Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Veertiende zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
25 In die tijd sprak Jezus:
"Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde,
omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt
voor wijzen en verstandigen,
maar ze hebt geopenbaard aan kinderen.
26 Ja, Vader, zo heeft het U behaagd.
27 Alles is Mij door mijn Vader
in handen gegeven.
Niemand kent de Zoon tenzij de Vader,
en niemand kent de Vader tenzij de Zoon
en hij aan wie de Zoon Hem wil openbaren.
28 Komt allen tot Mij,
die uitgeput zijt en onder lasten gebukt,
en Ik zal u rust en verlichting schenken.
29 Neemt mijn juk op uw schouders
en leert van Mij:
Ik ben zachtmoedig en nederig van hart;
en gij zult rust vinden voor uw zielen,
30 want mijn juk is zacht
en mijn last is licht."
Matteüs 11, 25-30

Het gebed begint buiten mijzelf, bij Hem. Hij is al begonnen. Met heel zijn aandacht is Hij bij mij. Ik hoef mij daarbij maar aan te sluiten. Daarom eerst de geest wat laten rusten bij Hem die met zijn liefde het initiatief heeft.

Een paar passen voor de plaats van het gebed me zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, omhoog kijken, in de houding van Jezus die tot zijn Vader bidt. Zien hoe Hij mij ziet, hoe zijn blik al vol liefde op mij rust. Dan zijn liefde beantwoorden in een gebaar van aanbidding, een gebaar dat past bij zo'n aanspreektitel: "Heer van hemel en aarde".

Het gebed ingaan in de houding waarin ik denk Hem het beste te kunnen vinden. Ik zal Hem ook zeker vinden, wanneer ik werkelijk van plan ben om Hem de Heer van mijn leven te laten zijn. Dat vraag ik nu dan ook als een genade: dat al mijn bedoelingen, het verborgene in een mens, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Ik stel me de geschiedenis voor ogen, de situatie waarin deze woorden hebben geklonken: na de wee-roep over de onboetvaardige steden, Chorazin, Betsaïda en Kafarnaüm die zich niet bekeerd hadden. Deze zaligspreking van de kleinen volgt dus op een weeroep over de "wijzen en verstandigen". Want hoe krachtiger het ongeloof, hoe duisterder de tijden waarin we leven, des te meer licht het geloof van de kerk op als een werk van God. God kijkt niet naar het getal. Al zouden wij met nog veel minder zijn, Hij zou zich blijven geven. Ieder van ons vindt Hij de moeite waard. Juist het geringe succes brengt de goedheid van onze God aan het licht. Van zo'n God begrijpen mensen niets, tenzij ze de houding van de Zoon aannemen: "zachtmoedig en nederig van hart".

Wanneer iets echt gebeurd is, moet het ook op een bepaalde plaats gebeurd zijn: zo vindt het plaats. Er staat niets over een plaats. Het is goed om ons een "nederige" plaats voor te stellen: "een nederige plaats, vol schoonheid en gratie" (Ignatius' Geestelijke Oefeningen, 144). Die nederige plaats vormt de entourage voor de gezindheid die hier past: de laagste plaats in mijzelf waar ik niet verstandig ben, als een kind. De plaats nodigt mij uit af te dalen in mijn wezen waar ik de houding heb van de Zoon.

Ik kan niet uit eigen kracht, met eigen goede wil bij die plaats komen. Het is genade die mij geschonken moet worden. Dat vraag ik dan ook als een bijzondere genade: dat ik door zó naar Jezus te kijken, van Hem mag leren, ja Hem mag wórden.

 
In die tijd sprak Jezus: "Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt geopenbaard aan kinderen. Ja, Vader, zo heeft het U behaagd."

Jezus spreekt hier vanuit zijn eigen hart tot het hart van God de Vader. Vanuit die diepte komen al zijn woorden, in het bijzonder zijn woorden over het kind-zijn. Want dat is zijn eigen geheim, zijn eigen hartsgeheim: "Voorwaar, Ik zeg u: als gij niet opnieuw wordt als kleine kinderen, zult gij het Rijk der hemelen zeker niet binnengaan" (18,3). Jezus zelf is het Rijk der hemelen in eigen Persoon. Wat is dan eigen aan het kind? Dat het één en al ontvankelijkheid is. Het kind hééft niets, maar kríjgt alles. Juist zoals Jezus. Dus zal ik nu alle gewichtigheid van me laten afglijden. Niets eisen, niets naar me toehalen. Alles laten zijn zoals het is. Zoals een kind alles aanneemt: tijd, plaats, stand, huidskleur, ouders, broers en zussen, familie, lichaam, talenten, tekorten.
Jezus spreekt God aan met de titel "Vader". Hij kiest daarvoor het vertrouwelijke "Abba" een titel die je eigenlijk alleen in de tweede persoon kunt hanteren. In die verhouding van vertrouwelijkheid en onmiddellijkheid heeft Jezus ons willen opnemen, zodat ook wij deze titel mogen gebruiken: "Gij hebt een geest van kindschap ontvangen, die ons doet uitroepen: Abba, Vader!" (Rom 8,15)
De bedoeling van Jezus' optreden is natuurlijk om te openbaren: "Ik heb openlijk tot de wereld gesproken" (Joh 18,20). Dat is ook de bedoeling van de kerk: "Gij zijt het licht der wereld" (5,14). Maar deze openbaring geschiedt in verborgenheid: "Hij kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden Hem niet" (Joh 1,11). En daarom: "Zalig die aan Mij geen aanstoot neemt" (11,6). Daarom moet er gezwegen worden na een wonder (8,4; 9,30; 12,16-19). Heel zijn openbaar leven is een opgang naar een steeds grotere verborgenheid. Zijn geheim is een geheim van verwerping: "De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd, is juist de hoeksteen geworden. Op last van de Heer is dat gebeurd en het is wonderbaar in onze ogen" (21,42). Op het kruis is Hij volgens een woord van Augustinus "de allerverborgenste én de allertegenwoordigste".
Bij het zien van de afwijzing door de wijzen en verstandigen in de onboetvaardige steden schouwt en prijst Jezus het geheim van zijn hele leven, van zijn hele wezen.

 
"Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven. Niemand kent de Zoon tenzij de Vader, en niemand kent de Vader tenzij de Zoon en hij aan wie de Zoon Hem wil openbaren."

We kunnen niet tot God komen tenzij langs Jezus. Langs Jezus kunnen we niet meer langs. Voortaan spreken alleen nog de heidenen over God. Voor de christenen is God de Vader van onze Heer Jezus Christus. God is alleen Degene tot wie Jezus "Vader" heeft gezegd. Wat er tussen die goddelijke Twee mogelijk is, kan ook plaats vinden in onze verhouding met God en in Gods verhouding met ons, de verheerlijking, maar ook het kruis.
Wat houdt dat dan in: Zoon zijn? Zoon zijn is het leven ontvangen, ontvankelijk zijn, niets hebben en niets-zijn uit je zelf, zelveloos zijn om je door de Vader alles te laten schenken. Ik kan nu nagaan wat ik heb en ben. En me er dan van bewust maken, dat ik dit alles ontvangen heb zoals Jezus alles van de Vader heeft ontvangen.

 
"Komt allen tot Mij, die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken."

Jezus is de Gevolmachtigde over alles. Hij nodigt nu dan ook "allen" uit om tot Hem te komen, dat wil zeggen: zijn leerling te worden en door navolging één leven met Hem te gaan leiden. Zoals eertijds Jezus Sirach:

"Komt naar mij toe, gij onwetenden,
en neemt uw intrek in het leerhuis.
Waarom blijft gij nog gebrek lijden
en laat gij uw zielen versmachten?" (Jezus Sirach 51,23)

Bij Hem moet je zijn: "Ik ben het brood des levens: wie tot Mij komt, zal geen honger meer hebben" (Joh 6,35); "Ik ben het licht der wereld. Wie Mij volgt, dwaalt niet rond in de duisternis, maar zal het licht van het leven bezitten" (Joh 8,12); "Als iemand dorst heeft, hij kome tot Mij; wie in Mij gelooft, hij drinke" (Joh 7,37-38).
Ook hier zijn het weer de kleinen, de kleingemaakten, die in het middelpunt van Jezus' belangstelling staan. De mensen die Jezus zo "uitgeput" ziet en "onder lasten gebukt", zijn door schriftgeleerden en Farizeeën zo geworden: "Zij maken bundels van zware, haast ondraaglijke lasten en leggen die de mensen op de schouders" (23,2.4). Daar ging het om religieuze en morele verplichtingen. Dat zal bij ons niet zo'n vaart lopen. Wij durven onszelf en anderen van die religieuze en morele verplichtingen maar al te gemakkelijk te ontslaan. Want niemand hoeft daarbij nog verlies aan maatschappelijk aanzien te riskeren. Maar daar zijn zoveel andere verplichtingen en lasten voor in de plaats gekomen. Wat een mens allemaal niet gezien, gelezen, gereisd, gedacht, gevoeld moet hebben. Opinie-dwang lijkt sterker dan ooit. Wat zijn mensen niet doodsbenauwd om voor ouderwets te worden aangezien. Hoe meer onze maatschappij uiteenvalt en mensen op zichzelf komen te staan, des te afhankelijker schijnen ze van elkaar te worden, des te minder in staat hun anders-zijn in de confrontatie met anderen te handhaven. Ook in hun groei naar volwassenheid kunnen mensen op velerlei manieren gefixeerd raken op wijsheid en verstandigheid. Maar daarmee raken zij geïsoleerd van de bronnen van hun bestaan en van de enige vruchtbare levenshouding: openheid voor God.
Hier kan ik nagaan waar ik van alles moet.

 
"Neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen, want mijn juk is zacht en mijn last is licht."

In plaats van mijn zwakheid en machteloosheid te verdringen of te compenseren, breng ik mij nu tot de aanvaarding ervan: een mens willen zijn die de geest heeft van een arme, van een kind, bewust van eigen schamelheid, maar vertrouwend op Vaders zorgvolle liefde. Dat is het juk van Jezus. Zijn leer.
Want hoe komt het, dat sommigen rust vinden voor hun zielen en anderen niet? Het wordt toch aan allen beloofd? "Allen die op de Heer vertrouwen, ontvangen nieuwe kracht" (Jes 40,31). Om die kracht te kunnen ontvangen, moeten wij ons invoegen in het krachtveld van het goddelijk milieu. Zoals een kind in een geest van vertrouwen het geestelijk voedsel van liefde en genegenheid keer op keer uit het ouderlijk milieu haalt door zich keer op keer als kind op te stellen en te vragen om brood, om vis (7,9-11), zo moeten wij ons tegenover God keer op keer opstellen als een kind. Want christelijke volmaaktheid is volmaakt gemáákt worden:

"Ik ben de Heilige die woont in den Hoge,
maar ook in het geslagen en diep vernederd gemoed:
Ik geef nieuw leven aan het vernederd gemoed,
nieuw leven aan het geslagen hart" (Jes 57,15).

Blijkbaar geschiedt de verheffing altijd uit een staat van vernedering: "Wie zich vernedert, zal verheven worden" (23,12). Zo wordt onze kleinheid iets om God voor te prijzen en te loven. Kleinheid is dan de kleinheid waaruit Hij mij gaat oprichten. Zoals bij Maria:
"Mijn hart prijst hoog de Heer,
van vreugde juicht mijn geest om God mijn redder,
daar Hij welwillend heeft neergezien op de kleinheid
van zijn dienstmaagd.
En zie, van heden af prijst elk geslacht mij zalig" (Lc 1,46-48).

Aan het eind gesprekjes zoals Jezus had met zijn Vader, direct, eenvoudig, met meer of minder woorden. Me door Jezus naar zijn Vader laten brengen en bij de Vader mijn kinderhart uitstorten. Een Onze Vader bidden.

De gelegenheid benutten om me bewust te maken van de geesten die mijn hart beheersen, en zo tot onderscheiding te komen

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? In mijn verstrooiingen ben ik buiten het bereik van Jezus' geest. Ik ben dan in de ban van andere krachten in mijzelf of buiten mijzelf. Daar wil ik aan anderen de lakens uitdelen, me groot houden enz.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar kreeg Jezus' geest vat op de mijne?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Heeft Jezus woord gehouden en inderdaad "rust en verlichting" geschonken?

Gebed