Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | volgens Lucas |
| 22 | waarop Maria en het Kind volgens de Wet van Mozes gereinigd moesten worden, brachten zijn ouders Jezus naar Jeruzalem |
| 23 | volgens het voorschrift van de Wet des Heren: elke eerstgeborene van het mannelijk geslacht moet aan de Heer worden toegeheiligd, |
| 24 | een offer te brengen, namelijk een koppel tortels of twee jonge duiven. |
| 25 | een wetgetrouw en vroom man die Israëls vertroosting verwachtte, en de heilige Geest rustte op hem. |
| 26 | dat de dood hem niet zou treffen, voordat hij de Gezalfde des Heren zou hebben aanschouwd. |
| 27 | Toen de ouders het Kind Jezus daar binnenbrachten om aan Hem het voorschrift der Wet te vervullen, |
| 28 | en verkondigde Gods lof met de woorden: |
| 29 | nu naar uw woord in vrede gaan: |
| 30 | |
| 31 | |
| 32 | een glorie voor uw volk Israël." |
| 33 | over wat van Hem gezegd werd. |
| 34 | en hij zei tot Maria, zijn moeder: "Zie, dit Kind is bestemd tot val of opstanding van velen in Israël, tot een teken dat weersproken wordt, |
| 35 | openbaar moge worden; en uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord." |
| 36 | een dochter van Fanuël, uit de stam van Aser. Zij was hoogbejaard en na haar jeugd had zij zeven jaren met haar man geleefd. |
| 37 | Ze verbleef voortdurend in de tempel en diende God dag en nacht door vasten en gebed. |
| 38 | dankte God en sprak over het Kind tot allen die de bevrijding van Jeruzalem verwachtten. |
| 39 | vervuld hadden, keerden zij naar Galilea, naar hun stad Nazaret terug. |
| 40 | Het werd vervuld van wijsheid en de genade Gods rustte op Hem. |
| Lucas 2, 22-40 |
Niet zomaar beginnen, maar eerst de geest wat laten rusten bij Hem. In mezelf afdalen waar ik mijn wezen ontvang uit de hand van God. Me losmaken van de anderen, van de verhouding die ik met anderen heb, los van alle verhoudingen, ook van die met mijn werk, mijn taak. Mezelf niets toeëigenen. Zoals Maria en Jozef hun Kind afgaven en zoals Maria bereid is haar hart af te geven: "uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord." Daarom eerst inkeren, zodat er in mij een bereidheid ontstaat om mij echt te geven.
Enkele passen vóór de plaats waar ik ga bidden, blijven stilstaan, omhoog kijken, zien hoe Hij mij ziet, zoals Maria en Jozef hebben opgezien, toen ze hun Kind uit handen gaven om Het "aan de Heer op te dragen". Mij dan klein maken in een gebaar van aanbidding.
Dan ingaan in het gebed, liggend, zittend of geknield, in de houding waarin ik vermoed Hem het beste te kunnen vinden. Dit dan ook vragen als een genade: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit. Zoals Simeon: "Hij ... verkondigde Gods lof met de woorden: "Uw dienaar ... Heer"; of zoals Hanna: "Ze verbleef voortdurend in de tempel en diende God dag en nacht."
De geschiedenis: eerst het gewone ritueel dat voltrokken wordt aan "elke eerstgeborene van het mannelijk geslacht". Dan de ontsluiting van de diepere betekenis van dit gebeuren: "Uw heil, voor alle volken". Dus ook voor mij: "een licht", "een glorie".
De plaats: waar ze vandaan komen en hoe ze als in een kleine processie naar het heiligdom gingen. De grote tempel zien en daarin het kleine hoekje waar zij elkaar getroffen hebben. Verborgen voor de mensen, gezien door God.
Wellicht dat ik nu een verlangen in mijn hart bespeur om dieper door te dringen in dit geheim. Dan is het nu het ogenblik te vragen om deze bijzondere genade: ik vraag om een innerlijke kennis van de Heer zoals Simeon Hem herkende in het kleine Kind, om Hem méér lief te hebben en méér van nabij te volgen. Dus geen theoretische, vrijblijvende kennis, maar een kennis van het hart die mij engageert in een daadwerkelijke navolging van Christus.
"Toen de tijd aanbrak waarop Maria en het Kind volgens de
Wet van Mozes gereinigd moesten worden, brachten zijn ouders
Jezus naar Jeruzalem ..."
De inzet van hun gang naar Jeruzalem is het offer. Het is een offergang. Een offergang naar Jeruzalem, de plaats van het offer. Heel het evangelie is een tocht naar Jeruzalem, de offerplaats. Zowel het kleine evangelie van het Kind Jezus als ook het grote evangelie van de Volwassene. Beide staan gericht op Jeruzalem, de stad van dood en verrijzenis. Kind en man staan onder dezelfde wet. De kleine dingen in ons leven hebben dezelfde structuur als de grote dingen.
"om Hem aan de Heer op te dragen, volgens het voorschrift
van de Wet des Heren: elke eerstgeborene van het mannelijk
geslacht moet aan de Heer worden toegeheiligd, en om volgens de
bepaling van de Wet des Heren een offer te brengen, namelijk een
koppel tortels of twee jonge duiven."
Jeruzalem is de stad van het offer. In het offer gaan we naar
God, in het offer geven we ons leven terug aan God. Daar worden
we in het gebed al toe uitgenodigd. In het gebed worden we
geroepen om weg te gaan uit ons zelf, weg uit waaraan we
vastzitten, waarin we geïnstalleerd zijn. Bidden is onteigening
van zichzelf, zich door God laten toeëigenen. Daarom is
eucharistie vieren de hoogste vorm van gebed. Daarin worden wij
door God in Jezus' offergang opgenomen.
Bidden verzandt in verstrooiingen, wanneer de offergesteltenis er
niet bij is. Om goed te kunnen bidden en om goed eucharistie te
kunnen vieren, moet ik me eerst afvragen of die offergesteltenis
in me is, of ik bereid ben mijn leven uit handen te geven.
"Nu leefde er in Jeruzalem een zekere Simeon, een
wetgetrouw en vroom man, die Israëls vertroosting verwachtte, en
de heilige Geest rustte op hem."
Wie was Simeon? Een ons verder niet bekende man. Als een
verschietende ster aan het firmament van de nieuwe schepping.
Geen priester. Iemand uit het volk. Hij verwachtte de belofte aan
Israël gedaan. Maar hij had die belofte niet alleen, hij
leefde eruit. Zoals er gelovigen zijn die niet alleen het
geloof hebben, maar er ook van leven.
Hij leefde in de verwachting van de dingen die komen gaan, niet
vanwege de mensen of van de geschiedenis, maar van Godswege. Hij
ging niet op in het voorhandene. Hij leefde vanuit een visie, uit
een visioen: "de dood zou hem niet treffen, vóórdat hij de
Gezalfde des Heren zou hebben aanschouwd". Wij mogen in het
heilig Sacrament zo dikwijls de Gezalfde des Heren aanschouwen.
Waarin openbaart Jezus zich meer, aan Simeon in het Kind of aan
ons in het heilig Sacrament?
"Hij had een godsspraak ontvangen van de heilige Geest dat
de dood hem niet zou treffen, voordat hij de Gezalfde des Heren
zou hebben aanschouwd. Door de Geest gedreven was hij naar de
tempel gekomen."
Er is in dit evangelie een opvallend samengaan van wet en heilige
Geest. Wet en Geest zijn niet met elkaar in tegenspraak. Jezus
was vol van de heilige Geest en ook zeer wetgetrouw: "Ik ben niet
gekomen om af te schaffen, maar om tot vervulling te brengen" (Mt
5,17). De wet is nodig om de Geest te kunnen ervaren. Wet in de
zin van ordening van het leven door discipline, regelmaat. Zoals
het aan het begin van de schepping was. Eerst was er chaos: "de
aarde was woest en leeg". Toen "zweefde de Geest van God over de
wateren" (Gen 1,2). Toen pas kon de schepping, dat is de
ordelijke schikking (= kosmos), een aanvang nemen. In de wet van
het Oude Verbond was de wet méér dan de wet. Doordat men zich aan
de wet hield, werd er aan de hand van de wet een gehoorzame
levenshouding ingeoefend. Deze functie van de wet wordt in het
evangelie overgenomen door de wet van het lijden: "Ik móet een
doopsel ondergaan, en hoe beklemd voel Ik Mij totdat het volbracht is" (Lc 12,50). Maar Jezus houdt deze wet van het
lijden voor onder verwijzing naar de oude wet, vooral de
lijdensprofeten: "Ik zeg u: In Mij moet dit schriftwoord
vervuld worden: Hij is tot de booswichten gerekend" (Lc 22,37).
Onder wat voor wet staat mijn leven? Welke houding neem ik aan
tegenover wetten en voorschriften? Welke houding heb ik tegenover
het lijden: zelfmedelijden, kleinzerigheid, opstandigheid,
vlucht? Zie ik er een gelegenheid in om mijn leven in liefde aan
God terug te schenken?
"... nam ook hij het Kind in zijn armen ..."
Simeon zien als het oerbeeld van allen die Jezus ontvangen. In
geloof zien wat hier gebeurt: "Wie dit kind opneemt in mijn Naam,
neemt Mij op. En wie Mij opneemt, neemt Hem op die Mij gezonden
heeft" (Lc 9,48). Daarvoor moet je zelf als een kind zijn: "Wie
het Koninkrijk Gods niet aanneemt als een kind, zal er zeker niet
binnengaan" (Lc 18,7). Simeon, de grijsaard, is als een kind.
Toch is het geen kinderspel: Het woord van God zó te ontvangen,
er zó naar te luisteren, dat men de tijd van de beproeving
voorziet, de tijd van de afval: "Die op de rots, zijn zij die het
woord met blijdschap ontvangen, wanneer ze het horen, maar ze
hebben geen wortel; zij geloven voor een ogenblik, maar ten tijde
van de beproeving vallen zij af" (Lc 8,13).
6 "Simeon verkondigde Gods lof met de woorden: Uw dienaar laat gij, Heer, nu naar uw woord in vrede gaan: mijn ogen hebben thans uw Heil aanschouwd dat Gij voor alle volken hebt bereid; een licht dat voor de heidenen straalt, een glorie voor uw volk Israël."
Waaraan heeft Simeon in dat Kind de Messias herkend? Simeon
herkende de Gezalfde des Heren aan de "vertroosting", "Israëls
vertroosting". Vrede en troost zijn sporen van het heil:
"Mijn ogen hebben thans uw heil aanschouwd." Het heil
zien is tegelijk ook zelf in het heil staan. Het heil
is niet iets abstract objectiefs. Het heil is zoals "warmte". Bij
het waarnemen van warmte word je zelf ook warm. Je wordt
zelf wat je gewaarwordt. Het bovennatuurlijke heil en het humane
heel-zijn hangen samen. Ze zijn samen het ene door Christus
geschonken heil.
Vanuit deze heilservaring valt er nu voor Simeon een heel nieuw
licht op zijn leven, op de geschiedenis van Israël en op de
heidenvolkeren. Er vindt een verdichting plaats van zijn
ervaring. Terwijl hij het Kind in zijn armen houdt, ziet hij
alles in een nieuw licht.
"Daarop sprak Simeon over hen een zegen uit en hij zei tot
Maria, zijn moeder: Zie, dit Kind is bestemd tot val of
opstanding van velen in Israël, tot een teken dat weersproken
wordt, opdat de gezindheid van vele harten openbaar moge worden;
en uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord."
Terwijl Simeon het Kind aan zijn moeder teruggeeft, ziet hij de
meer nabije toekomst of liever de weg waarlangs zich dit alles
zal voltrekken: langs de weg van tegenspraak en verwerping, val
en opstanding. Simeon kende de profetieën:
voor beide huizen van Israël,
een steen waaraan men zich stoot,
een rotsblok waarover men struikelt" (Jes 8,14).
Aan het eind niet koud of bruusk eindigen, maar gesprekken voeren: met Simeon, met Maria en Jozef, met het Kind, terwijl ik Het nog eens in de armen neem. Eindigen bij de Bron van de Godheid, de Vader bij Wie ik alles kwijt kan. Een Onze Vader bidden.
Wat afstand nemen om te kunnen onderscheiden door welke
geesten ik me heb laten leiden:
