Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 36 | Jezus trad het huis van de Farizeeër binnen en ging aanliggen. |
| 37 | was te weten gekomen dat Jezus in het huis van de Farizeeër te gast was. Zij nam een albasten vaasje met balsem mee |
| 38 | Haar tranen maakten zijn voeten nat, die ze met haar hoofdhaar afdroogde. Zij kuste ze keer op keer en zalfde ze met de balsem. |
| 39 | zei hij bij zichzelf: "Als dit een profeet was, zou Hij weten wie en wat voor een vrouw het is die Hem aanraakt; het is immers een zondares." |
| 40 | "Simon, Ik heb u iets te zeggen." Waarop deze zei: "Zeg het, Meester." |
| 41 | de een was hem vijfhonderd, de ander vijftig denariën schuldig. |
| 42 | schold hij ze aan allebei kwijt. Wie van hen zal nu het meest van hem houden?" |
| 43 | - antwoordde Simon -, "diegene aan wie hij het meeste heeft kwijtgescholden." Jezus zei tot hem: "Uw oordeel is juist." |
| 44 | "Ge ziet die vrouw daar? Ik kwam uw huis binnen; ge hebt niet eens water over mijn voeten gegoten, maar mijn voeten zijn nat geworden door haar tranen en zij heeft ze met haar haren afgedroogd. |
| 45 | maar zij hield sinds Ik binnenkwam niet op mijn voeten te kussen. |
| 46 | maar zij heeft mijn voeten gezalfd met balsem. |
| 47 | haar zonden zijn haar vergeven, al zijn ze nog zo talrijk, want zij heeft veel liefde betoond. Weinig liefde betoont hij aan wie weinig wordt vergeven." |
| 48 | "Uw zonden zijn u vergeven." |
| 49 | "Wie is deze man, die zelfs zonden vergeeft?" |
| 50 | "Uw geloof heeft u gered: ga in vrede." |
| Lucas 7,36-50 |
Beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem. Wat ons geweten verontrust, onze zondigheid, mogen wij bij Hem veilig weten. Dat is ons redding brengend geloof: "Wij zullen voor zijn aanschijn ons hart geruststellen bij alles waarin het ons veroordeelt, want God is groter dan ons hart en Hij weet alles" (1 Joh 3,20).
Bij de plaats van het gebed een ogenblik staande me zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, zien hoe Hij mij ziet, niet veroordelend zoals de Farizeeër de zondares bezag, maar zoals Jezus: vol vrede, verzoenend. Met een gebaar zijn liefde beantwoorden.
Het gebed ingaan door de houding van het gebed aan te nemen, liggend, zittend of geknield en in die houding om de genade vragen, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.
De geschiedenis: Jezus heeft in een synagoge
gepreekt. Daarna wordt hij door een Farizeeër bij zich
uitgenodigd. In wat een vrouw die in de stad om haar zonden
bekend stond, aan Jezus deed, kunnen wij de kern van de Blijde
Boodschap vernemen. Een zondares wordt overweldigd door dankbare
liefde jegens Jezus. De houding van Simon de Farizeeër dient
ervoor om aan de hand van een contrast nog beter het
onvanzelfsprekende van het evangelie tot uiting te laten komen.
Die geschiedenis vindt ook in ons plaats. Nog steeds moet ik me
bekeren van de houding van de Farizeeër jegens het kwaad (van
anderen en van mijzelf) tot de houding van Jezus.
Vragen om de bijzondere genade: om een innerlijke kennis van Jezus, een kennis van zijn heilig Hart, "geduldig en groot in barmhartigheid" (Litanie van het heilig Hart van Jezus).
De plaats: een oosters huis met een binnenplaats waar de tafels op feestelijke wijze staan gerangschikt met rustbanken waarop de gasten aan tafel aanliggen. De binnenplaats is van buitenaf gemakkelijk te bereiken door een poort aan de voorkant van het huis. Op die binnenplaats bevinden zich twee polen: Jezus en bij Hem de zondares én de Farizeeër. Twee werelden. Die twee werelden leven ook in mij.
