Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 36 | werd Jezus door medelijden bewogen, omdat ze afgetobd neerlagen als schapen zonder herder. |
| 37 | "De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. |
| 38 | arbeiders te sturen om te oogsten." |
| 1 | en gaf hun de macht om de onreine geesten uit te drijven en alle ziekten en kwalen te genezen. |
| 2 | als eerste, Simon die Petrus wordt genoemd, met zijn broer Andreas, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, met zijn broer Johannes; |
| 3 | Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Taddeüs, |
| 4 | die Hem verraden heeft. |
| 5 | "Begeeft u niet onder de heidenen en gaat niet binnen in een stad van de Samaritanen; |
| 6 | naar de verloren schapen van het huis van Israël. |
| 7 | Het Koninkrijk der hemelen is nabij. |
| 8 | reinigt melaatsen en drijft duivels uit. Voor niets hebt gij ontvangen, voor niets moet gij geven." |
| Matteüs 9, 36-10,8 |
Ermee beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem
die bij het zien van de menigte door medelijden bewogen werd.
Vóór ik begin te bidden, is het goed te zien hoe Hij te doen
heeft met mijn uiteenliggende, verstrooide gedachten en
gevoelens. In dit uur van gebed wil Hij mijn herder zijn, mij
rust en verlichting schenken (11,28). Ja, Hijzelf wil bidden in
mij. Dat kan mij losmaken van een al te grote bedrijvigheid en
zorgelijkheid, kortom van een schadelijke vorm van ik-gerichtheid.
Een paar passen vóór de plaats van het gebed blijf ik een
ogenblik stilstaan, de blik omhoog, zien hoe Hij mij ziet,
"door medelijden bewogen" en bereid om er alles aan te doen. In
eerbiedige dankbaarheid maak ik een gebaar van eerbied en
aanbidding; ik maak me klein, zodat Hij me nog beter kan helpen.
Ik neem de houding van het gebed aan, een houding die mij het meeste helpt om in het besef te blijven van zijn herderlijke zorgzaamheid voor mij. In die houding om de genade vragen, dat ik met mijn hele leven georiënteerd mag blijven op zijn herderlijke zorgzaamheid, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.
Ik bereid me er nu op voor het geheim binnen te gaan waarlangs God de Vader ons heeft willen verlossen, het geheim namelijk van zijn Zoon die voor ons mens is geworden en die in het geheim van de zending van zijn leerlingen zijn eigen geheim voortzet in de geschiedenis, in de kerk. Ik doorloop in het kort de geschiedenis: Jezus ziet de menigte tegenover zich en heeft gevoelens van medelijden met hen. De leerlingen ziet Hij er tussenin. Hij deelt aan hen een rol toe, namelijk om de gevoelens van zijn barmhartig Hart te vertolken. Want barmhartigheid is de inhoud van Jezus' leer en Jezus' daden. Hij kiest twaalf apostelen uit, twaalf ambassadeurs van het Godsrijk, en betrekt daarmee het hele volk in de zending. Hij schrijft hun dezelfde beperkingen, dezelfde inhoud, dezelfde machtsdaden en dezelfde onbaatzuchtigheid voor die eigen zijn aan zijn eigen zending. De geschiedenis gaat door tot op de dag van vandaag, tot op dit ogenblik, nu ik me in het gebed laat vormen in de gevoelens van Jezus' heilig Hart.
Om het gevaar te verkleinen, dat ik toch weer in mijn eigen gedachtenwereld gevangen blijf, stel ik me de plaats voor waar dit geschiedde. Ignatius van Loyola suggereert in de Geestelijke Oefeningen "een lieflijke plaats", ergens in het zachtglooiende land van Galilea. Eventueel stel ik me een priesterwijding voor; de plechtige, feestelijke sfeer. Of een vormsel.
Tenslotte vraag ik ook op dit punt om genade, de bijzondere genade die ik verlang te krijgen: een innerlijke kennis van Christus de Heer, een kennis die ontstaat vanuit een liefdevolle beschouwing van zijn Persoon.
Bij het zien van die menigte mensen werd Hij door
medelijden bewogen, omdat ze afgetobd neerlagen als schapen
zonder herder.
Men kan zich afvragen: hoe weet de evangelist, dat Jezus door
medelijden werd bewogen? Jezus heeft dat toch niet gezegd.
