Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Twaalfde zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
18 Toen Jezus eens alleen aan het bidden was
en zijn leerlingen bij Hem kwamen,
stelde Hij hun de vraag:
"Wie zeggen de mensen, dat Ik ben?"
19 Zij antwoordden:
"Johannes de Doper,
anderen zeggen: Elia,
en weer anderen: een van de oude profeten
is opgestaan."
20 Hierop zeide Hij tot hen:
"Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?"
Nu antwoordde Petrus:
"De Gezalfde van God."
21 Maar Hij verbood hun nadrukkelijk
dit aan iemand te zeggen.
22 "De Mensenzoon",
- zo sprak Hij -,
"moet veel lijden
en door de oudsten,
hogepriesters en schriftgeleerden verworpen worden,
maar na ter dood te zijn gebracht
zal Hij op de derde dag verrijzen."
23 Maar tot allen sprak Hij:
"Wie mijn volgeling wil zijn,
moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen
en door elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen.
24 Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen.
Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil,
zal het redden."
20 Lucas 9,18-24

Beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem. Zichzelf beleven als onaf, als open voor een verandering van Godswege. Zoals leerlingen in de klas. Maar nu ben ik in de leer voor het leven zelf, bij de Meester van het leven, de Redder van mijn leven. De eigen plannen en verhoudingen met mensen loslaten om helemaal vrij te zijn voor Hem die voor mij door de dood heengaat.

Aangekomen bij de plaats van het gebed even stil blijven staan om juist zoals ik doe in een gewijde ruimte van kerk of kapel, me de tegenwoordigheid te realiseren van Hem aan Wie die ruimte is toegewijd.
En dan doen wat ik ook doe, voordat ik in zo'n ruimte de houding van het gebed aanneem, namelijk een gebaar maken van eerbied, me klein maken voor Hem.

De houding van het gebed aannemen, liggend, zittend of knielend, niet bewegen en zo min mogelijk zien bewegen om zo vrij te komen voor wat er zich op een dieper niveau in mij beweegt. En dat dan ook vragen als een genade, dat alles in mijn leven mag ingevoegd zijn in de navolging van Christus, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Ik overzie de geschiedenis: Jezus is alleen aan het bidden. Dan komen de leerlingen om Hem heen staan. En Hij stelt aan hen de vraag naar zijn toekomst, de vraag waarmee Hijzelf in het gebed bezig is geweest: "Wat denken de mensen van Mij, waar gaat het met Mij naar toe? Hoe zal het met Mij aflopen?" En als de leerlingen daarop het antwoord gegeven hebben, vraagt Jezus het ook nog eens aan hen. Blijkbaar verwacht Hij van hen een ander, een beter antwoord. Petrus antwoordt als woordvoerder voor de groep. En dan zegt Jezus, dat Hij inderdaad de Gezalfde is, maar gezalfd voor het lijden.
Tenslotte wendt Jezus zich tot "allen" met de formulering van de wet van de navolging: zelfverloochening, volgen op de kruisweg en zijn leven verliezen.
Hij zegt dit tot "allen". Daar hoor ik dus ook bij.

Ik stel me de plaats voor waar dit gebeurde. Jezus in het midden. Eerst is Hij er alleen. Later de apostelen om Hem heen. En tenslotte een tweede kring: allen. Jezus staat in het middelpunt van heel de mensheid. Daar, in één van die kringen is dus ook mijn eigen plaats.

De bijzondere genade: Jezus te mogen leren kennen met een innerlijke kennis zoals Hij zichzelf in het gebed heeft leren verstaan en zoals Hij zich aan de leerlingen, dat is aan zijn kerk heeft geopenbaard. Dat ik met het hart mag verstaan wat Hij er voor over heeft om mij te redden.

 
"Toen Jezus alleen aan het bidden was..."

