Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Tiende zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
9 In die tijd trok Jezus verder.
Hij zag iemand aan het tolhuis zitten,
die Matteüs heette,
en Hij zei tot hem:
"Volg Mij."
De man stond op en volgde Hem.
10 Terwijl Hij nu in diens woning aan tafel aanlag,
kwamen ook vele tollenaars en zondaars
met Jezus en zijn leerlingen aanliggen.
11 Toen de Farizeeën dat zagen,
zeiden ze tot zijn leerlingen:
"Waarom eet uw Meester met tollenaars en zondaars?"
12 Jezus hoorde dit en zei:
"Niet de gezonden hebben een dokter nodig,
maar de zieken.
13 Gaat heen en leert wat het zeggen wil:
Ik wil liever barmhartigheid dan offers.
Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen,
maar zondaars."
Matteüs 9, 9-13

Wat er in het gebed gebeurt, is onbereikbaar voor de mens. Het is dan ook niet de mens die naar de hemel reikt, maar God die zich neerbuigt over de mens. Dat gaat helemaal uit van God. Bidden heeft iets weg van de roeping van Matteüs: nooit gedacht! Het initiatief ligt helemaal bij God. En toch is er ook in de diepte van onze ziel een verlangen waarop de roeping aansluit, een diepte waar alleen God bij kan. Daarom de geest laten rusten bij Hem, in een geest van openheid en ontvankelijkheid voor het initiatief van Godswege.

Een paar passen vóór de plaats waar ik ga bidden, een ogenblik blijven staan om te zien hoe Hij mij ziet zoals Jezus "iemand aan het tolhuis zag zitten". Hij ziet in de zondaar de uitverkorene. Hij kijkt op een heel andere manier naar mij dan andere mensen. Met iets van medelijden: "Ik wil liever barmhartigheid...". Om de eerbied dieper in mij te laten doordringen, maak ik een gebaar van eerbied.

Dan neem ik de houding aan van het gebed, een houding waarin ik het meeste vrij ben voor Hem, knielend, zittend of liggend, naargelang ik Hem het beste denk te kunnen vinden; of beter nog: mij door Hem kan laten vinden. Mijn gebedshouding is pas helemaal af, wanneer ik ook innerlijk met heel mijn leven op Hem en zijn heilige wil afgestemd wil zijn. Dat vraag ik nu dan ook als een genade: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Nu bereid ik mij erop voor nog dieper het geheim van God binnen te gaan, namelijk zijn zelfmededeling in zijn eigen Zoon. Ik overzie eerst de geschiedenis: Jezus trekt weg van de stad waar Hij met zijn zondenvergeving niet welkom is, omdat zij zichzelf voor rechtvaardig houden en daarom niet zo ontvankelijk zijn voor zijn barmhartigheid. Hij gaat naar anderen, aan wie Hij zijn barmhartigheid wel denkt kwijt te kunnen, iemand van wie de mensen dat het allerlaatste zouden verwachten: een geld-man, een geld-wolf, een vrij-buiter: een "tollenaar", het toonbeeld van een zondaar. Als Jezus vergeeft, dan heeft Hij ook wat te vergeven. Hij vergeeft niet alleen, Hij wil hem zelfs als apostel, één van de twaalf. Maar Jezus laat het niet bij die ene zondaar. Hij gaat aanliggen aan een feestmaal met een heel gezelschap van "vele tollenaars en zondaars". Als de Farizeeën tegenover zijn leerlingen daartegen bezwaar maken, dan neemt Jezus daar niet alleen niets van terug, maar Hij doet er zelfs een schepje boven op: van de roeping van zondaars maakt Hij de inhoud van zijn hele zending: "Ik ben... gekomen om... zondaars te roepen." Het is dus een soort climax: van één enkele zondaar (Matteüs), via "vele tollenaars en zondaars" naar alleen maar zondaars.

Het geheim komt me pas werkelijk goed voor de geest, wanneer ik me de plaats voor ogen stel: eerst het huis van de zonde, het tolhuis waaraan Matteüs zat vastgeklonken als een rijkaard aan zijn bezit, als een verslaafde aan zijn gewoonte. En daarna: het huis van Matteüs, groot, royaal, villa-achtig met de sfeer van de eucharistie, die de christenen gewoon waren in dit soort huizen te vieren. Een sfeer van broederlijkheid en barmhartigheid met de Heer in hun midden.

Ik ga van buiten naar binnen, van de plaats waar de personen zich bevinden naar het hart van de personen, heel bijzonder het Hart van Jezus. Dat moet ik vragen als een bijzondere genade: vragen om een innerlijke kennis van zijn Hart dat barmhartigheid laat zegevieren over recht: "Ik wil liever barmhartigheid."

 
In die tijd trok Jezus verder.

Wanneer iemand verder trekt, kan dat verschillende redenen hebben. Ofwel omdat hij daar moet zijn: "Ik moet ook aan andere steden de Blijde Boodschap van het Godsrijk brengen" (Lc 4,43). Ofwel omdat hij ergens anders niet welkom is. Dit laatste is hier het geval. Jezus is niet welkom met zijn gebaar van vergiffenis aan de lamme: "godslasterlijk" (9,3).
Jezus trekt weg van die plaats van meedogenloosheid, waar Hij zijn boodschap van de barmhartige liefde niet kwijt kan. Jezus en een sfeer van meedogenloze kritiek verdragen elkaar niet. Dan gaat Hij weg.

 
Hij zag iemand aan het tolhuis zitten, die Matteüs heette ...

Was de zondigheid van de lamme min of meer verborgen, die van Matteüs lag er dik boven op. Niet alleen in de ogen van de publieke opinie, ook in de ogen van Jezus. Want als er in het evangelie iets als groot kwaad wordt voorgesteld, dan worden de tollenaars als voorbeeld genoemd. Samen met de ontuchtige vrouwen: "Voorwaar, Ik zeg u, de tollenaars en de ontuchtige vrouwen gaan eerder dan gij het Rijk Gods binnen" (21,31); "Terwijl de tollenaars en de ontuchtige vrouwen hem (Johannes de Doper) wel geloof schonken" (21,32). Jezus wil zoveel zeggen als: mensen van wie je het allerminst zou verwachten. Wat doen de tollenaars verkeerd? Het evangelie zegt: ze horen niet in de kerk thuis: "Wil hij ook niet naar de kerk luisteren, beschouw hem dan als een heiden of tollenaar" (18,17). Daar moet je niet mee omgaan. Ze vormen onderling een hechte band, maar in een kliekjesgeest. Ze spelen elkaar de bal toe, maar anderen sluiten ze buiten: "Want als gij bemint die u beminnen, wat voor recht op loon hebt gij dan? Doen de tollenaars niet hetzelfde?" (5,46)
Je moet zonde niet minimaliseren, want dan verklein je ook Gods barmhartigheid. Zonde is erg. Het allerergste. Maar de barmhartigheid is toch nog groter. Laat de zonde van de wereld en mijn eigen zonde groeien tot haar ware gedaante en dan Gods barmhartigheid nog groter laten zijn. Want "waar de zonde heeft gewoekerd, gedijde de genade tot nog rijker vrucht" (Rom 5,20).
Eerst is nodig, dat Hij ons aanziet: "eens ... zag Hij twee broers - Simon die Petrus wordt genoemd en diens broer Andreas ... Iets verder gaande zag Hij nog twee broers, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en diens broer Johannes." Hoe kijkt Jezus als Hij iemand roept? "Toen keek Jezus hem liefdevol aan: één ding ontbreekt u; ga verkopen wat ge bezit en geef het aan de armen, daarmee zult ge een schat in de hemel bezitten. En kom dan terug om Mij te volgen" (Mc 10,21). Als Jezus roept, is zijn blik vervuld van liefde, maar van een heel speciaal soort liefde. Barmhartige liefde: "Bij het zien van die menigte mensen werd Hij door medelijden bewogen." Zo heeft Jezus Matteüs aangezien, toen Hij hem riep: "liefdevol" en "door medelijden bewogen". Zo ziet Hij mij aan, nu ik mij in het gebed tot Hem keer. Die blik van Jezus op mij laten inwerken. Dan pas het woord van Jezus horen.

 
... en Hij zei tot hem: "Volg Mij."

Eigenlijk staat er: "Hij zag... en zégt." Het zeggen gebeurt in het nú. Dit woord klinkt nú nog tot elke mens. Want Jezus leeft. Om Matteüs te kunnen bereiken moet Jezus echter heel diep gaan, want rijken hebben een muur om zich heen gebouwd. Daarom is het voor rijken zo "moeilijk het Rijk der hemelen binnen te gaan" (19,23). Maar met zijn goddelijk woord dringt Jezus door "tot het raakpunt van ziel en geest, gewrichten en merg, en ontleedt de gedachten en bedoelingen van de mens. Geen schepsel is voor Hem verborgen, alles ligt open en bloot voor zijn ogen. Aan Hem hebben wij rekenschap af te leggen" (Hebr 3,12-13).
Laat ook ik Hem ook met zijn woord door alle afweer en verzet heen doordringen tot waar ik verlang me aan zijn barmhartige liefde over te geven?
Jezus vergeeft niet alleen. Hij roept de zondaar zelfs tot zijn gemeenschap, want dat betekenen die woorden: "Volg Mij." De leerling die zijn meester volgt, is dag en nacht bij hem. Er zal geen foto van Jezus meer zijn waar de tollenaar Matteüs niet op staat. "Hij werd voor ons tot zonde gemaakt" (2 Kor 5,21).

 
De man stond op en volgde Hem.

Dat de man opstond, heeft ook werkelijk iets van een "opstanding", een opstaan tot het nieuwe leven. Jezus is zozeer het nieuwe, echte leven, dat wie Hem niet volgen, eenvoudigweg "doden" worden genoemd: "Jezus zei hem: Volg Mij; laat de doden hun doden begraven" (8,22).

 
Terwijl Hij nu in diens woning aan tafel aanlag, kwamen ook vele tollenaars en zondaars met Jezus en zijn leerlingen aanliggen.

Tijdens het rusteloze leven in ongeborgenheid als volgeling achter Jezus aan, die niets heeft waar Hij zijn hoofd op kan laten rusten, is het samen met Jezus aan tafel aanliggen een rustpunt als een oase in de woestijn. De maaltijd in de woning van Matteüs is wel geen eucharistie, maar de eerste christenen dachten daar wel spontaan aan. Want zelf hadden ze nog geen kerken zoals wij. Maar "zij braken het brood in een of ander huis" (Hand 2,46). En als de tijdgenoten van de eerste generaties christenen neerkeken op hun gezelschap van veelal ontwortelde mensen, dan voelden zij zich gelegitimeerd door deze scene uit Jezus' leven, toen Hij daar werd aangetroffen aan een maaltijd met "vele tollenaars en zondaars". En juist zoals de eerste christenen werden bekritiseerd, zo was dat tot hun opluchting ook de Meester zelf met zijn leerlingen overkomen. En zij verdedigden zich met het antwoord aan de Farizeeën. Het medelijden geeft in de kerk, in het gezelschap van Jezus, de toon aan. Geen eucharistie zonder zondenbelijdenis en zonder "Heer, ontferm U over ons".

 
Toen de Farizeeën dat zagen, zeiden ze tot zijn leerlingen: "Waarom eet uw Meester met tollenaars en zondaars?"

Het is ook een schandaal. Stel: de paus stapt uit het vliegtuig en laat zich meteen naar het huis rijden van een steenrijke bankier! En de tollenaars zijn niet alleen rijk, maar ze zijn er ook nog op een oneerlijke manier aan gekomen, en om de maat vol te maken: ten koste van de kleinen die zich niet kunnen verweren. Zij pachtten immers de belasting en zorgden ervoor, dat zij die dubbel en dwars terugkregen. Jezus heeft er een scheldwoord aan overgehouden: "Kijk, die gulzigaard en wijndrinker, die vriend van tollenaars en zondaars!" (11,19) Dat is een titel die je in geen litanie aantreft. Maar misschien toch een titel die je je te binnen kunt brengen, wanneer je opziet tegen gewetensonderzoek en schuldbelijdenis. Zonder je een zondaar te weten, kun je geen vriend van Jezus zijn.
Het gaat er niet om de zonde goed te praten. Zonde is het grootste kwaad. Onze zonde heeft Jezus aan het kruis gebracht. Maar je mag altijd weten: zijn barmhartigheid is groter. Ook daarvan getuigt het kruis.

 
Jezus hoorde dit en zei: "Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken."

Jezus stelt zich hier voor als dokter, als geneesheer. Hij geneest de ziekten van de ziel, de zonden, en wel door ze te vergeven. Jezus ziet een lamme, een lichamelijk verlamde, maar het eerst waaraan Hij denkt, is: "Uw zonden zijn u vergeven" (9,2). En dan pas als teken van die genezing van zijn geestelijke verlamming door de zonde, geneest Jezus zijn lichamelijke verlamming.
Zoals een ziek mens niet naar een dokter gaat zonder meteen met zijn kwalen aan te komen, zo zou een gelovig mens bij Jezus eerst moeten aankomen met zijn zwakheden. Dat is de beste en de snelste manier om contact te krijgen in het gebed. Je niet mooier voordoen dan je bent. Je mag je kleinheid bij Hem veilig weten als bij een heel knappe dokter.


"Gaat heen en leert wat het zeggen wil: Ik wil liever barmhartigheid dan offers."

In dit evangelie schijnt het volgen van Jezus geheel en al te bestaan in het zich laten welgevallen van zijn barmhartigheid. Dat is de pointe waarheen dit gebeuren verwijst en waaraan het heel zijn betekenis ontvangt: "Ik wil liever barmhartigheid dan offers."
Iemands wil bepaalt welke waarde er aan zijn handelingen en woorden gegeven moet worden. Tenminste als iemand zuiver is van hart, zonder bijbedoelingen, nevenoogmerken en achtergedachten. Jezus is geheel en al zuiver van hart. Als Jezus zegt: "Ik wil liever barmhartigheid dan offers", dan betekent dit, dat wij dat moeten zoeken achter alles wat Hij vraagt en doet en zegt. Ook achter de offers die Hij vraagt. Want Jezus bedoelde natuurlijk niet, dat Hij geen offers zou vragen. Want juist te voren had Hij Matteüs geroepen om Hem te volgen met achterlating van alles. Maar dit offer evenals alle andere offers hebben de barmhartigheid tot inzet: niet om anderen te veroordelen of te straffen of te verwerpen zoals de Farizeeën willen. Jezus' Hart is vol goedheid en medelijden. Daarom "wil Ik aan degenen die het laatst is gekomen, evenveel geven als aan u (de werkers van het eerste uur)" (20,14). Dat kan gemakkelijk als willekeur klinken. Jezus acht zich niet gebonden aan wet en recht. Hij doet maar. Maar Hij doet maar raak naar één kant: de goedheid. Zijn willekeur leeft zich helemaal uit in goed-doen en goed-zijn: "Of zijt ge kwaad, omdat Ik goed ben?" (20,15) Van die wil heeft Jezus een wilsbeschikking nagelaten, een testament: "het nieuwe verbond in mijn Bloed, dat vergoten wordt tot vergeving van zonden" (26,28). Die barmhartige wil is er dus ook voor mij nu.

 
"Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars."

Met deze zin maakt Jezus de barmhartigheid tot inzet van zijn komst. Als Hij dat niet meer zou doen, zou Hij even goed kunnen weggaan of wegblijven. Zo ongeveer wanneer een minister meent zijn portefeuille te moeten neerleggen, wanneer hem niet de ruimte gegeven wordt voor de taak waarmee hij zich bij de aanvaarding van zijn ambtsperiode heeft belast. Barmhartigheid jegens de zondaars maakt het hart uit van Jezus' zending. Ik mag dus altijd rekenen op genade.

Het einde van het gebed even goed verzorgen als het begin. Gesprekjes houden met Matteüs, met Jezus als met een hartsvriend bij wie je je altijd veilig mag weten en met de Vader in de hemel. In de Naam van de Vader is Jezus zo barmhartig. Ik mag me bij Hem even veilig weten met mijn zonden als bij Jezus. Een Onze Vader bidden.

In een wat andere houding zodat ik kan schrijven, een terugblik houden of reflexie om beter de geesten te kunnen onderscheiden die mij bewegen:

  1. Waar was ik, toen ik niet bij Hem was? Aan mijn verstrooiingen kan ik zien wat bij mij het tolhuis is waarin ik vastzit. Waarover ben ik ontevreden, kritisch, rancuneus, meedogenloos?
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Bij welk woord of bij welke gedachte kreeg Jezus vat op me?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Is er een zekere eenheid van leven met Hem ontstaan die niet in stand gehouden wordt door mijn gedachten en mijn inspanning, maar die voortduurt uit kracht van de heilige Geest?

Jezus roept Matteüs