Misschien vulde de evangelist aan uit wat hij Jezus elders
uitdrukkelijk heeft horen zeggen: "Komt allen tot Mij die
uitgeput zijt en onder lasten gebukt" (11,28); "Ik heb medelijden
met al deze mensen" (15,32)? Misschien was het op het gezicht van
Jezus af te lezen? Lijnen van medelijden. Dat medelijden waarop
stakkerds zo graag een beroep deden: "Twee blinden ...: Heb
medelijden met ons" (9,27); de Kananeese met haar bezeten
dochtertje: "Heb medelijden met mij, Heer" (15,22). Misschien ook
heeft Matteüs het in zijn eigen hart gevoeld. Want als "apostel",
als gezondene deelde hij niet alleen in de macht, maar ook in de
gevoelens van Jezus' heilig Hart. De gezondene is gelijk aan die
hem zendt, tot in de gevoelens van zijn hart toe. En zoals
Matteüs zich in de gevoelens van Jezus' goddelijk Hart heeft
laten vormen door het leven van alledag met Hem te delen, zo kan
ik me in de gevoelens van Jezus' Hart laten vormen in de school
van het gebed.
Jezus ziet de menigte voor zich zoals wij de massa's voor ons
zien: gedesoriënteerd, doelloos rondzwalkend, blootgesteld aan
zelfzuchtige leiders, blootgesteld aan de meest tegenstrijdige
leuzen. En daardoor moedeloos en uitgeput. Afgeschreven door de
huidige leiders van het volk: "Dat volk, ja, dat de Wet niet
kent; vervloekt zijn ze!" (Joh 7,49). Er is maar één manier om er
echt iets aan te doen: de Heer van de oogst vragen om arbeiders
naar zijn Hart:
Toen sprak Hij tot zijn leerlingen: "De oogst is groot,
maar arbeiders zijn er weinig. Vraagt daarom de Heer van de oogst
arbeiders te sturen om te oogsten."
Hier brengt Jezus in herinnering, dat God de Heer van het volk is
en dat alles wat het volk aangaat onder zijn bevoegdheid valt. Er
kan geen sprake zijn van eigenmachtigheid, van zelfverzonnen
acties. Wie het volk echt wil helpen, kan niet in eigen naam en
op eigen vuist komen. Hij moet door de Heer van de oogst gezonden
zijn. Daarom moet "de Heer van de oogst gevraagd worden om
arbeiders te sturen om te oogsten." Zoals bij elke andere nood,
moet ik ook met de nood aan priesters eerst naar de Heer.
Men wordt dus medewerker van Jezus niet uit eigen beweging, op
grond van bijzondere verdiensten of kwaliteiten, maar doordat God
zelf als Heer van de oogst, iemand als helper uitkiest.
Eerst zegt Jezus zijn leerlingen, dat zij de Heer van de oogst om
arbeiders moeten vragen. En dan stelt Hij zelf arbeiders aan!
Hij riep zijn leerlingen bij zich en gaf hun macht om de
onreine geesten uit te drijven en alle ziekten en kwalen te
genezen ... "Verkondigt op uw tocht: Het koninkrijk der hemelen is
nabij. Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen en drijft
duivels uit. Voor niets hebt gij ontvangen, voor niets moet gij
geven."
Arbeiders aanstellen voor de oogst is een privilege van God, zegt
Jezus. Daarom moet ervoor gebeden worden. Door nu zelf arbeiders
aan te stellen maakt Jezus aanspraak op de volmacht van God. Hij
handelt dus in de naam van God, zoals de leerlingen in zijn naam
moeten en kunnen optreden. Jezus is de herder namens God: 1.
Jezus roept zoals God: "Hij riep zijn twaalf leerlingen." 2. Hij
geeft hun macht: "Hij gaf hun de macht." 3. De macht die Jezus
hun gaf, is zijn eigen macht, niets minder: want onreine geesten
uitdrijven deed Jezus zelf: 8,28-34; 9,32-34. Zieken genezen:
Jezus deed het: de verlamde knecht, Petrus' schoonmoeder (8,5-17),
de lamme (9,1-8), de bloedvloeiende vrouw (9,20-22), twee
blinden en een stomme (9,27-34). Doden opwekken, Jezus is ermee
begonnen: Jaïrus' dochtertje (9,18-26). Zelf ontplooide Jezus
zijn macht over de melaatsheid (8,1-4). De leerlingen krijgen dus
Jezus' eigen macht. Zij moeten zich ook aan hetzelfde preekthema
houden: "Verkondigt op uw tocht: Het Koninkrijk der hemelen is
nabij." Jezus verkondigde niet anders: "Van toen af begon Jezus
te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het Rijk der hemelen is
nabij" (4,17). Zij zijn tot dezelfde onbaatzuchtigheid verplicht.
