Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Twaalfde zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
26 In die tijd zei Jezus tot zijn apostelen:
"Weest niet bang voor de mensen.
Niets is bedekt of het zal onthuld,
niets verborgen of het zal bekend worden.
27 Wat Ik u zeg in het duister,
spreekt dat uit in het licht,
en wat ge u in het oor hoort fluisteren,
verkondigt dat van de daken.
28 Weest niet bevreesd voor hen
die wel het lichaam kunnen doden
maar niet de ziel;
vreest veeleer Hem
die én ziel én lichaam
in het verderf kan storten in de hel.
29 Verkoopt men niet twee mussen voor een stuiver?
En toch zal buiten de wil van uw Vader
niet één mus op de grond vallen.
30 Bij u echter is zelfs ieder haar van uw hoofd geteld.
31 Weest dus niet bevreesd;
gij zijt toch méér waard dan een zwerm mussen.
32 Ieder die Mij bij de mensen belijdt,
zal ook Ik als de mijne erkennen bij mijn Vader
die in de hemel is.
33 Maar ieder die Mij zal verloochenen
tegenover de mensen,
zal ook Ik verloochenen
tegenover mijn Vader die in de hemel is."
Matteüs 10, 26-33

Niet meteen beginnen, maar eerst de instelling verzorgen: de geest laten rusten bij Hem uit wiens liefdevolle zorg ik nooit wegval.

Een paar passen vóór de plaats van het gebed, staande me zijn aanwezigheid te binnen brengen, zien hoe Hij mij als de zijne erkent bij zijn Vader die in de hemel is. Me in een gebaar van eerbied klein maken ten opzichte van Hem.

De houding van het gebed aannemen, liggend, zittend of geknield, naargelang ik denk Hem het beste te kunnen vinden. Dat vraag ik dan ook als een genade, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit. Ik bid pas goed, als ik van zins ben Hem met mijn hele leven te dienen.

Nu bereid ik me voor om het geheim binnen te gaan van Gods laatste en definitieve heilsaanbod in Jezus; nu speciaal de geschiedenis van zijn redevoering tot zijn leerlingen bij gelegenheid van hun uitzending. Jezus zegt in zijn zendingsrede niet alleen wat zijn leerlingen te doen hebben (10,5-15) en wat hun daarbij te wachten zal staan (10,16-25: overgeleverd worden), maar Hij zegt hun ook hoe zij aan de vervolgingssituaties het hoofd moeten bieden: zich niet laten intimideren door de mensen, maar de mensenvrees overwinnen door de vreze Gods en door de hoop op Gods vaderlijke zorg.

Om te voorkomen, dat ik op de toer ga van te louter verstandelijk denken, is het goed zich de plaats voor te stellen waar dit gebeurde: ergens in een mooi stuk natuur in het zachtglooiende landschap van Galilea.

Het belangrijkste van het gebed is, dat ik Jezus beter leer kennen. Ik vraag om de bijzondere genade, dat ik Hem mag leren kennen met een innerlijke kennis, een kennis die mij ertoe brengt om Hem te volgen in goede en kwade dagen. Om een mooi-weer-christen te zijn heb ik geen genade nodig. Wel om Hem trouw te blijven in tegenspraak en vervolging.

 
In die tijd zei Jezus tot zijn apostelen: "Weest niet bang voor de mensen. Niets is bedekt of het zal onthuld, niets verborgen of het zal bekend worden. Wat Ik u zeg in het duister, spreekt dat uit in het licht, en wat ge u in het oor hoort fluisteren, verkondigt dat van de daken."

Mensen willen soms zelf voor God de Vader spelen en ervaren God dan als een concurrent voor hun eigen aspiraties. Ze worden dan agressief tegen christenen die voor Hem uitkomen. Wat Jezus in een uiterste mate heeft ondervonden: "De smaad van hen die U versmaden, is op Mij neergekomen" (Rom 15,3), zal in mindere of meerdere mate elke christen treffen. Wat dan te doen? De aftocht blazen? Wachten op betere tijden? Zich monddood laten maken? Jezus zegt: doorgaan en je niet onder druk laten zetten. Ook al kost het je leven!

 
"Weest niet bevreesd voor hen die wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel; vreest veeleer Hem die én ziel én lichaam in het verderf kan storten in de hel."

Jezus windt er geen doekjes om. Hij is geen mooiprater. En als wij onze eigen ervaring vergeefs aftasten naar zulk een dodelijke ernst, dan kunnen wij ons toch wel door dit evangelie aangesproken weten, ook al worden wij niet doodgeschoten. Wat een mens allemaal ook in onze samenleving, ja zelfs in onze kerk, kan overkomen, wanneer hij niet terugdeinst voor de publieke opinie en ermee doorgaat Jezus te onthullen, bekend te maken, uit te spreken in het licht en van de daken te verkondigen. Daar hebben wij woorden voor die weliswaar niet met de dood eindigen, maar toch met de dood beginnen: doodzwijgen, doodpraten, doodkijken. Zulke situaties kunnen doorstaan worden met christelijke vrede in het hart in plaats van met cynisme, rancune, moedeloosheid of medelijden. Als God voor mij de eerste is, dan is wat de mensen mij kunnen aandoen, nooit het laatste, maar het voorlaatste. Maar ik moet God al heel wat keren de voorrang gegeven hebben boven mijn eigen zin, wil in nood-situaties me die voorrang van God nog te binnen schieten. Om God de voorrang te leren geven boven alles, daar is onder andere het gebed voor. Daar leer ik, dat God van zijn kant absolute voorrang geeft aan wie voor Hem moeten lijden.

 
"Verkoopt men niet twee mussen voor een stuiver? En toch zal buiten de wil van uw Vader niet één mus op de grond vallen. Bij u echter is zelfs ieder haar van uw hoofd geteld. Weest dus niet bevreesd; gij zijt toch méér waard dan een zwerm mussen."

Wat kent Jezus het mensenhart goed! In zulke situaties van vervolging kunnen wij ons inderdaad voelen als een opgejaagd dier, een vogeltje, een musje. De mus is het gewoonste, meest alledaagse huisdiertje, toen en nu nog steeds. Het klinkt door in ons taaleigen: "Een dooie mus", "zo bang als een mus", "als de mussen van het dak vallen..." Dat kleine vogeltje, daar is het kleinste geldstukje nog niet klein genoeg voor. Je krijgt er meteen twee voor.
Wat is er nu met die mus en wat is er nu met wie zo'n mussengevoel heeft doordat hij in de vervolging de mensen tegen zich krijgt? Jezus zegt: "En toch zal buiten de wil van uw Vader niet één mus op de grond vallen." Schrale troost! Want van het vallen zal Hij je niet weerhouden. Het vallen gaat gewoon door: ongevallen, verval van krachten, tegenvallers, verval van beschaving, ja zelfs het vallen in de zonde, daar helpt geen hemelse Vader aan. Wat doet die er dan bij? Doordat je hemelse Vader erbij is, is je val nooit het laatste. Dat betekent: je kunt wel vallen, ja zelfs in de dood vallen, maar doordat je hemelse Vader erbij is, is dat het voorlaatste. Hij vangt je weer op. Je valt nooit buiten Hem. Ook al ben je nog zo klein. Je bent nooit te klein voor Hem. Want de grootheid van God bestaat er nu juist in oog te hebben voor de kleinen. Waar de mensen overheen zien, God heeft er oog voor. Hij kent je "haarfijn": "Bij u echter is zelfs ieder haar van uw hoofd geteld." Ben je bij niemand meer in tel en tel je niet meer mee, Hij kent je. Voor de derde maal: "Weest dus niet bevreesd." Je bent toch meer waard dan alle mussen bij elkaar!

 
"Ieder die Mij bij de mensen belijdt, zal ook Ik als de mijne erkennen bij mijn Vader die in de hemel is. Maar ieder die Mij zal verloochenen tegenover de mensen, zal ook Ik verloochenen tegenover mijn Vader die in de hemel is."

Die woorden hebben iets van een geheimtaal: erkennen, belijden, verloochenen. Geheimtaal is eigen aan het evangelie. Want het evangelie openbaart de geheimen van God. In ons gewone spraakgebruik doen die woorden aan als zwerfstenen uit een andere wereld, uit de hemel. Toch kunnen die woorden duidelijk worden, wanneer wij ze betrekken op onze eigen ervaring. Jezus zegt eigenlijk: Ik ben echt Iemand. En als iemand doet alsof hij Mij niet kent, dan ken Ik hem ook niet. Dat kennen wij op aarde ook: als iemand wat van je moeder zegt, en je houdt je mond, dat kan toch niet. Als iemand wat van de kerk zegt en je laat het erbij zitten, dan voelt Jezus zich persoonlijk gegriefd.

Aan het eind niet zo maar bruusk uit het gebed weglopen, maar op de diepte van het diepste gebedsmoment proberen te komen. Dat kan het beste door gesprekjes te voeren met Jezus, met veel, weinig of helemaal geen woorden, vertrouwelijk als vrienden onder elkaar. Me dan door Jezus bij zijn Vader laten brengen zoals Hij eens voorgoed zal doen en bij de Vader mijn hart uitstorten. Een Onze Vader bidden.

Een ogenblik nadenken over hoe het gegaan is, bijvoorbeeld aan de hand van de vragen van de reflexie:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Verstrooiingen liggen doorgaans op gebieden waar ik nog niet zo doordrongen ben van de absolute voorrang van de Vader voor wie ik alles moet laten.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waren er momenten dat ik helemaal vrij was, helemaal vervuld van vertrouwen op Gods vaderzorg?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Het gebed is voorbij. Voorbij ook mijn moeite om op Hem geconcentreerd te zijn. Maar het kan zijn, dat het bidden onwillekeurig doorgaat. Dat is het gebed van het hart. Werk van de heilige Geest.

Belijdt Mij bij de mensen