Apostolische inzet en apostolische geest
ook wanneer men niet meer actief kan zijn


P. Penning de Vries SJ

Het apostolische karakter van een roeping is enerzijds iets wat blijft, anderzijds iets wat mag ophouden. Ophouden mogen bepaalde apostolische werken en activiteiten die meer eigen zijn aan een bepaalde tijd en leeftijd. Blijven mogen het apostolische gebed waarmee men het apostolaat van de kerk ondersteunt, de apostolische liefdevolle aandacht waarmee men apostolisch gericht is op het heil van wie men ontmoet, en de apostolische vruchtbaarheid van het offer. Een goed voorbeeld is de apostel Paulus in zijn gevangenschap, die in zijn brieven uit de gevangenis blijk geeft zowel van apostolische gerichtheid en aandacht alsook van apostolisch gebed en apostolische offerbereidheid: hij geeft zijn leven voor zijn schapen, ook als hij sterft. Ook van Jezus' dood kan men moeilijk zeggen dat die niet apostolisch was wat apostolische gerichtheid, aandacht en gebed betreft. Het lijkt me ook vreemd als iemand van de apostelen zou zeggen dat zij ophielden apostolisch te zijn toen hun martelaarslijden begon. Lijden, bezield door apostolisch gebed, maakt dit gebed vaak echter en kan dus ook zelf apostolisch zijn.

Als men minder kan doen

De apostolische inzet vraagt nooit het onmogelijke. Soms, niet alleen op latere leeftijd, is het enig mogelijke alleen maar dienstbaar te zijn en vriendelijk; en te bidden natuurlijk. Als men minder kan doen, hoeft de apostolische inzet zelf niet minder te worden; de beperking die in het doen is opgelegd, kan de innerlijke inzet louteren en verdiepen. Soms wordt de apostolische inzet intenser: omdat het weinige wat men kan doen, soms meer moeite kost. En zuiverder: omdat bij het vele doen ook eerzucht kan binnensluipen, een gevaar dat minder dreigt wanneer men minder kan doen. De apostolische inzet voor de sfeer van de eigen groep of de omgeving, maakt een mens tot het einde van zijn leven waardevol en belangrijk. Men krijgt daarbij geleidelijk aan ook meer oog voor de armoede van de rijken: hoe mensen voor wie we materieel niets kunnen of hoeven te doen, soms affectief en geestelijk behoeften hebben waarin wij naar vermogen door apostolische belangstelling en apostolische zelfgave kunnen voorzien.

Zijn tegenwoordigheid

Hierbij kan ons geloof ons een steun zijn. Zoals gehuwden die samen oud geworden zijn, echt op elkaar betrokken kunnen zijn, elkaar om zo te zeggen niet kunnen missen, zo kan er een stille intieme relatie met God groeien, zonder hoogdravende woorden, een als vanzelfsprekend ervaren gevoel van tegenwoordigheid. De ontmoeting met God later, als wij Hem van aangezicht tot aangezicht zullen zien, wordt als het ware voorgeproefd en voorafgebeeld door minder spectaculaire kleinere ontmoetingen in dit leven: waar Hij Zich als het ware heeft verstopt, verborgen in de sacramentele gedaanten (latens Deitas, zegt het Adoro Te), verborgen in medemensen, verborgen ook in onszelf waar Hij de ziel is van ons apostolische streven. Dit is niet iets waarop wij ons kunnen verheffen. Wij leven enkel uit Gods genade. Wijzelf kunnen zo weinig, ofschoon God soms zoveel door ons doet. Naarmate wij minder kunnen doen, kan het besef te leven uit Gods genade wellicht groeien. Dit te beseffen en uit te spreken is waardevol. Waardevol is het: te weten hoe klein en hoe machteloos wij zijn. Maar ook al zijn wij niets uit onszelf en ook al kunnen wij niets uit onszelf, door Hem zijn wij uniek, vernuftig in elkaar gezet, naar Gods beeld en gelijkenis, door God geschapen, die alleen zoiets kan.

Gewoon doen

Dit te weten geeft aan ons gebed een familiaire vertrouwelijkheid. In een gezin hoeft soms ook niet zoveel te worden gezegd, al doet hetonszelf soms goed iets te zeggen wat de ander eigenlijk al weet; zo is het goed dank u wel te leren zeggen. Men mag voor het gebed zijn best doen, al zegt het evangelie geen veelheid van woorden te gebruiken omdat God al weet wat wij nodig hebben. Wij vragen Gods hulp dus niet omdat Hij onze nood niet zou kennen als wij die niet zouden uitspreken, maar integendeel juist omdat Hij onze nood wél kent en wij onszelf daarom met onze nood aan Hem toevertrouwen. Het gebed hoeft ons dus geen hoofdbrekens te kosten; integendeel, wij geven het juist op ons hoofd over iets te breken. Gewóón doen, omdat God dwars door ons heen kijkt. Gewoon dóén: de tijd nemen om aan Hem te denken, onszelf over te geven, te vragen en te danken.

Danken

“Hij is onze dankbaarheid waardig”, antwoorden wij bij de aanhef van de prefatie. Dat betekent natuurlijk niet dat wij ons boven Godplaatsen en Hem waardig keuren; integendeel, het betekent juist dat wij onder Hem en onder zijn bescherming staan en dat het ons vanuit die nederige plaats past Hem dank te brengen, nog niet eens geheel beseffend hoezeer Hij die dank waardig is en te boven gaat.

Hoe juist is het voor ons, dat wij Hem danken en dat wij dat samen doen. Ieder afzonderlijk, want ieder heeft zijn eigen redenen tot danken: daar heb je geen kerkgebouw of kapel voor nodig; dat kan nog op het ziek- en sterfbed. Maar als het kan, ook en vooreerst allemaal samen: want Hij heeft ons als gemeenschap, als kerk goedgedaan. Hij is de zin van ons bestaan, zoveel zin dat wij ons aan elkaar kunnen stichten en sterken, voor de dagen dat wij zwakker zijn of zwakker worden. Dat anderen onze stichting nodig hebben zoals wij die van hen, kan ons zelfs motiveren en steunen in onze opzet gemeenschap van en voor God te zijn. Om het in het voorbeeld van moeder Teresa samen te vatten: zij hield niet op een apostolisch karakter te hebben op het ogenblik dat zij in het ziekenhuis werd opgenomen. Zij bleef de ziel van haar apostolische gemeenschap. Ook al kon zij zelf niet veel meer doen, of juist daardoor, blijkt het bijzondere van het creatieve van het gebed en het geloof: niet wij zijn het die scheppen uit eigen kracht, maar de Schepper is het door ons, met ons en in ons. Zo hebben wij op onze manier deel aan wat wij aan het einde van elk eucharistisch gebed over Jezus belijden:

Door Hem en met Hem en in Hem
zal uw naam geprezen zijn,
Heer, onze God, almachtige Vader,
in de eenheid van de heilige Geest,
hier en nu en tot in eeuwigheid.
Amen.