Ik zal niet sterven
(I)*
door Heinrich Spaemann
De Duitse exegeet-theoloog Heinrich Spaemann geeft aan één van de hoofdstukken in zijn boek 'Sterker dan nood, ziekte en dood' de titel 'Ik zal niet sterven' mee, een woord uit de psalmen (Ps 118,17). In dit hoofdstuk over de christelijke beleving van de dood, stelt hij allereerst dat een mens zijn eigen dood niet moet verdringen, maar onder ogen moet zien dat hij eens moet sterven. Hij legt uit dat een mens al in dit leven moet sterven aan dat wat het nieuwe leven in de weg staat: de zelfzucht, de zonde. Wanneer wij de dood verdringen uit ons leven, uit de maatschappij, wordt zijn greep des te knellender. Juist doordat de dood in onze maatschappij niet aanvaard wordt, ontstond de 'cultuur van de dood', zoals paus Johannes Paulus II het verwoordde. Verdringen van de dood, verheerlijken van (sommige aspecten) van het leven leidt juist tot vernietiging van het leven, tot zelfvernietiging.
De in het leven verdrongen dood
Iedereen is er van nature toe geneigd zijn dood te verdringen. De gedachte aan de dood komt niet uit het leven zelf, daarom sluit het leven zich ervoor af, onwillekeurig voelt het: wanneer ik aan de dood denk, zal die de levensvreugde overschaduwen en de wil om te leven verminderen. Een blik op een graf ondergraaft het leven al.
Iedere verdringing van de werkelijkheid, wanneer deze onontkoombaar bij het menszijn hoort, wreekt zich echter. Naarmate iemand meer verdringt, leeft hij meer in onwerkelijkheid en dringt ongemerkt de leugen zijn leven binnen. Indien wezenlijke bestaanswerkelijkheden zoals geslacht, verwekking, geboorte en dood als niet bestaand worden beschouwd, als men die dingen wegschuift, ze niet waar wil hebben, gaat de kans verloren om ze in het geheel van het bestaan te integreren. Dat heeft dan tot gevolg, dat ze in het verborgene als een kankergezwel gaan woekeren en tenslotte het hele bestaan overweldigen.
Wanneer de dood in het leven verdrongen wordt, zal hij tenslotte het gehele leven overschaduwen; hij wordt dan ervaren als een geweldige catastrofe: als het verscheuren van het netwerk van onderlinge betrekkingen, dat het bestaan droeg, als een volkomen op zichzelf staand gegeven, zonder zin, als een afgrond. Wie in het leven de dood ontkent, wordt uiteindelijk door de dood verzwolgen.
Omgekeerd betekent de dood niet uit de weg gaan, met hem leven als een gegeven, een voortdurende confrontatie met iets ongrijpbaars waaraan uiteindelijk het hele bestaan onderworpen zal zijn. Dat relativeert het menselijk bestaan, bewaart de mens ervoor zich absoluut te wanen en ontkracht de leugen van de zelfzucht (autonomie). Omgaan met de dood als een gegeven is een existentiële nederigheid, die een kans inhoudt op contact met de Heer van het leven, omdat God ook de Gever is van dit soort ongrijpbare gegevenheden. Alles komt van God, ook wanneer wij niet weten waar iets vandaan komt, en alles leidt naar God. Zo is er in het eenvoudig aannemen van de dood een levenskans verborgen.
De ernst van de dood niet uit de weg gaan
Het is één van de genaden van de christen, dat hij zijn dood bewust tegemoet kan gaan en mag gaan, omdat hij weet dat het dodelijke van de dood door Christus overwonnen is, en omdat hij gelooft in de verrijzenis en het eeuwige leven. Maar hier moeten we een waarschuwing laten horen. De ervaring met stervenden heeft aangetoond dat het geloof in 'een beter leven hierna' dikwijls slechts een vorm van oppervlakkig optimisme is, dat alleen maar wordt ingezet om de ernst van de dood te ontkennen, de dood als het ware uit te wissen. Dat 'geloof' is niet meer dan een gedachtespinsel, een bouwwerk dat bij onmiddellijke, onvermijdelijke confrontatie met de dood ineenstort.
(Voor het vervolg zie de gedrukte uitgave. Te bestellen bij Gemeenschap voor Aanbidding, Van Wevelickhovenstaat 1, 5931 KS Tegelen, tel. 077 - 37 35 108; email: edijkman@petruscaniusstichting.nl)