt door de hoogste boete-act: zijn lijden en zijn dood. Dat wordt door Hem ook aangeduid als een doopsel: "Ik moet een doopsel ondergaan, en hoe beklemd voel Ik Mij totdat het volbracht is" (Lc 12,50).

"Op hetzelfde ogenblik dat Hij uit het water opsteeg, zag Hij de hemel openscheuren”, ging boven Hem de hemel open. Dat is een uitdrukking voor: God ging open. God opende Zich “en de heilige Geest in de gedaante van een duif daalde op Hem neer en een stem uit de hemel sprak: dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde." Zelfvernedering wordt onmiddellijk gevolgd door verheffing door God. Het is het gewone patroon van heel de heilsgeschiedenis, van heel ons leven, en we kunnen het elk moment opnieuw beleven. Als je jezelf verheft kom je ten val. Hoogmoed komt tot val. Maak je je groot, groter dan je bent, groter dan de anderen, dan leidt dat altijd tot val, tot teleurstelling, tot een vernedering. Maar ga je tegen die beweging van de zonde in, voeg je je in in de beweging van het heil, dan moet je beginnen met je kleiner te maken, je te vernederen tot daar waar je eigenlijk vandaan komt: uit het niets, uit het niets van de zonde. Op dat dieptepunt moet je beginnen, om je dan te laten opnemen in de dynamiek van de heilsgeschiedenis, de dynamiek van de heilige Geest. Dan zal de heilige Geest komen, Hij zal je zalven en je opnemen als kind van God. Dat is ons heilig geloof, zoals we iedere keer belijden in het Credo.