Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 13 | naar de Jordaan tot Johannes om zich door hem te laten dopen. |
| 14 | "Ik heb úw doopsel nodig, en Gij komt tot mij?" |
| 15 | "Laat het nu zijn; want zo past het ons al wat is vastgesteld te volbrengen." Toen liet hij Hem toe. |
| 16 | steeg Hij terstond uit het water. En zie, daar ging de hemel open en Hij zag de Geest Gods neerdalen in de gedaante van een duif en over Zich komen. |
| 17 | "Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb." |
| Matteüs 3, 13-17 |
Ermee beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem die - blijkens het evangelie - het initiatief neemt. Niet ík hoef de hemel open te maken, nee, de hemel gaat uit zichzelf open: "En zie, daar ging de hemel open." De liefde van God voorkómt mij.
Een paar passen voor de plaats waar ik ga bidden, breng ik me eerst staande zijn tegenwoordigheid te binnen; zien hoe Hij mij ziet, zoals Hij zijn eniggeboren Zoon zag: "mijn veelgeliefde, in Wie Ik welbehagen heb." Mijn gevoelens van eerbied en liefde breng ik tot uiting in een gebaar van eerbied.
Dan neem ik de houding van het gebed aan, liggend, zittend
of geknield, maar zo min mogelijk bewegen, zodat ik vrij kom voor
de innerlijke bewegingen die ook Jezus hebben bewogen om "al wat
is vastgesteld te volbrengen." In deze houding vraag ik om de
genade, dat evenals bij Jezus al mijn bedoelingen, daden
en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van
zijn goddelijke Majesteit.
Dit gebed kan mij doen groeien in de
houding van gehoorzame dienaar en van "veelgeliefd" kind van God.
Ik overzie de geschiedenis waarin God zijn liefde meedeelt
aan Jezus, aan ons, aan mij:
Om te voorkomen, dat ik in mijn eigen gedachtenwereld blijf
hangen, stel ik mij ook de plaats voor ogen waar dit
geheim zich heeft afgespeeld: de Jordaan, een lage plaats in het
landschap, en ook het kruis zien waarvan dit doopsel een
voorafbeelding is, de laagste plaats. En ook mijn eigen
geestelijke plaats zien: als (aangenomen) kind van God in wie de
Vader van Jezus welbehagen heeft: "op aarde vrede onder de mensen
in wie Hij welbehagen heeft" (Lc 2,14), maar ook de
plaatsen van vernedering of kleinering zien, waar ik het doopsel
van Jezus moet ondergaan.
Wil ik echt vooruitgang maken in het geheim door de liefdevolle
beschouwing, dan moet ik om de bijzondere genade vragen,
dat ik Jezus de Heer mag leren kennen met een innerlijke kennis,
dat is een liefdevolle kennis die mij engageert tot navolging.
In die tijd kwam Jezus uit Galilea naar de Jordaan
tot Johannes om zich door hem te laten dopen. Maar Johannes wilde
Hem tegenhouden met de woorden: "Ik heb uw doopsel nodig, en Gij
komt tot mij?"
De omgekeerde wereld: Jezus die naar Johannes "komt"; Hij die
groter moet worden, komt als leerling bij hem die kleiner moet
worden. Tot iemand "komen" betekent zoveel als iemands leerling
worden. Jezus nodigt ons allemaal uit om zijn leerling te worden
met de woorden: "Komt allen tot Mij, die uitgeput zijt en
onder lasten gebukt gaat, en Ik zal u rust en verlichting
schenken" (11,28). Geen wonder dat Johannes reageert met: "Ik heb
úw doopsel nodig, en Gij komt tot mij?"
De doper kent het tekort van zijn eigen doopsel maar al te goed:
"Ik doop u met water... Hij zal u dopen met de heilige Geest en
met vuur" (3,11). Het is de Geest die hem ontbreekt en die
verbonden is aan het doopsel van Jezus. Toen de leerlingen van
Johannes de Doper dit eenmaal gewaar werden, lieten zij zich
dopen in de Naam van de Heer Jezus. Want zo staat het in de
Handelingen: "in het binnenland in Efese... ontmoette hij
(Paulus) enige leerlingen, aan wie hij vroeg: Hebt gij de heilige
Geest ontvangen, toen ge het geloof hebt aangenomen? Zij
antwoordden: Wij hebben niet eens gehoord dat er een heilige
Geest bestaat. Toen zei hij: Hoe zijt ge dan gedoopt? Ze
antwoordden: Met het doopsel van Johannes... Toen zij dit gehoord
hadden, lieten zij zich dopen in de naam van de Heer Jezus. Nadat
Paulus hun de handen had opgelegd, kwam de heilige Geest over
hen" (Hand 19,1-16). Als de Doper en wij het doopsel van Jezus
nodig hebben, betekent dit, dat wij de Geest nodig hebben. Is de
heilige Geest, dat wil zeggen de verbondenheid met God, mij
werkelijk tot een levensbehoefte? Wanneer ontstaat deze behoefte
naar de heilige Geest in iemand? Deze behoefte wordt in ons
wakker in de mate, dat wij vinden dat er "maar weinig nodig is,
eigenlijk maar één ding" (Lc 10,42).
Als wij dan Jezus' doopsel zo nodig hebben, wordt de vraag des te
klemmender waarom Jezus dan tot Johannes komt.
Jezus antwoordde: "Laat het nu zijn; want zo past het
ons al wat is vastgesteld, te volbrengen". Toen liet Johannes Hem
toe.
Het antwoord begint nogal berustend of beter "ge-laten": "Laat het nu zijn." Dat is zoveel als: geef het uit handen. Jezus leert ons ge-latenheid. Hij leert ons te laten: "huis, broers, zusters, vader, moeder, vrouw, kinderen, akkers" (19,29), het kwaad van de broeder laten (= vergeven), tot zeventigmaal zevenmaal (19,22), zijn wil (6,10), zijn oordeel (7,1-5), zijn zorgen (6,25-34), zichzelf, zijn leven, heel de wereld (16,24-26). Hier vraagt Jezus aan Johannes dat hij zijn Messias-opvatting zou "laten", een Messias die in Johannes' opvatting juist niets zou laten, niets heel zou laten, maar een grondige zuivering zou doorvoeren. Dit beeld moet gecorrigeerd worden door een Messias die wat moet: "want zo past het ons al wat is vastgesteld te volbrengen." Dat is de onvervalste, oorspronkelijke wet van God: waarvan Jezus de vervulling kwam brengen (5,17). Hier in de Jordaan maakt Jezus duidelijk, dat het zijn levensopgave is om zich bij de zondaars aan te sluiten. Van nu af aan zal Hij deze solidariteit steeds uitputtender beleven, tot zij aan het kruis openbaar wordt als een sterven aan hen: "om de zonden van het volk uit te boeten" (Hebr 2,17). Zo is dit eerste doopsel voorteken, initiatie van die andere: "Ik moet een doopsel ondergaan, en hoe beklemd voel Ik Mij totdat het volbracht is" (Lc 12,50; zie ook Mc 10,38). Evenals dat bloed-doopsel staat ook dit water-doopsel in het teken van het moeten. Jezus heeft zijn doopsel door Johannes ervaren "als beeld van zijn dood" (Rom 6,5). Bij ons doopsel zijn wij in gemeenschap getreden met Christus Jezus, doordat Hij ons eerst "heeft doen delen in zijn dóód". Dat is nog steeds de manier om met Jezus in gemeenschap te treden: "als gij door de Geest de praktijken van de zelfzucht versterft, zult gij leven" (Rom 8,13). Ondergedompeld in het water van het lijden en de dood, steeg Jezus eruit op:
Nadat Jezus gedoopt was, steeg Hij terstond uit het
water. En zie, daar ging de hemel open...
"De hemel open": Jezus ziet God, Hij ziet God zijn Vader in
liefde naar Hem toegewend. Verworpen door de mensen in lijden en
dood als lijdensknecht, ziet Hij zich nu als Vaders
"veelgeliefde". Maar Jezus is God! Als Zoon van God leeft Hij
toch in de voortdurende aanschouwing van zijn Vader in de hemel?
Als Hij voortdurend geniet van de zaligmakende aanschouwing van
zijn hemelse Vader, hoe kan Hij dan hier een bijzondere ervaring
hebben van God? Dat kan omdat Hij waarlijk God én waarlijk mens
is. Als mens is Jezus in een staat van ontlediging: "Hij heeft de
gestalte van een dienstknecht aangenomen" (Fil 2,7). Wij moeten
niet proberen deze twee realiteiten met ons verstand te
verzoenen: God én mens, zalige aanschouwing en leven in
ontlediging. Zoals alle geheimen van ons geloof is ook dit een
verblindend licht, een licht dat verblindt, dat ons verstand
verduistert. Kijken wij recht in dit goddelijke licht, dan wordt
ons verstand verduisterd, niet door te weinig, maar door teveel
aan licht. Wat wij wel kunnen doen: ons verstandslicht opgeven,
de ogen van ons verstand sluiten en aanbidden. Dat zou ik nu
kunnen doen: God aanbidden in het mysterie van zijn mensgeworden
Zoon, die "gehoorzaam is geworden tot de dood, tot de dood op het
kruis" (Fil 2,8).
God en mens moeten wij niet met ons verstand willen verzoenen.
Wel kunnen wij met het verblindende licht van Gods mysterie mee
zien naar wat er door verlicht en verzoend wordt: namelijk hemel
en aarde, God en mens. God gaat boven Jezus open en daardoor
boven ons. Want het is terwille van ons, dat boven Jezus de hemel
openging en die stem begon te spreken. In het gebed doe ik recht
aan het feit, dat ook voor mij God open is. Geloof ik dit echt?
... en Hij zag de Geest Gods neerdalen in de gedaante van
een duif en over zich komen.
Zoals aan het begin van de schepping Gods Geest over de wateren zweefde (Gen 1,1), zo ook hier bij de tweede schepping. Gods Geest verschijnt hier als de duif na de zondvloed: "Toen de duif tegen de avond bij hem (Noach) terugkwam, droeg zij een groen olijfblad in de bek. Toen begreep Noach dat het water van de aardbodem weggezakt moest zijn" (Gen 8,11). Na de vloed van de zonde komt Gods Geest als een duif en vindt een rustplaats bij Jezus, het nieuwe begin van Gods schepping. Dit nieuwe begin is onaangetast door de zonde, ja het is onaantastbaar. In Hem kunnen onze rusteloze verlangens eindelijk definitief tot rust komen. We hoeven niet verder meer te zoeken. "Zo is dus wie in Christus is, een nieuwe schepping: het oude is voorbij, zie het nieuwe is daar. En dit alles komt van God. Hij heeft ons door Christus met zich verzoend" (2 Kor 5,17-18). Laat ik me ook met God verzoenen?
En een stem uit de hemel sprak: "Dit is mijn Zoon,
mijn veelgeliefde, in Wie Ik welbehagen heb."
De woorden die de hemelse stem sprak, zijn bijna letterlijk uit een lied van de lijdende dienstknecht uit het boek Jesaja en nogmaals voluit door Matteüs geciteerd:
"Zie, mijn Dienaar die Ik heb verkoren,
mijn Welbeminde, in Wie mijn ziel behagen vond.
Ik zal mijn geest op Hem doen rusten.
Gods Wet zal Hij verkondigen aan de volkeren.
Hij zal twisten noch schreeuwen
en op straat zal men zijn stem niet horen.
Een geknakt riet zal Hij niet breken
en een smeulende vlaspit niet doven,
voordat Hij Gods Wet ter overwinning heeft gevoerd;
en op zijn Naam zullen de volkeren hopen" (Mt 12,18-21).
Het oorspronkelijke hebreeuwse woord 'ebed' (= Grieks: pais) betekent zowel dienaar als zoon. En deze dubbelzinnigheid stoelt weer op de oud-testamentische geloofservaring, dat het dienen van God allereerst bestaat in het vieren van zijn liefde. De priester is altijd de bedienaar van Gods liefde. Jezus, de priester van het Nieuwe Verbond, is de "Welbeminde" (17,5) of "Veelgeliefde" (3,17), maar ook "de dienaar", die niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen (20,28). De dienst die Jezus en wij aan God bewijzen, is liefde-dienst. Geen dienstbetoon uit louter plichtsbesef, of uit vrees voor straf. Dat is slaafs: "De geest die gij ontvangen hebt, is er niet een van slaafsheid, die u opnieuw vrees zou aanjagen. Gij hebt een geest van kindschap ontvangen, die ons doet uitroepen: Abba, Vader! De Geest zelf bevestigt het getuigenis van onze geest, dat wij kinderen zijn van God" (Rom 8,15-16). In het gebed ontvangen wij de liefde van de Vader om deze liefde in het offer weer terug te geven.
Zoals er in de doop een onderons blijkt tussen de drie
goddelijke Personen, zo gebeurt dat ook in het gebed. Deze
intimiteit met de goddelijke Personen is de kern van het gebed en
dient aan het eind verdiept te worden door gesprekken met
Johannes, met Jezus en de Vader.
Een Onze Vader, langzaam en eerbiedig, zodat wij die woorden
opladen met nieuwe gebedservaring.
Na afloop is het goed in een reflexie terug te zien en te
noteren wat er gebeurd is, zodat de gebedservaring niet verwaait
in het rumoer van de andere ervaringen: