Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Elfde zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
36 Bij het zien van de menigte mensen
werd Jezus door medelijden bewogen,
omdat ze afgetobd neerlagen als schapen zonder herder.
37 Toen sprak Hij tot zijn leerlingen:
"De oogst is wel groot,
maar arbeiders zijn er weinig.
38 Vraagt daarom de Heer van de oogst
arbeiders te sturen om te oogsten."
1 Hij riep zijn twaalf leerlingen bij zich
en gaf hun de macht
om de onreine geesten uit te drijven
en alle ziekten en kwalen te genezen.
2 Dit zijn de namen van de twaalf apostelen:
als eerste, Simon die Petrus wordt genoemd,
met zijn broer Andreas,
Jakobus, de zoon van Zebedeüs, met zijn broer Johannes;
3 Filippus en Bartolomeüs, Tomas en Matteüs de tollenaar,
Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Taddeüs,
4 Simon de IJveraar en Judas Iskariot,
die Hem verraden heeft.
5 Deze twaalf zond Jezus uit met de opdracht:
"Begeeft u niet onder de heidenen
en gaat niet binnen in een stad van de Samaritanen;
6 gij moet veeleer gaan
naar de verloren schapen van het huis van Israël.
7 Verkondigt op uw tocht:
Het Koninkrijk der hemelen is nabij.
8 Geneest zieken, wekt doden op,
reinigt melaatsen en drijft duivels uit.
Voor niets hebt gij ontvangen,
voor niets moet gij geven."
Matteüs 9, 36-10,8

Ermee beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem die bij het zien van de menigte door medelijden bewogen werd. Vóór ik begin te bidden, is het goed te zien hoe Hij te doen heeft met mijn uiteenliggende, verstrooide gedachten en gevoelens. In dit uur van gebed wil Hij mijn herder zijn, mij rust en verlichting schenken (11,28). Ja, Hijzelf wil bidden in mij. Dat kan mij losmaken van een al te grote bedrijvigheid en zorgelijkheid, kortom van een schadelijke vorm van ik-gerichtheid.
Een paar passen vóór de plaats van het gebed blijf ik een ogenblik stilstaan, de blik omhoog, zien hoe Hij mij ziet, "door medelijden bewogen" en bereid om er alles aan te doen. In eerbiedige dankbaarheid maak ik een gebaar van eerbied en aanbidding; ik maak me klein, zodat Hij me nog beter kan helpen.

Ik neem de houding van het gebed aan, een houding die mij het meeste helpt om in het besef te blijven van zijn herderlijke zorgzaamheid voor mij. In die houding om de genade vragen, dat ik met mijn hele leven georiënteerd mag blijven op zijn herderlijke zorgzaamheid, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Ik bereid me er nu op voor het geheim binnen te gaan waarlangs God de Vader ons heeft willen verlossen, het geheim namelijk van zijn Zoon die voor ons mens is geworden en die in het geheim van de zending van zijn leerlingen zijn eigen geheim voortzet in de geschiedenis, in de kerk. Ik doorloop in het kort de geschiedenis: Jezus ziet de menigte tegenover zich en heeft gevoelens van medelijden met hen. De leerlingen ziet Hij er tussenin. Hij deelt aan hen een rol toe, namelijk om de gevoelens van zijn barmhartig Hart te vertolken. Want barmhartigheid is de inhoud van Jezus' leer en Jezus' daden. Hij kiest twaalf apostelen uit, twaalf ambassadeurs van het Godsrijk, en betrekt daarmee het hele volk in de zending. Hij schrijft hun dezelfde beperkingen, dezelfde inhoud, dezelfde machtsdaden en dezelfde onbaatzuchtigheid voor die eigen zijn aan zijn eigen zending. De geschiedenis gaat door tot op de dag van vandaag, tot op dit ogenblik, nu ik me in het gebed laat vormen in de gevoelens van Jezus' heilig Hart.

Om het gevaar te verkleinen, dat ik toch weer in mijn eigen gedachtenwereld gevangen blijf, stel ik me de plaats voor waar dit geschiedde. Ignatius van Loyola suggereert in de Geestelijke Oefeningen "een lieflijke plaats", ergens in het zachtglooiende land van Galilea. Eventueel stel ik me een priesterwijding voor; de plechtige, feestelijke sfeer. Of een vormsel.

Tenslotte vraag ik ook op dit punt om genade, de bijzondere genade die ik verlang te krijgen: een innerlijke kennis van Christus de Heer, een kennis die ontstaat vanuit een liefdevolle beschouwing van zijn Persoon.

 
Bij het zien van die menigte mensen werd Hij door medelijden bewogen, omdat ze afgetobd neerlagen als schapen zonder herder.

Men kan zich afvragen: hoe weet de evangelist, dat Jezus door medelijden werd bewogen? Jezus heeft dat toch niet gezegd. Misschien vulde de evangelist aan uit wat hij Jezus elders uitdrukkelijk heeft horen zeggen: "Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt" (11,28); "Ik heb medelijden met al deze mensen" (15,32)? Misschien was het op het gezicht van Jezus af te lezen? Lijnen van medelijden. Dat medelijden waarop stakkerds zo graag een beroep deden: "Twee blinden ...: Heb medelijden met ons" (9,27); de Kananeese met haar bezeten dochtertje: "Heb medelijden met mij, Heer" (15,22). Misschien ook heeft Matteüs het in zijn eigen hart gevoeld. Want als "apostel", als gezondene deelde hij niet alleen in de macht, maar ook in de gevoelens van Jezus' heilig Hart. De gezondene is gelijk aan die hem zendt, tot in de gevoelens van zijn hart toe. En zoals Matteüs zich in de gevoelens van Jezus' goddelijk Hart heeft laten vormen door het leven van alledag met Hem te delen, zo kan ik me in de gevoelens van Jezus' Hart laten vormen in de school van het gebed.
Jezus ziet de menigte voor zich zoals wij de massa's voor ons zien: gedesoriënteerd, doelloos rondzwalkend, blootgesteld aan zelfzuchtige leiders, blootgesteld aan de meest tegenstrijdige leuzen. En daardoor moedeloos en uitgeput. Afgeschreven door de huidige leiders van het volk: "Dat volk, ja, dat de Wet niet kent; vervloekt zijn ze!" (Joh 7,49). Er is maar één manier om er echt iets aan te doen: de Heer van de oogst vragen om arbeiders naar zijn Hart:

 
Toen sprak Hij tot zijn leerlingen: "De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig. Vraagt daarom de Heer van de oogst arbeiders te sturen om te oogsten."

Hier brengt Jezus in herinnering, dat God de Heer van het volk is en dat alles wat het volk aangaat onder zijn bevoegdheid valt. Er kan geen sprake zijn van eigenmachtigheid, van zelfverzonnen acties. Wie het volk echt wil helpen, kan niet in eigen naam en op eigen vuist komen. Hij moet door de Heer van de oogst gezonden zijn. Daarom moet "de Heer van de oogst gevraagd worden om arbeiders te sturen om te oogsten." Zoals bij elke andere nood, moet ik ook met de nood aan priesters eerst naar de Heer.
Men wordt dus medewerker van Jezus niet uit eigen beweging, op grond van bijzondere verdiensten of kwaliteiten, maar doordat God zelf als Heer van de oogst, iemand als helper uitkiest.
Eerst zegt Jezus zijn leerlingen, dat zij de Heer van de oogst om arbeiders moeten vragen. En dan stelt Hij zelf arbeiders aan!

 
Hij riep zijn leerlingen bij zich en gaf hun macht om de onreine geesten uit te drijven en alle ziekten en kwalen te genezen ... "Verkondigt op uw tocht: Het koninkrijk der hemelen is nabij. Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen en drijft duivels uit. Voor niets hebt gij ontvangen, voor niets moet gij geven."

Arbeiders aanstellen voor de oogst is een privilege van God, zegt Jezus. Daarom moet ervoor gebeden worden. Door nu zelf arbeiders aan te stellen maakt Jezus aanspraak op de volmacht van God. Hij handelt dus in de naam van God, zoals de leerlingen in zijn naam moeten en kunnen optreden. Jezus is de herder namens God: 1. Jezus roept zoals God: "Hij riep zijn twaalf leerlingen." 2. Hij geeft hun macht: "Hij gaf hun de macht." 3. De macht die Jezus hun gaf, is zijn eigen macht, niets minder: want onreine geesten uitdrijven deed Jezus zelf: 8,28-34; 9,32-34. Zieken genezen: Jezus deed het: de verlamde knecht, Petrus' schoonmoeder (8,5-17), de lamme (9,1-8), de bloedvloeiende vrouw (9,20-22), twee blinden en een stomme (9,27-34). Doden opwekken, Jezus is ermee begonnen: Jaïrus' dochtertje (9,18-26). Zelf ontplooide Jezus zijn macht over de melaatsheid (8,1-4). De leerlingen krijgen dus Jezus' eigen macht. Zij moeten zich ook aan hetzelfde preekthema houden: "Verkondigt op uw tocht: Het Koninkrijk der hemelen is nabij." Jezus verkondigde niet anders: "Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij" (4,17). Zij zijn tot dezelfde onbaatzuchtigheid verplicht. Waar Jezus erop stond niets voor zichzelf te hebben: "De Mensenzoon heeft niets waar Hij zijn hoofd op kan laten rusten" (8,20), verplicht Hij zijn leerlingen tot eenzelfde zelveloosheid: "Voor niets hebt gij ontvangen, voor niets moet gij geven."
Tenslotte verplicht Hij zijn leerlingen Hem ook na te volgen in de beperking van zijn zending tot Israël:

 
"Begeeft u niet onder de heidenen en gaat niet binnen in een stad van de Samaritanen; gij moet veeleer gaan naar de verloren schapen van het huis van Israël."

Volgens de zienswijze van het Oude Verbond had Israël een soort bruggenhoofd-functie. Vandaaruit zou het heil zich verspreiden naar de heidenvolken; of, beter gezegd: de heidenvolkeren zouden tot Israël komen. Israël is het licht van de volkeren. Zelfs Paulus, de apostel van de heidenen, hield zich daaraan. Eerst verkondigde hij het evangelie aan de joden. En als deze het afwezen, ging hij naar de heidenen. Want Israël heeft recht op Gods trouw. Als God eenmaal met een volk of met een persoon begonnen is, zal Hij dit volk of die persoon nooit meer afschrijven of laten vallen. Dat kan een veilig gevoel geven.

 
Dit zijn de namen van de twaalf apostelen: als eerste, Simon die Petrus wordt genoemd, met zijn broer Andreas, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, met zijn broer Johannes; Filippus en Bartolomeüs, Tomas en Matteüs de tollenaar, Jakobus, de zoon van Alfeüs en Taddeüs, Simon de IJveraar en Judas Iskariot, die Hem verraden heeft.

Ze worden met name genoemd. Jezus stelt geen collectief aan, maar personen met een eigen naam, een eigen gezicht en een eigen verantwoordelijkheid. Dat de aanstelling de eigen vrijheid niet tekort doet, wordt duidelijk uit de laatste naam: "Judas Iskariot, die Hem verraden heeft." De concrete namen zijn overigens minder belangrijk dan dat het er twaalf zijn. Wie er precies tot de twaalf hebben behoord, daarover bestaat bij de evangelisten geen eenstemmigheid. Wél dat het er twaalf waren. In de twaalf wordt het hele volk van Israël geroepen. De twaalf apostelen zijn de eerste generatie van het hele volk zoals de twaalf zonen van Jakob stamvaders waren van het hele volk.
In dit evangelie staat het er wel niet met evenzoveel woorden bij, dat de twaalf twee aan twee werden uitgezonden (Lc 10,1), maar door de paarsgewijze opsomming wordt dit wel gesuggereerd. In het toenmalige recht kreeg iets pas rechtsgeldigheid als het werd gestaafd door het getuigenis van twee of drie personen (18,15-17). Dat de apostelen steeds met zijn tweeën optreden, geeft aan hun zending het merkteken van ambtelijke rechtsgeldigheid. Daardoor zijn ze méér dan wat ze uit zichzelf zijn. Dat is de strekking van heel dit zendingsgebeuren: de leerlingen worden door Jezus boven zichzelf uitgeheven. Zij worden andere Jezussen. Want het is alleen Jezus zelf door wie God de wereld wil redden. Door Jezus, zijn eniggeboren Zoon en door de voortlevende Jezus in zijn mystiek lichaam, de kerk.

Aan het einde proberen de vrucht van het gebed over de drempel van het gebed mee te nemen het gewone leven in, bijvoorbeeld door gesprekjes te voeren met de personen die in het evangelie voorkwamen: de leerlingen, Jezus en de Vader op de achtergrond. In het gesprek met Jezus kan ik erop letten hoe Hij in mij spreekt en hoe Hij mijn voorspreker wil zijn bij zijn Vader. Een Onze Vader.

In een andere houding, zodat ik kan schrijven, de vragen van de reflexie beantwoorden:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Verstrooiingen wijzen mij de weg naar die gedeelten in mijn leven waar ik een eigen leven leid, waar ik me niet laat opnemen in de zending van Jezus.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar merkte ik, dat Jezus zelf in mij bad tot zijn hemelse Vader?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Als het Jezus zelf was die in mij bad, kan het niet anders of het bidden gaat door, na en dus los van mijn eigen inspanningen.

Jezus en de twaalf apostelen