"Een van de Farizeeën vroeg Jezus
eens bij zich te eten. Jezus trad het huis van de Farizeeër
binnen en ging aanliggen."
Het zal als volgt gegaan zijn. Jezus heeft naar gewoonte in de synagoge gepreekt. Na afloop gaat één van de Farizeeën op Hem toe en vraagt Hem bij zich te eten. Wat daar achter zit? Misschien niets bijzonders. Misschien was het een gewoonte, dat de plaatselijke geestelijkheid of iemand van het kerkbestuur een vreemde prdedikant bij zich voor de maaltijd uitnodigde. Misschien zat er ook wel iets van beginnend geloof bij de Farizeeër. Hij mompelt tenminste inwendig iets over: "als dit een profeet was..." Minstens houdt hij rekening met de mogelijkheid dat Jezus een profeet zou kunnen zijn. Als ík nu Jezus bij me uitnodig, zou het goed zijn aan te sluiten bij de verwachtingen zoals die werkelijk in mijn hart leven, niet meer, maar ook niet minder. Mijn geloof laten blijken, maar ook mijn ongeloof niet verdringen.
"Een vrouw nu, die in de stad als
zondares bekend stond, was te weten gekomen dat Jezus in het huis
van de Farizeeër te gast was."
Jezus had met zijn preek haar hart geraakt. Haar zondige hart. Zij had zich aangesproken gevoeld. Blijkbaar sprak Jezus over de zonde. Maar hoe? De zondares werd er niet door afgeschrikt, maar aangetrokken. Jezus' woorden maakten haar niet treurig, maar dankbaar. Als zondenoverweging me treurig maakt, dan doe ik het niet goed. Dan doe ik het te weinig in het licht van Gods barmhartigheid, teveel om er zelf mee in het reine te komen. Trouwens, in het licht van Gods barmhartigheid zie je je zonden pas goed. Zonden is dan niet meer louter wat ik verkeerd deed, maar uiteindelijk waarover Hij zijn barmhartigheid uitgiet. De minnetjes gaan ervan af. Het worden plusjes. Iets positiefs. Positief door wat Hij eraan doet. Zoals de wondetekenen van Jezus zijn glorietekenen zijn geworden. De wonden die er door onze zonden ingeslagen werden, schitteren van de liefde waarmee Hij onze zonden heeft gedragen. Zo gezien zou ik God zelfs kunnen bedanken voor mijn zonden: zij werden aanleiding voor God om zijn barmhartigheid te openbaren.
"Zij nam een albasten vaasje met
balsem mee en ging schreiend achter Hem, bij zijn voeten staan.
Haar tranen maakten zijn voeten nat, die ze met haar hoofdhaar
afdroogde. Zij kuste ze keer op keer en zalfde ze met de
balsem."
Jezus sprak over de zonden, zonder te verbloemen en zonder
goed te praten. Maar niet het aanklagen van de zonde was het
einde, maar het verkondigen van Gods barmhartigheid jegens de
zondaars. En Jezus deed dat met zoveel liefde, met zoveel
zalving. Zijn woorden waren als balsem voor haar zondige hart.
Balsem was het wat zij nodig had om haar gevoelens voor Hem tot
uitdrukking te brengen. Bij Jezus gekomen schoot haar gemoed vol.
Zij laat zich gaan. Haar tranen maakten haar voeten nat, die ze
met haar hoofdhaar afdroogde. Zij kuste ze keer op keer en
zalfde ze met de balsem. Want haar zonden waarom ze in de stad
bekend stond en die haar door de preek van Jezus meer dan
levensgroot voor ogen kwamen te staan, bleken ineens geen
belemmering meer voor haar contact met God. Integendeel. Van
Jezus hoorde ze, dat God juist door de rouwmoedige zondaar wordt
aangetrokken, dat Hij juist als een herder het verloren schaap
achterna gaat.
Wat is er mooier dan een mens die overweldigd wordt door eigen
kleinheid en slechtheid in het zachte licht van Gods
barmhartigheid! Het maakt de mens op zijn mooist tegenover God op
zijn grootst. En ook is er geen snellere en veiliger weg naar
God toe dan je eigen kleinheid voor ogen stellen en Gods
barmhartigheid: "Heer, ontferm U over ons" (17,13). "God, wees
mij, zondaar, genadig" (18,14).
"Toen de Farizeeër die Hem
uitgenodigd had, dit zag, zei hij bij zichzelf: Als dit een
profeet was, zou Hij weten wie en wat voor een vrouw het is die
Hem aanraakt; het is immers een zondares."
"Als dit een profeet was..." Voor de Farizeeër kan een profeet geen vriend van zondaars zijn. Voor Jezus kan dat wel. Jezus had zo zijn idee van de profeet, en van God namens Wie de profeet geacht wordt te spreken. Wat Jezus daar doet en laat doen, doet Hij als profeet. Het is een profetisch spreken, in de naam van God.
"Jezus gaf hem ten antwoord:
Simon, Ik heb u iets te zeggen. Waarop deze zei: Zeg het,
Meester. Een geldschieter had twee schuldenaars, de een was hem
vijfhonderd, de ander vijftig denariën schuldig. Omdat zij die
niet konden teruggeven, schold hij ze aan allebei kwijt. Wie van
hen zal nu het meest van hem houden? Ik veronderstel, antwoordde
Simon, diegene aan wie hij het meeste heeft kwijtgescholden.
Jezus zei tot hem: Uw oordeel is juist."
Jezus gaat met de parabel haar gedrag verklaren. Het is een beeldverhaal. Hij zegt de tekst bij het levende, maar zijgende tafereel van de zondares aan zijn voeten. Hij maakt openbaar waar haar hart zo vol van is: van dankbaarheid over de vergiffenis van haar zonden, omdat Jezus gepreekt heeft over Gods goedheid die de zonden vergeeft. Aan de dankbaarheid leer je de vergevende liefde van God kennen. De wederliefde weerspiegelt de liefde: "Want zij heeft veel liefde betoond" betekent: dat zij veel liefde toont, is het kenteken dat haar veel is vergeven. Het woord "want" kan ook uitdrukken waardoor iets gekend wordt zoals in uitdrukkingen als: "Het wordt herfst, want de bladeren vallen." Dit "want" betekent: dat kun je zien aan het vallen van de bladeren.
"Daarop keerde Hij zich tot de
vrouw en zei tot Simon: Ge ziet die vrouw daar? Ik kwam uw huis
binnen; ge hebt niet eens water over mijn voeten gegoten, maar
mijn voeten zijn nat geworden door haar tranen en zij heeft ze
met haar haren afgedroogd. Gij hebt Mij niet eens een kus
gegeven, maar zij hield sinds Ik binnenkwam niet op mijn voeten
te kussen. Gij hebt mijn hoofd niet met olie gezalfd, maar zij
heeft mijn voeten gezalfd met balsem. Daarom zeg Ik u: haar
zonden zijn haar vergeven, al zijn ze nog zo talrijk, want zij
heeft veel liefde betoond. Weinig liefde betoont hij aan wie
weinig wordt vergeven."
Jezus heeft alles gemerkt. Ook het fijngevoeligste merkt Hij op. Hij is net als zijn Vader: "Uw Vader weet wel, dat gij dit alles nodig hebt" (12,30) ..."Als gij bidt, gebruikt dan geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want deze menen dat zij door hun veelheid van woorden verhoring zullen vinden. Volgt hun voorbeeld dus niet na, want vóórdat gij Hem vraagt, weet uw Vader wat gij nodig hebt" (Mt 6,7-8). Niet zakelijk zijn in het gebed, bijvoorbeeld door je af te vragen: wat haalt het uit? Waar dient het voor? Als God echt Iemand is, dan komt alles op een heel ander niveau te liggen. Dan is het niet gek om veel tijd voor het gebed uit te trekken. Ook kan het je leren om gewoon te doen in het gebed. Je hoeft niet iets bijzonders te doen of te beloven om zijn aandacht te trekken.
"Daarop sprak Hij tot haar: Uw
zonden zijn u vergeven. De andere gasten vroegen zich af: Wie is
deze man, die zelfs zonden vergeeft? Jezus zei tot de vrouw: Uw
geloof heeft u gered: ga in vrede."
De zonde van de Farizeeër was misschien niet het gebrek aan
égards, aan beleefdheidsuitingen. Want sommige van die gebaren
waren alleen gebruikelijk bij heel hoge gasten. Zijn eigenlijke
zonde was zijn gebrek aan geloof, zijn zelfgenoegzaamheid. Dat
hijzelf in het middelpunt stond, vanwaaruit hij alles meende te
kunnen beoordelen. Geloven is je openstellen voor een andere kijk
op de dingen en je daarbij uit handen geven aan een persoon.
Daarom zei Jezus tot de vrouw:
"Uw geloof heeft u gered." Dat zij
zich zo heeft laten gaan. Voor haar was Jezus al helemaal de Heer
die met souvereine macht vergeeft.
"Uw geloof heeft u gered." De bekering die de Heer van mij
vraagt, moet ten diepste geloof zijn, overgave. Haar geloof
maakte haar eigenlijke bekering uit: "Bekeert u en gelooft in de
Blijde Boodschap" (Mt 4,17). Dat zijn niet twee naast elkaar
liggende eisen. Ze zijn één. Het één bestaat in het ander. Geloof
wil hier verstaan worden als totale zelfovergave, als
vertrouwvol en voorbehoudsloos zich aan God overgeven. Een
bekering die alleen bestaat in afschuw en afkeer van de zonde, is
niet voldoende. Dat noemen we wroeging. Judas had dat. Wroeging
heeft alleen oog voor de eigen (falende) rol. Weer staat de mens
in het middelpunt, juist als in de zonde. Heel anders de
boetvaardige zondares: ook zij weent over haar weggegooid leven,
maar zij doet dat aan de voeten van Jezus, zich uitleverend aan
zijn grenzenloze goedheid. Dat is haar redding: "Uw geloof heeft
u gered."
De zondares is zó gegrepen door Jezus' liefde, dat zij gewoon
niet anders kan dan Hem van ganser harte tegemoet te snellen. In
de liefdevolle toewending tot Hem laten alle bindingen aan de
zondige wereld en het zondige ik los.
"De andere gasten vroegen zich
af: Wie is deze man, die zelfs zonden vergeeft?"
Wie Hij is, dat zal ik merken in mijzelf, als ik Hem aan mij zijn barmhartigheid laat bewijzen. Want Jezus is, dat zal ik merken in mijzelf, als ik Hem aan mij zijn barmhartigheid laat bewijzen. Want Jezus is niet een leraar of een profeet die de goddelijke geboden in herinnering brengt of zelfs maar een officiële vertegenwoordiger van God, nee, naar Hém persoonlijk gaat de liefde van de zondares uit, in Hem gelooft zij als in God zelf, want: "Wie anders kan zonden vergeven dan God alleen?" (Mc 2,27).
Na afloop de gesprekjes voeren met Jezus als met een vriend die men, zoals het spreekwoord zegt, het best leert kennen in de nood, in de nood van zonde. In vertrouwen dat Jezus ons het hart van de Vader laat zien, me door Hem naar de Vader laten brengen. Bij de Vader mijn hart uitstorten. Een Onze Vader bidden.
Aan de hand van de vragen van de reflexie kan ik
peilen waar er nog harde plekken zitten in mijn hart of
zelfgenoegzaamheid: