Zondag na Pinksteren
Eerste lezing: Exodus 34,4b-6.8-9 [A 107]; antwoordpsalm: Daniël 3,52.53.54.55.56 [A 107];
tweede lezing: 2 Korintiërs 13,11-13 [A 108]; vers voor het evangelie: Apocalyps 1,8 [A 109]
Evangelie: Johannes 3,16-18 [A 109]
Inleiding
Tot tweemaal toe hebben wij nu de namen van de Drie-ene God genoemd en gevierd: bij het maken van het kruisteken en bij het geven van de wens. Vandaag op het feest van de allerheiligste Drie-eenheid beseffen wij, dat dit feest anders is dan de andere feesten die een geheim vieren dat ergens in de geschiedenis op een bepaald moment plaats vindt. Van het feest van de allerheiligste Drie-eenheid kun je dat niet zeggen, of beter gezegd: elk feest is óók een feest van de allerheiligste Drie-eenheid, want God geeft Zich altijd hélemaal. In Jezus is ook altijd de Vader en de heilige Geest aanwezig. Dat wordt ons vanaf het allereerste begin van ons geloofsleven al meegegeven, want we worden gedoopt in de naam van de Drie-ene God, en dat vieren we ook vandaag weer aan het begin van de zondagse eucharistie.
Doordat wij die naam over ons uitgesproken krijgen, worden wij in hun leven opgenomen. Het leven van onze ouders is een instrument, een voertuig om ons te brengen naar het leven van de Drie-ene God. Wij zijn kinderen van God met dezelfde drie Personen: Vader, Zoon en heilige Geest.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd zei Jezus tot Nikodémus:
Zozeer heeft God de wereld liefgehad
dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven,
opdat al wie in Hem gelooft,
niet verloren zal gaan
maar eeuwig leven zal hebben.
God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden
om de wereld te oordelen,
maar opdat de wereld
door Hem zou worden gered.
Wie in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld,
maar wie niet gelooft,
is al geoordeeld,
omdat hij niet heeft geloofd
in de Naam van de eniggeboren Zoon Gods.
Homilie
Zozeer heeft God de wereld lief gehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven." Zijn Zoon gegeven? Van huis uit hebben we geleerd, dat we van tijd tot tijd iets mogen schenken. Een geschenk bij een verjaardag, een verrassing bij een bijzondere gelegenheid, aandacht geven, tijd geven, iemand een dienst bewijzen, zijn vormen van schenken. Dat heeft allemaal te maken met liefde, met zichzelf schenken. In wat men geeft, tijd, aandacht of een cadeautje, wil men iets van zichzelf schenken. Dat kennen we van Moeder Teresa: 'Liefhebben tot het pijn doet, geven tot het pijn doet.' We kennen ook de lofprijzing van de Heer bij de offergave van de arme weduwe, die met het geven van de twee penningen alles gaf, alles waar ze die dag van moest leven. Van haar zegt Jezus: "Waarlijk, Ik zeg u: die arme weduwe heeft het meeste van allen in de offerkist geworpen" (Lc 21, 1-4; vgl. Mc 12,41-44)). En tenslotte zijn er ook nog situaties waarin mensen zover gaan dat ze hun leven geven, hun leven op het spel zetten voor een ander. Daarvan zegt Jezus: "Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden" (Joh 15,13), dat hij zijn leven geeft voor een ander.
In onze dagelijkse handel en wandel komt dat zo goed als nooit voor, dat iemand écht uit liefde iets doet. Maar dat een vader zijn eigen zoon zou geven, zoals de tekst zegt: "Zozeer heeft God de wereld lief gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven", dat is geen liefde, dat is barbaars. Hoe kan dat? Daarin licht iets op van het wezen van de hemelse Vader, zoals dat ook in de Zoon zelf is ervaren. In de Hof van Olijven zegt Jezus namelijk: "Vader, als Gij wilt, laat deze beker Mij voorbijgaan" (Lc 22,42). Hij ervaart een volstrekte oppositie ten aanzien van de wil van de Vader. Zijn hele wil staat in tegenstelling tot de wil van de Vader. Nergens in zijn eigen wil komt Hij de wil van de Vader tegen. Niets in Hemzelf doet Hem neigen naar de wil van de Vader. Hij kan nog zozeer zijn eigen leven aftasten, tot in de alleruiterste schuilhoeken toe zijn eigen wil nagaan, nergens komt Hij de wil van de Vader tegen. Nergens vindt Hij ook maar de geringste overeenstemming tussen zijn eigen wil en de wil van de Vader.
Zoiets kan mensen ook overkomen, als er door ziekte, door pijn, door psychische verwondingen in het hele leven geen aardigheid meer aan is, als er, zover ze kunnen kijken, geen situatie is waarin nog enig geluk te ervaren is, als alles ze tegen staat en er alleen nog maar verdriet is. Hoe kan iemand hier dan toch nog 'ja' op zeggen? En hoe kan Jezus dan toch nog 'ja' zeggen tegen iets waartegen heel zijn natuur 'nee' zegt? Hij kan niet vanuit zijn eigen wezen 'ja' zeggen, als Hij tenslotte zegt: "Maar toch: niet mijn wil, maar Uw wil geschiedde" (Lc 22,42). Dat doet Hij niet vanuit Zichzelf, maar vanuit de heilige Geest, de derde Persoon van de goddelijke Drie-eenheid. Deze is het die de twee volstrekt tegenover elkaar staande Personen tot een nieuwe eenheid brengt. Niet op grond van overeenstemming in gevoel, neiging, of idee, want die is er niet, maar op grond van zuivere liefde.
Zo is het van de kant van de Zoon in deze situatie van het lijden, samengevat in het woord over zijn hele leven: "Hier ben Ik, God, om uw wil te doen" (Hebr 10,7.9), en zo is het ook in het hemelse leven van de Zoon. Maar zo is het ook in het leven van de Vader. Ook de Vader kan zijn oneindig goddelijke wezen aftasten, zonder ergens de Zoon tegen te komen. De Vader is de Vader en helemaal anders dan de Zoon, en de Zoon komt ook nergens in zijn eigen wezen als Zoon de Vader tegen. Ze staan tegenover elkaar als in een volstrekte oppositie, 'pura oppositio', zeggen de scholastieke theologen. Dat betekent een volstrekte eigenheid én een volstrekte eenzaamheid! Bij de Vader is zijn volstrekte eigenheid: geven, en bij de Zoon is zijn volstrekte eigenheid: ontvangen. De Vader geeft het leven, de Zoon ontvangt het leven. De Vader is de grote God en de Zoon is de kleine God. Ze zijn volstrekt onherleidbaar tot elkaar en in die zin gedoemd tot een volstrekte eenzaamheid. Wanneer zij in liefde bij elkaar komen, dan kan dat niet anders dan door een derde Persoon, de Persoon van de heilige Geest. De Vader en de Zoon tot iets brengen wat Zij uit Zichzelf onmogelijk kunnen, dat de Vader de Zoon schenkt en dat de Zoon in liefde Zichzelf wegschenkt aan de Vader en Zich bereid verklaart tot deze Zichzelf wegschenkende liefde aan de wereld, dat kan alleen in de heilige Geest.
De heilige Bernardus heeft eens de veronderstelling geopperd, dat de Vader zijn Zoon niet heeft bevolen zijn leven weg te schenken, maar dat de Zoon deze diepe wens in het Vaderhart heeft geraden en heeft voorkomen. Hij heeft voorkomen dat de Vader deze wens zou uitspreken en dat Hij de Vader, om zo te zeggen, in liefde vóór is geweest. Liefde was het wat de Vader dreef om zijn Zoon aan de wereld te schenken, maar liefde was het ook wat de Zoon ertoe dreef om Zichzelf in liefde aan de wereld te schenken. Kortom het was een werk van de allerheiligste Drievuldigheid: van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.
Dit wordt dan ook in elke eucharistie gevierd. Aan het begin van de eucharistieviering met een kruisteken: in de naam van de drie goddelijke Personen, aan het einde ervan: de zegen in Naam van de drie goddelijke Personen, maar ook in het midden ervan bij de consecratiewoorden: 'Neemt en eet hiervan, want dit is mijn Lichaam dat voor u gegeven wordt.' Gegeven wórdt? Door wie? Waarom wordt dat er niet bijgezegd? Door de Vader! Het is de Vader die ons zijn Zoon schenkt, maar het evenzeer de Zoon die Zichzelf schenkt aan ons, en dat gebeurt in de eenheid van de liefde door de heilige Geest. Dat is wat wij op dit feest van de heilige Drie-eenheid nog eens extra mogen vieren.