Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Hemelvaart van de Heer


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
16 De elf leerlingen begaven zich naar Galilea,
naar de berg die Jezus hun aangewezen had.
17 Toen zij Hem zagen,
wierpen ze zich in aanbidding neer;
sommigen echter twijfelden.
18 Jezus trad nader en sprak tot hen:
"Mij is alle macht gegeven
in de hemel en op aarde.
19 Gaat dus en maakt alle volkeren
tot mijn leerlingen
en doopt hen
in de naam van de Vader
en de Zoon en de heilige Geest
20 en leert hun te onderhouden
alles wat Ik u bevolen heb.
Ziet, Ik ben met u
alle dagen tot aan de voleinding der wereld."
Matteüs 28, 16-20

Bidden is: zich begeven binnen het machtsgebied van Jezus aan wie alle macht is gegeven in de hemel en op aarde. Dat moet een veilig gevoel geven: de tegenkrachten die mij bedreigen, kunnen nog zo sterk zijn, zijn macht is daar tegen opgewassen. Daarom eerst de geest laten rusten bij Hem.

Een paar passen vóór de plaats waar ik ga bidden, staande een ogenblik me zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, zien hoe Hij mij ziet, omdat Hij alle dagen met de zijnen is. De eerbied laten groeien door een gebaar te maken van eerbied, zoals de leerlingen deden: "Toen zij Hem zagen, wierpen zij zich in aanbidding neer."

Dan neem ik de houding aan van het gebed, een houding die mij helpt om het besef van zijn aanwezigheid in mij levendig te houden, liggend, zittend of geknield, maar zo min mogelijk bewegen zodat ik er beter op kan letten hoe ik bewogen wórd door zijn stille, ongeziene aanwezigheid. In deze houding het als een genade vragen dat ik in heel mijn leven daarop bedacht mag zijn, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Nu bereid ik me erop voor om te worden ingewijd in het geheim van Gods meest intieme zelfmededeling aan de mensen door zijn eigen Zoon, eerst door me de geschiedenis voor ogen te brengen, hoe de elf leerlingen zich op Jezus' aanwijzing van Jeruzalem naar Galilea begaven, naar een berg, hoe Hij hun daar zichtbaar verscheen. Ze gaven in een aanbiddingsgebaar te kennen dat zij Jezus herkenden en erkenden in zijn goddelijke werkelijkheid. Maar sommigen twijfelden. Dat is ook te verstaan als een weergave van wat er zich onder de eerste christenen afspeelde. Deze twijfel krijgt een antwoord in woorden van Jezus die nu volgen. Want het geloof ontstaat uit wat gehoord wordt (Rom 10,17). Dit woord is drievoudig: een machtswoord, een opdracht en een belofte: Jezus' zelfbewustzijn als de verheerlijkte Mensenzoon is de kiem van alle zending en zelfbewustzijn van de kerk. De pretenties van de kerk gaan terug op de pretenties van Jezus. De kerk kan het ook niet helpen, dat zij zulke universele uitspraken doet gelden. Ze werden door Jezus aan haar toevertrouwd. Er wordt geen melding gemaakt hoe Jezus van deze aarde weggaat. Voor het levensgevoel van de jonge kerk is het besef van zijn aanwezigheid sterker dan van zijn heengaan.
De plaats is belangrijk. Dat vindt Jezus tenminste. Want Hij wijst hun een berg aan. De berg is in de bijbel dé plaats voor een Godsontmoeting. God verscheen aan Mozes op de Sinaï, aan Elia op de Horeb, aan Jezus "op een hoge berg" (17,1); op een berg trok Jezus zich terug om "in afzondering te bidden" (14,23). Centraal staat in dit evangelie de "berg"-rede.

Tenslotte vraag ik om de bijzondere genade, dat bij mij de geloofszekerheid de overhand moge krijgen boven mijn twijfel. Ik vraag om de genade van een innerlijke kennis van Jezus, een kennis die mij bij mag blijven alle dagen tot aan de voleinding van mijn leven, een kennis die mij sterkt wanneer ik geconfronteerd word met de tegenkrachten.

 
De elf leerlingen begaven zich naar Galilea, naar de berg die Jezus hun aangewezen had.

Elf. Niet twaalf. Hun college is gehavend. Het draagt de sporen van het verraad van één van hen: "één van de twaalf". Jezus had hen "mijn broeders" genoemd: "Gaat aan mijn broeders de boodschap brengen, dat zij naar Galilea moeten gaan." Alles was dus vergeven. Ze mochten opnieuw beginnen. Jezus riep hen waar het allemaal begonnen was. Het was ook het gebied van hun eigen oorsprong, hun eigen taal, hun eigen mensen. Daar voelden zij zich thuis. Niet in het vijandige, hooghartige Judea.

 
Toen zij Hem zagen, wierpen ze zich in aanbidding neer; sommigen echter twijfelden.

"Zich in aanbidding neerwerpen" is een ritueel dat strikt wordt gereserveerd voor de ontmoeting met een koning. Aan het eind van het evangelie deden de elf spontaan wat de wijzen uit het oosten aan het begin deden bij "de pasgeboren koning der Joden": "op hun knieën neervallend betuigden zij Het hun hulde" (2,11). Een sterk gebaar dus dat past tegenover iemand aan wie men de koningsheerschappij toekent: "Tenslotte nam de duivel Hem mee naar een heel hoge berg, vanwaar hij Hem alle koninkrijken der wereld toonde in hun heerlijkheid. En hij zei: Dat alles zal ik U geven, als Gij in aanbidding voor mij neervalt. Toen zei Jezus hem: Weg, satan; er staat geschreven: De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen" (4,8-10). Een goddelijk en koninklijk protocol dat al aan Jezus vóór zijn verrijzenis ten deel viel: vanwege de melaatse (8,2), vanwege Jaïrus (9,18), vanwege de leerlingen na het stillen van de storm (14,33), vanwege de Kananeese vrouw (15,25) en de moeder van Jakobus en Johannes (20,20). Het zijn situaties van smeking waarbij mensen zichzelf als nietig en onmachtig ervaren en alles verwachten van Jezus. Aanbidding is het geneesmiddel tegen zelfgenoegzaamheid, tegen een doe-het-zelf-mentaliteit. Wie zelfverzekerd is, begint eerder te twijfelen aan Jezus. Die twijfelaars waren er bij Jezus' afscheid blijkbaar ook al. En ook onder de eerste christenen, want anders was die informatie over de aanwezigheid van twijfelaars onder de leerlingen volstrekt overbodig. De woorden van Jezus die nu volgen, zijn bedoeld als antwoord aan de twijfelaars van alle tijden.

 
"Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde."

Zoals de berg zich verheft boven het vlakke landschap, zo verheft Jezus zich boven alles in hemel en op aarde. Jezus schijnt zich te modelleren naar de Mensenzoon in het visioen van de profeet Daniël: "In mijn nachtelijk visioen zag ik toen met de wolken van de hemel iemand aankomen die op een mens geleek. Hij ging naar de hoogbejaarde en werd voor hem geleid. Toen werd hem heerschappij gegeven, luister en koninklijke macht; alle volken, stammen en talen brachten hem hun hulde. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij die nooit vergaat; zijn koninkrijk gaat nooit te gronde" (Daniël 7,13-14).
Zo maakte Jezus zich bekend voor de hogepriester: "ge zult de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Macht en komen op de wolken van de hemel" (26,64). Ik moet dus niet toegeven aan moedeloze gedachten of zielige gevoelens. Samen met Jezus sta ik aan de winnende kant. Macht is niet verkeerd. Niet macht op zichzelf is verkeerd, maar het misbruik maken van macht: "Gij weet, dat de heersers der volkeren hen met ijzeren vuist regeren en dat de groten misbruik maken van hun macht over hen. Dit mag bij u niet het geval zijn" (20,25-26). Jezus heeft niet zomaar macht. Zijn macht is volmacht ofte wel geschonken macht. Hem is alle macht gegeven. Hij blijft er dienaar bij: "Ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen" (20,28).
Hoe ga ik met macht om? Hoe weer ik mij in situaties van machteloosheid? Met protest, rancune, zelfmedelijden, compensatie?

 
"Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest en leert hun te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb."

Naar Iemand aan Wie alle macht is gegeven, behoort ook iedereen te luisteren. Luisteren op de wijze van leerlingen; dat zijn mensen die heel hun leven delen met hun meester in levensgemeenschap. Leerlingen worden als het ware ondergedompeld in hun meester. Leerlingen van Christus worden ondergedompeld of gedoopt in zijn lijden en dood om evenals Hij op te staan tot een nieuw leven. Dat nieuwe leven van God doet recht aan alle dimensies van het bestaan: van het macht hebben en van het in onmacht verkeren, van Vader en van Zoon. En dat die twee niet uit elkaar worden gespeeld, maar in één Geest met elkaar blijven verenigd.
Hier zou ik kunnen nagaan of er misschien regionen in mijn leven zijn die nog niet bij Jezus in de leer geweest zijn, gebieden waarin ik me laat leiden door mijn emoties, ambities of natuurlijke en niet op God geordende neigingen.

 
"Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld."

De macht van Jezus is een macht voor anderen. Hij stelt zijn volmacht ons ter beschikking. Hij is er helemaal voor ons: God-met-ons. Zo werd Hij nog vóór zijn geboorte genoemd: "Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon ter wereld brengen en men zal Hem de naam Emmanuël geven. Dat is in vertaling: God met ons" (1,23). Jezus is de meest volledige vervulling van de oude Godsnaam: Jahwe. Dat betekent: "Ik ben die is" (Ex 3,14). Hij is er voor ons: "Ik zal er altijd zijn voor U." En dat is Hij door en in Jezus: "Ik ben met u alle dagen." Daarin schuilt de dubbele kracht van de kerk van alle tijden: zij ontleent haar aanspraken niet aan zichzelf of aan een of andere macht of traditie van deze wereld, maar aan Jezus aan Wie de Vader alle macht gaf, en Jezus is op een stille, ongeziene manier bij haar aanwezig. Hoe leef ik? Heb ik weet van Jezus' aanwezigheid? Doe ik er een beroep op?

De kunst van het einde van het gebed is om de gebedservaring over de grens van het gebed het gewone leven in te dragen. Daarom langzaam eindigen en gesprekjes voeren met de leerlingen, met Jezus, vertrouwelijk als vrienden met elkaar. Eenmaal bij Jezus kom ik haast vanzelf bij de Vader. Een Onze Vader.

Wat afstand nemen en me bewust maken van wat er in me gebeurd is. Aan de hand van de vragen van de reflexie:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Mijn verstrooiingen liggen op de terreinen van mijn leven waarin ik het initiatief aan mij zelf houd en me niet wil stellen onder de macht van Jezus.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar ondervond ik de werkelijkheidswaarde van Jezus' belofte dat Hij altijd bij ons zou zijn?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Merk ik hoe zijn aanwezigheid inderdaad voortduurt?