Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Dertiende zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
51 Toen de dagen van zijn verheffing
hun vervulling naderden,
aanvaardde Jezus vastberaden de reis naar Jeruzalem
en zond boden voor zich uit.
52 Dezen kwamen op hun tocht in een Samaritaans dorp
om er zijn verblijf voor te bereiden.
53 Maar de Samaritanen ontvingen Hem niet,
omdat Jeruzalem het doel van zijn reis was.
54 Toen de leerlingen Jakobus en Johannes
dit gewaar werden,
vroegen ze:
"Heer, wilt Gij dat wij vuur van de hemel afroepen
om hen te verdelgen?"
55 Maar Hij keerde zich om en wees hen op strenge
toon terecht.
56 Daarop vertrokken zij naar een ander dorp.
57 Terwijl zij onderweg waren zei iemand tot Hem:
"Ik zal U volgen, waar Gij ook heen gaat."
58 Jezus sprak tot hem:
"De vossen hebben holen en de vogels hun nesten,
maar de Mensenzoon
heeft niets waar Hij zijn hoofd op kan laten rusten."
59 Tot een ander sprak Hij:
"Volg Mij."
Deze vroeg:
"Heer, laat mij eerst teruggaan
om mijn vader te begraven."
60 Jezus zei tot hem:
"Laat de doden hun doden begraven;
maar gij, ga heen en verkondig het Rijk Gods."
61 Weer een ander zeide:
"Ik zal U volgen, Heer,
maar laat mij eerst afscheid nemen
van mijn huisgenoten."
62 Tot hem sprak Jezus:
"Wie de hand aan de ploeg slaat
maar omziet naar wat achter hem ligt,
is ongeschikt voor het Rijk Gods."
Lucas 9,51-62

Eerst de geest wat laten rusten bij Hem. Om los te laten. Zoals Jezus en zijn leerlingen die op tocht zijn. Wie zich bij iemand aansluit, loopt het risico, dat hij moet bijsturen. Daarom de geest laten rusten, bereid om zich door het evangelie te laten corrigeren.

Enkele passen vóór de plaats waar ik ga bidden, even stil blijven staan, omhoog kijken, zien hoe Hij mij ziet. Hij moet altijd de oorsprong zijn van mijn gebed. Een gebaar maken van eerbied.

Dan het gebed ingaan, in de houding waarin ik vermoed Hem het beste te kunnen vinden. En dat dan vragen als een genade: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit. Dat ik op mijn levensweg geen stappen zet naast de weg die Jezus is.

Dan nog de geschiedenis te binnen brengen. Jezus reist. Een bijzonder soort reis: op weg naar Jeruzalem. Zijn gezelschap betaat uit gewone mensen die geleid worden door gewone menselijke gevoelens. Ik kan me in hen herkennen. Erop letten hoe Jezus motiveert voor zijn navolging door te demotiveren, dat wil zeggen door de motieven te zuiveren. Daarvoor is het gebed: ter verbetering van de motivatie.

De plaats is hier een gaan van de ene plaats naar de andere. Dus moet men steeds weer plaatsen loslaten. Jazelfs de plaats waar zij op gerekend hadden er even te kunnen verblijven, bereikten zij niet eens: "Daarop vertrokken zij naar een ander dorp" (9,56).

 
"Toen de dagen van zijn verheffing hun vervulling tegemoet gingen..."

Dit is een bijzondere manier van spreken die samenhangt met de eigen tijdsbeleving van de evangelies. De evangelies zien de geschiedenis als gemaakt door God: de Heer der geschiedenis.
Niet de mens speelt de hoofdrol, maar God. Daarom is het God die aankondigt wat er gaat gebeuren en Hij is het Zelf die tot vervulling brengt wat Hij heeft aangekondigd. God is het die Jezus gaat verheffen. Jezus is opgenomen in een geheim van God.
God laat ons niet vallen. Hij vervult wat Hij heeft aangekondigd. Hoe is mijn houding tegenover mijn geschiedenis, mijn en onze toekomst? Zie ik dat als iets van mijzelf, van onszelf alleen, van mensen en krachten van natuur en geschiedenis? Of zie ik God als de Hoofdrolspeler?

 
"aanvaardde Hij vastberaden de reis..."

Jezus is een trekker die geen thuis heeft. Zijn leven hangt van reizen en trekken aan elkaar. Al vanaf zijn ontvangenis: "In die dagen reisde Maria naar het bergland, naar een stad in Juda" (1,39); bij zijn geboorte: "Allen gingen op reis, ieder naar zijn eigen stad" (2,3); als twaalfjarige: "Zijn ouders reisden ieder jaar... naar Jeruzalem. En overeenkomstig het gebruik bij dit feest gingen zij opnieuw daarheen toen Hij twaalf jaar geworden was" (2,41-42). Het openbare leven begint ermee, dat Hij van thuis weggaat en een leven aangaat van een rondtrekkend predikant. En hier begint de reis naar Jeruzalem. Deze reis duurt het verdere evangelie door, tot en met het negentiende hoofdstuk.
Op deze reis gaat Jezus voor. Hij loopt vóór zijn leerlingen uit, zodat zij letterlijk volgen en Jezus zich eerst moet omdraaien om zijn leerlingen te kunnen toespreken. Blijkbaar is Jezus niet zo in de groep opgenomen, dat Hij er bij ingesloten is, dat Hij er deel van uitmaakt en er als het ware in opgaat. Jezus is méér.
Ook is het geen gave groep. Er zitten blijkbaar een paar agressieve typen onder. Precies zoals het is tot op de dag van vandaag. Niet de mensen toen waren beter en anders, maar Jezus is anders, reageert op een unieke manier.

 
"aanvaardde Hij vastberaden de reis naar Jeruzalem..."

De vermelding van Jeruzalem als einddoel zet deze hele reis in het teken van het lijden. Alle verhalen op deze reis krijgen daarmee de kleur van het lijdensverhaal: "Nadat Jezus deze woorden gesproken had, trok Hij verder en ging Hij op naar Jeruzalem" (19,28), dat wil zeggen naar lijden en dood. Alle reisverhalen staan in het teken van de laatste reis. Ook dit verhaal. Want het vuur dat Johannes en Jakobus uit de hemel willen afsmeken, verteert niet degenen die het verdienen, maar Jezus zelf. Het vuur dat Jezus anderen bespaart, slaat bij Hem naar binnen. Hij wordt erdoor verteerd als een brandoffer van barmhartigheid.

 
"Heer, wilt Gij dat wij vuur uit de hemel afroepen om hen te verdelgen?"

Men moet niet te gemakkelijk zeggen: die leerlingen hebben er niets van begrepen; vuur uit de hemel, dat doet God niet. Dat doet God wél. God is niet op een goedkope manier barmhartig: want als mensen zich niet bekeren en dus doen wat de Samaritanen deden, dan zal Hij hen in het vuur werpen: "Elke boom die geen goede vrucht draagt, wordt omgekapt en in het vuur geworpen" (3,9). Maar door een niet te begrijpen wonder van geduld en barmhartigheid wordt ons een tussentijd geschonken, de tijd van de kerk, een tijd van bekering. Het vuur dat door de doper werd voorspeld, wordt door Jezus tegengehouden: "Maar Hij keerde zich om en wees hen op strenge toon terecht." Maar tenslotte zal het er toch eens van komen: "Vuur ben Ik op aarde komen brengen, en hoe verlang Ik dat het reeds oplaait" (12,49). Het vuur waarmee de kerk nu werkt, is het vuur van de heilige Geest: "Er verscheen hun iets dat op vuur geleek en zich, in tongen verdeeld, op ieder van hen neerzette" (Hand 2,3).

 
"en wees hen op strenge toon terecht."

Jezus maakt zich groot en geweldig om zijn eigen kleine, geweldloze weg te beschermen tegen de geweldenaars. Daarin is Hij het tegenovergestelde van de mensen. Die maken zich groot tegenover de kleinen, de kleine kinderen, de blinde bedelaar.

 
"Jezus sprak tot hem: De vossen hebben holen en de vogels hun nesten, maar de Mensenzoon heeft niets waar Hij zijn hoofd op kan laten rusten."

In de drie gesprekken met de drie kandidaten voor de navolging van Jezus, wordt op drie verschillende manieren afgewezen, dat men veiligheid zoekt bij iets of iemand anders buiten Jezus. Dat kan iets zijn waarin ik bijzonder deskundig ben, in mijn werk, in bepaalde menselijke verhoudingen. Want Jezus is een Mensenzoon van niets, met niets om... Weliswaar is Jezus ook de Machtige: Heer van de sabbat, met macht om op aarde zonden te vergeven. Maar door zich te verbinden met machteloze mensen, deelt Hij in hun onmacht en verworpenheid. Machtig is Hij voor de machtelozen. En machteloos tegenover de machtigen.

Na de gesprekken een Onze Vader bidden.

In een andere houding, zodat ik wat kan schrijven, de vragen van de reflexie beantwoorden:

  1. Waar was ik in de tijd dat ik niet bij Hem was? Mijn verstrooiingen betreffen de dingen waarin ik een eigen nestje bouw buiten Hem. Dat zijn de dingen die ik als voorwaarden stel voordat ik Jezus zal volgen: eerst nog dit.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar kreeg Jezus met zijn bovenaardse denkwijze vat op mij? Dat noteren als een wonder van genade.
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Daaraan kan ik zien, of wat mij bewogen heeft naar Jezus' leven en denkwijze toe, méér is geweest dan een voorbijgaande opwelling.