LEGE HANDEN*

meditatie door Josef Bill

Deze mens is nog slechts gebaar. Hij wil niets anders zijn; kan zich slechts zo aan zijn omgeving meedelen. Het gebaar van de lege handen, oerbeeld van de mens in zijn behoeftigheid, zijn zoeken en vragen, zijn aangewezen zijn op anderen.

Een zittende, half liggende vrouw, die niets in haar hand heeft, die slechts haar hand heeft, die haar hand naar 'buiten' uitsteekt, vragend naar de mensen open houdt. Zij zit ergens op straat, schuw, alleen, zonder dat de haastige voorbijgangers haar opmerken. Haar gezicht is verborgen, verstopt; de capuchon van de mantel verbergt hoe oud de vrouw is, hoe aantrekkelijk ze misschien is. Stom, bijna onbeweeglijk zit ze op de straatstenen. Ze vraagt niets, ze wacht slechts. De hele mens in ééngebaar: de hopende, de geduldige, wachtende, eenzame, de zonder woorden sprekende mens, zoals hij een onbekend jij, die hijzelf ziet noch kent, de geopende hand voorhoudt.

Menszijn is: ontvangen hebben. Menszijn betekent: ontvangen en op anderen aangewezen zijn. Alleen hij blijft mens, die weet dat hij altijd 'lege handen' moet houden om naar het onmetelijke uit te strekken en van daaruit te ontvangen. In het geheim van de lege handen schept God Zichzelf een wet die wij nooit kunnen doorgronden: zelfs in de meest duistere omstandigheden die het einde lijken, geeft Hij Zichzelf het recht een nieuw begin te maken, de mogelijkheid van een belofte, van de liefde en het zichzelf schenken. Deze hand ontvangt ten slotte iets wat hij eerst moet leren begrijpen en duiden: zichzelf als gave van God te mogen ontvangen, als een opgave, als een ons onbekend wezen, als een voor ons nooit geheel te begrijpen fenomeen.

Het gebaar van de 'lege handen' is een geheimvol gebeuren: het is aanbidding. “Heer, ik heb U nodig!” Niemand mag weigeren zo te bidden. Als je weigert zo te bidden, weiger je je te laten beminnen.

* Uit: Josef Bild, Begegnung in Bild und Meditation. Verlag Katholisches Bibelwerk, Stuttgart 1973