Jezus stelt de vraag naar zijn weg vanuit het gebed. Bidden hoort bij zijn toekomst, bij zijn leven. Op de cruciale punten van zijn leven, staat er bij Lucas uitdrukkelijk, dat Jezus heeft gebeden: bij de doop in de Jordaan vlak voor de openbaring door de Vader over wie Jezus is: "Gij zijt mijn Zoon, de Welbeminde" en ook daar gaat het over hoe het met Jezus zal aflopen, want de woorden zijn ontleend aan het lied van de lijdende Godsknecht van Jesaja 42 en 53. Jezus bad bij de aanwijzing van de twaalf apostelen, vóór het gebedsonderricht aan zijn leerlingen en vóór zijn eigen lijden in de hof van Olijven, ja elke dag opnieuw: "telkens trok Hij zich terug in de eenzaamheid om te bidden" (5,16).
Het bidden is dus geen in zichzelf gesloten grootheid, maar heeft alles met mijn leven te maken: ik krijg er de weg aangewezen en ik krijg er de kracht om die weg ook aan te kunnen.

 
"... en zijn leerlingen bij Hem kwamen, stelde Hij hun de vraag: Wie zeggen de mensen, dat ik ben?"

Blijkbaar onderscheiden de leerlingen zich van "de mensen", en verwacht Jezus, dat ook hun ideeën over Hem zich onderscheiden van de ideeën van de mensen. Zij onderscheiden zich bij voorbeeld in het gewone levenspatroon dat zij volgen in tegenstelling met de leerlingen van Johannes de Doper en van de Farizeeën die "dikwijls vasten" (Lc 5,33). Bovendien aten en dronken zij met de zondaars in tegenstelling tot de "Farizeeën, met name de schriftgeleerden onder hen" (5,30). Ze hebben in de omgang met gewone mensen niets elitairs of sectarisch: "Schikt u zonder hooghartigheid in de omgang met gewone mensen" (Rom 12,16). Waardoor de leerlingen zich onderscheiden van de gewone mens horen we bij de zaligsprekingen toen Jezus zijn leerlingen aankeek en zei: "Zalig die nu honger lijdt... Zalig die nu weent... Zalig zijt gij, wanneer omwille van de Mensenzoon de mensen u haten, wanneer zij u uitstoten, u beschimpen en uw naam uit de samenleving bannen als iets verfoeilijks... Maar wee u, rijken... Wee u, die nu lacht... Wee u, wanneer alle mensen met lof over u spreken... Wee u, die nu verzadigd zijt" (Lc 6,20-26). Blijkbaar zijn het niet de leerlingen die zich van de mensen onderscheiden, maar de mensen die de leerlingen van Jezus discrimineren: haat, uitstoting, beschimping en verbanning is hun deel. Merk ik aan de manier waarop mensen mij soms behandelen dat ik een leerling van Christus ben?

 
"Zij antwoordden: Johannes de Doper, anderen zeggen: Elia, en weer anderen: een van de oude profeten is opgestaan."

Iets profetisch zien de mensen graag in de kerk. Profetisch optreden noemen ze dan: de machtigen van deze aarde de waarheid in het gezicht slingeren, een bevrijdingsbeweging ontketenen zoals Elia en de andere profeten dit deden. Maar Jezus en de kerk ondergaan met de profeten ook het profetenlot: niet aanvaard worden, ja gedood worden omwille van de waarheid.

 
"Hierop zeide Hij tot hen: Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?"

Op grond waarvan mocht Jezus van zijn leerlingen een ander zicht op Hem verwachten? Op grond van meer intelligentie, hogere mensenkennis? Nee, op grond van een intiemere omgang met Hem. Hoe wordt een mens anders? Door zich moeite te geven? Door lessen te volgen? Ongetwijfeld. Maar een mens verandert het meest door zijn leven te delen met iemand die zelf anders is. Door de omgang met Jezus, door met Hem het leven te delen, krijgt de kerk een ander idee over het mens-zijn, over de natuur, over de moraal. Door met Jezus om te gaan verander ik méér dan door wat dan ook te doen of te studeren.

 
"Nu antwoordde Petrus: De Gezalfde van God."

Merkwaardig: Jezus stelt aan allen de vraag: "Wie zegt gij, wie zeggen jullie...?" En zonder enige plichtpleging is het alleen Petrus die het antwoord geeft. Petrus is de geroepen woordvoerder van het apostelcollege. Dat is hij al in het evangelie. Petrus formuleert namens heel de kerk: Jezus is de Gezalfde van God, Jezus is de Christus. Niet een profeet, maar dé profeet. Buiten Hem is er geen ander. Het is bij Hem alles of niets.
Dit is het moment om mij met geheel mijn hart aan te sluiten bij de geloofsbelijdenis van de kerk.

 
"Maar Hij verbood hun nadrukkelijk dit aan iemand te zeggen. De Mensenzoon - zo sprak Hij - moet veel lijden en door de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden verworpen worden, maar na ter dood te zijn gebracht zal Hij op de derde dag verrijzen."

Jezus vaart tegen zijn leerlingen uit. Zoals Hij de duivels een streng bevel gaf en eveneens niet toeliet "dat zij spraken, want zij wisten, dat Hij de Messias was" (4,41; zie ook 4,35). Jezus voelt onder de belijdenis van Petrus een dwarsgeest, die de titel op een verkeerde manier zou uitleggen, namelijk als verheven boven het lijden en de dood. Zoals Jezus bij Matteüs ook uitsprak tegenover Petrus, toen deze zich tegen het lijden verzette: "Dat verhoede God, Heer! Zo iets mag U nooit overkomen! Maar Hij keerde Zich om en zei tot Petrus: Ga weg, satan, terug! Gij zijt Mij een aanstoot, want gij laat u leiden door menselijke overwegingen en niet door wat God wil" (Mt 16,23). Jezus brengt heel zijn morele overwicht in het spel om zijn kleine weg van het kruis te redden.
Maar ook dit programma heeft Jezus niet zichzelf opgelegd. Hij zegt: "De Mensenzoon moet veel lijden." Waarom moet Hij dat? Hij moet dat helemaal niet. Dat is toch het allerlaatste wat zou moeten. Inderdaad, dit 'moeten' is niet het moeten van de natuur of van de geschiedenis. Maar het is het moeten van het geweten. Wanneer mensen op een gegeven moment zeggen: "Toen wist ik, dat ik dit moest doen." Dat betekent: er zijn geen redenen voor aan te geven. Dit werd geboren in mijn eigen ik. En het 'ik' van Jezus wordt geboren uit de Vader. Want Hij is de Zoon. Het 'moeten' komt vanuit het enige wat Jezus kan motiveren: de wil van de Vader.

 
"Maar tot allen sprak Hij: Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en door elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het redden."

Achter Jezus aan. Dus altijd op de tweede plaats. Niet als naloper of meeloper, maar als kruisdrager: "Als iemand zijn kruis niet draagt en Mij volgt, kan hij mijn leerling niet zijn" (14,27). Zichzelf verloochenen is ten aanzien van je zelf doen wat Petrus deed ten aanzien van Jezus: niet willen kennen. Niet alleen voor een kort moment aan het kruis hangen, maar je leven lang onder het kruis om het te dragen: "elke dag opnieuw".
Geeft Hij dan niets? Jawel, alles: het leven. Maar alleen als je er alles aangeeft: als je je leven verliezen wilt omwille van Hem. Kijken wat ik omwille van Hem niet wil opgeven. Misschien is het maar iets kleins. Maar soms is het iets kleins dat voor iemand alles kan betekenen.

Aan het eind gesprekjes voeren met de leerlingen, met Petrus, met Jezus vooral, vertrouwelijk en eerbiedig. Jezus nooit alleen zien, maar altijd gericht op de Vader. Vragen of Hij mij naar de Vader wil brengen, bij de Vader een goed woordje voor me wil doen. Dan bij de Vader mijn hart uitstorten. Een Onze Vader bidden.

Het nadenken over het gebed concentreren op het moment dat het geen schade doet aan het gebed. Na afloop ervan:

  1. Waar was ik, toen ik niet bij Hem was? Daar zit in mijn leven nog iets zelfzuchtigs.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar raakte mijn geest aan die van Jezus?
  3. En nu, na afloop van dit gebed, wat voel ik nu voor Hem?