Waar Jezus erop stond niets voor zichzelf te hebben: "De
Mensenzoon heeft niets waar Hij zijn hoofd op kan laten rusten"
(8,20), verplicht Hij zijn leerlingen tot eenzelfde
zelveloosheid: "Voor niets hebt gij ontvangen, voor niets moet
gij geven."
Tenslotte verplicht Hij zijn leerlingen Hem ook na te volgen in
de beperking van zijn zending tot Israël:
"Begeeft u niet onder de heidenen en gaat niet binnen in
een stad van de Samaritanen; gij moet veeleer gaan naar de
verloren schapen van het huis van Israël."
Volgens de zienswijze van het Oude Verbond had Israël een soort bruggenhoofd-functie. Vandaaruit zou het heil zich verspreiden naar de heidenvolken; of, beter gezegd: de heidenvolkeren zouden tot Israël komen. Israël is het licht van de volkeren. Zelfs Paulus, de apostel van de heidenen, hield zich daaraan. Eerst verkondigde hij het evangelie aan de joden. En als deze het afwezen, ging hij naar de heidenen. Want Israël heeft recht op Gods trouw. Als God eenmaal met een volk of met een persoon begonnen is, zal Hij dit volk of die persoon nooit meer afschrijven of laten vallen. Dat kan een veilig gevoel geven.
Dit zijn de namen van de twaalf apostelen: als eerste,
Simon die Petrus wordt genoemd, met zijn broer Andreas, Jakobus,
de zoon van Zebedeüs, met zijn broer Johannes; Filippus en
Bartolomeüs, Tomas en Matteüs de tollenaar, Jakobus, de zoon van
Alfeüs en Taddeüs, Simon de IJveraar en Judas Iskariot, die Hem
verraden heeft.
Ze worden met name genoemd. Jezus stelt geen collectief aan, maar
personen met een eigen naam, een eigen gezicht en een eigen
verantwoordelijkheid. Dat de aanstelling de eigen vrijheid niet
tekort doet, wordt duidelijk uit de laatste naam: "Judas
Iskariot, die Hem verraden heeft." De concrete namen zijn
overigens minder belangrijk dan dat het er twaalf zijn. Wie er
precies tot de twaalf hebben behoord, daarover bestaat bij de
evangelisten geen eenstemmigheid. Wél dat het er twaalf waren. In
de twaalf wordt het hele volk van Israël geroepen. De twaalf
apostelen zijn de eerste generatie van het hele volk zoals de
twaalf zonen van Jakob stamvaders waren van het hele volk.
In dit evangelie staat het er wel niet met evenzoveel woorden
bij, dat de twaalf twee aan twee werden uitgezonden (Lc 10,1),
maar door de paarsgewijze opsomming wordt dit wel gesuggereerd.
In het toenmalige recht kreeg iets pas rechtsgeldigheid als het
werd gestaafd door het getuigenis van twee of drie personen
(18,15-17). Dat de apostelen steeds met zijn tweeën optreden,
geeft aan hun zending het merkteken van ambtelijke
rechtsgeldigheid. Daardoor zijn ze méér dan wat ze uit zichzelf
zijn. Dat is de strekking van heel dit zendingsgebeuren: de
leerlingen worden door Jezus boven zichzelf uitgeheven. Zij
worden andere Jezussen. Want het is alleen Jezus zelf door wie
God de wereld wil redden. Door Jezus, zijn eniggeboren Zoon en
door de voortlevende Jezus in zijn mystiek lichaam, de kerk.
Aan het einde proberen de vrucht van het gebed over de drempel van het gebed mee te nemen het gewone leven in, bijvoorbeeld door gesprekjes te voeren met de personen die in het evangelie voorkwamen: de leerlingen, Jezus en de Vader op de achtergrond. In het gesprek met Jezus kan ik erop letten hoe Hij in mij spreekt en hoe Hij mijn voorspreker wil zijn bij zijn Vader. Een Onze Vader.
In een andere houding, zodat ik kan schrijven, de vragen van de
reflexie beantwoorden:
