Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 11 | die Naïm heette; zijn leerlingen en een grote groep mensen gingen met Hem mee. |
| 12 | van de stadspoort gekomen, toen daar een dode werd uitgedragen, de enige zoon van zijn moeder, en deze was weduwe. Een groot aantal mensen uit de stad vergezelde haar. |
| 13 | voelde Hij medelijden met haar en sprak: "Schrei maar niet." |
| 14 | en raakte die aan. De dragers bleven staan en Hij sprak: "Jongeling, Ik zeg je: sta op!" |
| 15 | en Jezus gaf hem aan zijn moeder terug. |
| 16 | en zij verheerlijkten God zeggende: "Een groot profeet is onder ons opgestaan," en: "God heeft genadig neergezien op zijn volk." |
| 17 | door heel het joodse land en de wijde omtrek. |
| Lucas 7,11-17 |
Beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem, in een gesteltenis van aanvaarde machteloosheid. Al zou mijn geest zo levenloos zijn als die van de jongeman van Naïm, voor Jezus is dat van geen enkel belang. Integendeel, Hij kan meer doen, als wij meer overtuigd zijn van onze onmacht zelf te kunnen bidden. Bidden is een opwekkingsgebeuren in het klein. In het gebed wordt de mens door God opgewekt uit zijn in zich-zelf opgesloten-zijn. Om zijn macht over me vaardig te laten worden is vertrouwen voldoende.
Bij de plaats van het gebed staande me zijn
tegenwoordigheid bewust maken. Geen levenloze, passieve
tegenwoordigheid, maar vol van warme bewogenheid ("Hij gevoelde
medelijden met haar") en gereed om actief in te grijpen en het
proces van levensafbraak om te zetten in levensherstel. Nu voor
mij in het gebed.
Ik maak een gebaar van eerbied, van "ontzag", me
klein makend voor Hem, zodat Hij des te meer aan mij kan doen.
Dan ga ik het gebed in door de houding van het gebed aan te nemen, zittend, liggend of geknield, een houding die mij helpt om het besef van zijn actieve aanwezigheid te schragen. In deze houding vraag ik om de genade dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.
Ik overzie in het kort de geschiedenis. Het zijn als het ware twee processies die elkaar tegemoet trekken: uit de stad komt de processie van de dood en naar de stad toe de processie van het leven onder leiding van de "Vorst van het leven". Zo ook heel de mensheidsgeschiedenis zien en ook mijn eigen levensgeschiedenis: vanaf mijn geboorte ben ik bezig te sterven. Maar ik word tegemoetgekomen door de Vorst van het leven, die mijn ten dode neigende zondige leven loutert en van nieuw leven voorziet.
De plaats waar dit geschiedt: in de nabijheid van de stadspoort van Naïm en ook de plaatsen zien waar nu nog steeds Jezus' opwekkende kracht actief is: de genade-oorden bijvoorbeeld op onze wereld en in mijn eigen leven. Dat zijn ook altijd de plaatsen en situaties waar de onmacht sterk wordt ervaren. Dit besef kan mij brengen tot een andere beschouwing van de plaatsen en situaties van menselijk onheil. Het zijn ook de plaatsen waarop de betrokkenheid van Jezus het grootst en het hevigste is.
De bijzondere genade: om te mogen groeien in een innerlijke kennis van de Heer, zoals geschiedde aan de omstaanders die in Jezus "een groot profeet" hebben gezien in Wie God genadig neerziet op zijn volk (v.16).
"In die tijd begaf Jezus zich
naar een stad die Naïm heette; zijn leerlingen en een grote groep
mensen gingen met Hem mee."
Jezus heeft het initiatief. Hij bepaalt waarheen de reis gaat. Hij gaat voorop. Zijn leerlingen en een grote groep mensen volgen. Zo zou het ook in mijn leven moeten zijn: Jezus moet er de leiding hebben. Ik moet volgeling zijn, een christen, dat is een mens die zijn leven in het teken zet van de navolging van Christus.
"Hij was juist in de nabijheid
van de stadspoort gekomen, toen daar een dode werd uitgedragen,
de enige zoon van zijn moeder, die weduwe was. Een groot aantal
mensen uit de stad vergezelde haar."
Deze dood is wreed. Wat de weduwe zo kwetsbaar maakte in de oudheid, was het ontbreken van de inkomsten en de bescherming van de man. Juist toen haar enig kind oud genoeg was om de plaats van vader in te nemen, ontviel hij haar. Nu had zij niemand meer. De hele stad heeft er mee te doen. Zij dragen haar verdriet. Meer kunnen zij ook niet. De massaliteit van deze rouwbetuiging is ook een belijdenis van hun aller hulpeloosheid. Straks zal de weduwe alleen zijn. Voorgoed. Daar kan geen mens verandering in brengen. De mens niet, maar God wel.
"Toen de Heer haar zag, gevoelde
Hij medelijden met haar en sprak: Schrei maar niet."
God laat zich niet overtreffen in medelijden: Hij gevoelt medelijden met haar, met ons. Het wonder dat Hij doet, is zoals alle wonderen, een bewijs van zijn goddelijke macht. Maar de oorsprong van het wonder is het medelijdende hart van de Heer. Bij dit wonder staat dat er met even zoveel woorden bij. Bij alle andere wonderen mogen we het erbij denken. Want onze God is een medelijdende God. Al vanaf het begin van het verbond: "De Heer ging aan Mozes voorbij en riep: De Heer! De Heer is een barmhartige en medelijdende God, lankmoedig, groot in liefde en trouw" (Ex 34,6-7).
"Daarop trad Hij op de lijkbaar
toe en raakte die aan. De dragers bleven staan en Hij sprak:
Jongeling, Ik zeg je: sta op!"
Aanraken en met een enkel woord bevelen, méér heeft Jezus niet nodig om het onmogelijke mogelijk te maken. Jezus toont zich de meerdere van de profeet Elia die ook aan een weduwe haar enige zoon uit de dood teruggaf (1 Kon 17,23). Want Elia moest zich tot driemaal toe over de jongen uitstrekken terwijl hij smeekte: "Heer, mijn God, laat toch de ziel in dit kind terugkeren" (1 Kon 17,21). Jezus wordt door de evangelist zelf "Heer" genoemd ("Toen de Heer haar zag" v. 13) en Hij wekt de jongeman op met een enkel woord van zelfbewuste scheppingsmacht. Hier kan ik Jezus de doodlopende processen in de samenleving, de kerk, in het eigen milieu laten aanraken en in geloof zien hoe alles onder de ban staat van zijn opwekkingsmacht. Niet de afbraak en de dood hebben het laatste woord, - al schijnt het van wel, - maar Jezus. Geloof ik dat?
"De dode kwam overeind zitten en
begon te spreken en Jezus gaf hem aan zijn moeder terug."
In dit vers blijkt hoe niet de herlevende jongeman maar de weduwe in het midden staat. Het wonder was af, niet toen de jongeman overeind kwam en begon te spreken, maar toen Jezus hem aan zijn moeder teruggaf. Want Jezus stelt zijn macht in dienst van de barmhartigheid en het medelijden. Zolang wij leven, hoeven wij voor de macht van God niet bang te zijn. Wij leven in een tijd van genade, waarin de barmhartigheid zegeviert over het oordeel. Waar ik nu nog God zie met een straffende blik, ben ik niet gehoorzaam aan het evangelie. In God de Vader moet ik de trekken projecteren van Jezus' heilig aanschijn, met lijnen van mededogen. Dat gebeurde onder het volk.
"Allen werden door ontzag
bevangen en zij verheerlijkten God, zeggende: Een groot profeet
is onder ons opgestaan, en: God heeft genadig neergezien op zijn
volk."
Jezus doet het wonder, maar de eer gaat naar God: "Zij verheerlijkten God." Het lijkt een tegenstelling, maar het is precies wat Jezus wil: niet zo maar goed zijn voor de mensen, maar opdat zij zijn "Vader verheerlijken die in de hemel is" (Mt 5,16). Jezus wil de openbaring zijn van het medelijden waarmee God neerziet op zijn volk:
"Geprezen zij de Heer, Israëls God:
want genadig zag Hij neer en verloste zijn volk."
"...dank zij de milde erbarming van onze God,
waarmee Hij, gelijk de opgaande zon aan de hemel,
neerzag op ons" (1,68 en 78).
Het gebed besluiten zoals dit evangelie besluit: de verheffing tot God van het door Jezus aangeraakte hart. Gesprekjes voeren in een persoonlijk contact met de weduwe, met haar zoon, met Jezus en me tenslotte door Jezus naar zijn Vader laten leiden door de eigen dynamiek van het gebedscontact met Jezus. Een Onze Vader bidden.
In een andere houding zodat ik wat kan schrijven een terugblik of
reflexie houden door me de volgende vragen te
stellen:
