Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Veertiende zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
1 In die tijd wees de Heer (tweeën) zeventig leerlingen aan
en zond hen twee aan twee voor zich uit
naar alle steden en plaatsen
waarheen Hijzelf van plan was te gaan.
2 Hij sprak tot hen:
"De oogst is groot,
maar arbeiders zijn er weinig.
Vraagt daarom de Heer van de oogst
arbeiders te sturen om te oogsten.
3 Gaat dan, maar zie,
Ik zend u als lammeren tussen wolven.
4 Neemt geen beurs mee, geen reiszak, geen schoeisel
en groet niemand onderweg.
5 In welk huis gij ook binnengaat,
laat uw eerste woord zijn:
Vrede aan dit huis!
6 Woont daar een vredelievend mens
dan zal hij op u terugkeren;
zo niet dan zal hij op u terugkeren.
7 Blijft in dat huis en eet en drinkt wat zij u aanbieden;
want de arbeider is zijn loon waard.
Gaat niet van het ene huis naar het andere;
8 in elke stad waar ge binnengaat en ontvangen wordt,
eet wat u wordt voorgezet,
9 geneest de zieken die er zijn
en zegt tot hen: Het Rijk Gods is nabij.
10 In elke stad waar ge binnengaat
en niet ontvangen wordt,
trekt daar door de straten en zegt:
11 Zelfs het stof uit uw stad dat aan onze voeten kleeft
schudden wij tegen u af.
Maar weet dit wel: Het Rijk Gods is nabij.
12 Ik zeg u:
Op die dag zal het voor de mensen van Sodom
draaglijker zijn dan voor die stad."
17 De (tweeën)zeventig keerden vol blijdschap terug
en zeiden:
"Heer, zelfs de duivels onderwerpen zich aan ons
door uw Naam."
18 Hij zeide tot hen:
"Ik zag de satan als een bliksemstraal uit de hemel vallen.
19 Ik heb u macht gegeven
om op slangen en schorpioenen te treden,
te heersen over heel de kracht van de vijand;
en niets zal u kunnen schaden.
20 Toch moet ge u niet verheugen over het feit
dat de duivels aan u onderworpen zijn,
maar verheugt u
omdat uw namen staan opgetekend in de hemel."
Lucas 10,1-12.17-20

De geest wat laten rusten bij Hem. Reiszak, beurs, schoeisel en relatie van mij laten afvallen. Geloven, dat het Rijk Gods mij nabij is en dat mijn naam opgetekend staat in de hemel, omdat ik daar kind in huis ben.
Bij de plaats van het gebed een ogenblik staande zijn tegenwoordigheid op me laten inwerken, dat God met zijn zorg en zijn liefde nu bij me is, dat Hij in deze gebedstijd voor me gaat zorgen. Het besef van zijn aanwezigheid nog dieper in me laten doordringen door een gebaar te maken van eerbied voor Hem die mijn koning wil zijn.

Het gebed ingaan door de houding van het gebed aan te nemen, liggend, zittend of geknield, een houding die mij helpt het besef van zijn aanwezigheid te dragen en duurzaam te laten zijn. Dat vraag ik ook als een genade voor heel mijn leven, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit. Want als God koning is, dan mag er helemaal niets buiten vallen zoals de leerlingen die Jezus uitzond, helemaal opgingen in hun zending.

De geschiedenis: De oogst is zó groot, dat Jezus niet voldoende heeft aan de twaalf die Hij eerder had gezonden (9,1-6). Evenals Mozes zeventig (Numeri 11,24) of twee en zeventig (zeventig oudsten plus de twee zonen van Aäron in Exodus 24,1) leiders aanstelde om hem te helpen de last van het volk te dragen, zo deed Jezus ook: die zeventig zouden naar "alle steden en plaatsen" gaan, "waarheen Hijzelf van plan was te gaan", als het begin van alle zeventig volken die volgens Genesis de wereld bevolkten. Zoals de twaalf de zending van Jezus tot Israël betekenen, zo betekenen de zeventig de universaliteit van Jezus' zending voor heel de wereld. In hun gedrag en levenswijze moet blijken, dat zij in dienst staan van het Rijk Gods. Aan het eind van de zendingsrede de toevoeging, dat zij aan de steden Jezus moeten verkondigen als de laatste kans op redding. Wijzen ze Hem af, dan betekent dat hun ondergang (het lot van Sodom). Buiten Jezus geen heil. Bij hun terugkeer ziet Jezus in de geest de val van satan, de vorst van de wereld.
Die geschiedenis gaat door in de universaliteit van de kerk, die alle volken omvat, en in de voortgaande eis van Jezus aan de leerlingen om zich helemaal in dienst te stellen van zijn rijk. Ik kan er nu in dit gebed al werk van maken door alle krachten die ik heb, in te zetten voor Hem.

De plaats: "alle steden en plaatsen waarheen Hij zelf van plan was te gaan". Deze leerlingen hadden dus geen eigen plaats zoals ze ook geen eigen levenswijze hadden. Dat is dan ook mijn plaats: de plaats waarheen Hij mij zendt. Voor een opdracht van vrede.

De bijzondere genade: een innerlijke kennis van Christus onze Heer, zodat ik zijn aanspraken kan aannemen en in Hem het Rijk Gods in eigen Persoon kan zien.

 
"In die tijd wees de Heer tweeënzeventig leerlingen aan en zond hen ..."

Doordat Jezus iemand zendt, wordt hij zoveel als een ambassadeur. Ambassadeur van het Rijk Gods. Ambassadeur van Jezus, die immers naar het woord van de kerkvaders het Rijk Gods in eigen Persoon is. Alle woorden en uitlatingen, heel de bestaanswijze moet worden ingeordend in de koninklijke heerschappij van God. Aan mijn verstrooiingen tijdens het gebed kan ik merken wat in mijn leven nog niet zo op Gods Rijk is afgestemd, wat een eigen leven is blijven leiden. Daar veroorlooft de ambassadeur van het Rijk Gods zich eigengereide uitspraken en handelwijzen.

 
"... en zond hen twee aan twee voor zich uit ..."

In het oude recht van Israël kreeg iets pas rechtsgeldigheid als het werd gestaafd door het getuigenis van twee of drie personen. Deze rechtsregel was ook in gebruik in de kerk: "Wanneer uw broeder gezondigd heeft, wijs hem dan onder vier ogen terecht. Luistert hij naar u, dan hebt ge uw broeder gewonnen. Maar luistert hij niet, haal er dan nog een of twee personen bij, opdat alles beruste op de verklaring van twee of drie getuigen" (Mt 18,15-17). Dat de leerlingen met zijn tweeën zijn, geeft aan hun zending een extra cachet van ambtelijke rechtsgeldigheid.

 
"... en zond hen twee aan twee voor zich uit naar alle steden en plaatsen waarheen Hij zelf van plan was te gaan."

Jezus zendt leerlingen uit, maar Zelf is Hij de eerst gezondene. Zoals Jezus helemaal opgaat in zijn zending door de Vader, zo moet de leerling alle eigen oordeel en voorkeur opzij zetten om zich geheel en al door de zending van Jezus in beslag te laten nemen. Hier moeten de leerlingen in groepen van twee gaan, dat wil zeggen hun gezelschap wordt hun voorgeschreven. En ook de plaatsen waarheen zij gaan, worden hun door Jezus voorgeschreven: "Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u" (Joh 20,21).

 
"Hij sprak tot hen: De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig. Vraagt daarom de Heer van de oogst arbeiders te sturen om te oogsten."

Roepingenschaarste is van alle tijden. Of liever gezegd: antwoordenschaarste, want "velen zijn geroepen maar weinigen uitverkoren" (Mt 14,22). Roepingen moeten worden afgesmeekt. Dat betekent, dat elke zendeling of missionaris, elke priester en elke religieuze een geschenk is uit de hemel. Wie bezorgd is over het gebrek aan priesters, hoeft niet na te laten om dankbaar te zijn voor de priesters die er zijn. Die dankbaarheid is ook weer een gunstige voedingsbodem voor het gebed om roepingen.

 
"Gaat dan, maar zie, Ik zend u als lammeren onder de wolven. Neemt geen beurs mee, geen reiszak, geen schoeisel en groet niemand onderweg."

Jezus' handelwijze is verbazingwekkend. Eerst typeert Hij de verhoudingen waarin de leerlingen terecht komen, als levensgevaarlijk: lammeren die een gretige prooi zijn voor wolven. In plaats van de leerlingen dan maar alles mee te geven waarmee zij zich in zulke riskante omstandigheden kunnen beschermen, neemt Hij hun het meest noodzakelijke nog af: beurs, reiszak, schoeisel en zelfs het zo nodige contacten leggen onderweg. Waarom? Om ze zo vrij te maken voor de zorg van zijn hemelse Vader. Voor deze lammetjes geldt: "De Heer is mijn herder. Het ontbreekt mij aan niets" (Ps 23,1). Trouwens, dat hebben de leerlingen later ook moeten toegeven: "Hij sprak tot hen: Toen Ik u uitzond zonder beurs, reiszak of schoeisel, hebt ge toen aan iets gebrek gehad? Ze antwoordden: Aan niets" (22,35).
Zo'n volstrekte kwetsbaarheid mag dan wel een privilege zijn voor de tijd van Jezus, iets van kwetsbaarheid hoort bij de geestelijke uitrusting van de apostel. Ook bij het gebed hoort leegte en onverschilligheid voor rijkdom aan gedachten en gevoelens.

 
"In welk huis ge ook binnengaat, laat uw eerste woord zijn: Vrede aan dit huis! Woont daar een vredelievend mens dan zal uw vrede op hem rusten; zo niet dan zal hij op u terugkeren."

Hoe komt die vrede op de ander over? Door te roepen: Vrede, vrede, shalom, shalom? Nee, die vrede komt over doordat deze in mij is. Doordat ik zelf in vrede ben, draag ik de vrede uit. De innerlijke vrede werkt aanstekelijk. Ik kan bij mijzelf nagaan of er vrede van mij uitgaat, of ik mensen die met mij te maken kregen, in vrede achterliet, met een gegroeide vrede.

 
"Blijft in dat huis en eet en drinkt wat zij u aanbieden; want de arbeider is zijn loon waard. Gaat niet van het ene huis naar het andere; in elke stad waar ge binnengaat en ontvangen wordt, eet wat u wordt voorgezet, geneest de zieken die er zijn en zegt tot hen: Het Rijk Gods is u nabij."

De leerling van Jezus is niet iemand met een wereldvreemd gedrag die anderen een uitzonderlijk dieet of regiem oplegt. Zijn ascese bestaat erin, dat hij alles probeert te worden voor allen: "ik heb geleerd in alle omstandigheden mijzelf genoeg te zijn. Ik weet wat armoede is, ik weet wat overvloed is. Ik ben volledig ingewijd; ik kan volop eten en ik kan honger lijden, ik ben vertrouwd met overvloed en met gebrek. Alles vermag ik in Hem die mij kracht geeft" (Fil 4,11-14).

 
"De tweeënzeventig keerden vol blijdschap terug en zeiden: Heer, zelfs de duivels onderwerpen zich aan ons door uw Naam. Hij zeide tot hen: Ik zag de satan als een bliksemstraal uit de hemel vallen. Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden, te heersen over heel de kracht van de vijand en niets zal u kunnen schaden."

Dat moet een belevenis geweest zijn voor de leerlingen! Wanneer ze voor het kwaad zelf stonden, zo'n "onreine geest" ... "die niemand meer in staat was zelfs met een ketting te boeien" (Mc 5,3), oog in oog met "heel de kracht van de vijand" wisten ze niets beters te doen dan de Naam van Jezus uit te spreken en dan gebeurde er iets tot hun verrassing: de Naam van Jezus had macht over dat geweld. Jezus bleek de "sterkere" (11,21). Sint Benedictus leert in zijn regel aan de monniken: "Werp elke slechte gedachte te pletter tegen de rots die Christus is."

 
"Toch moet ge u niet verheugen over het feit, dat de duivels aan u onderworpen zijn, maar verheugt u omdat uw namen staan opgetekend in de hemel."

Jezus vindt het niet goed, dat onze vreugde gebonden is aan de overwinning van de macht van het kwaad en daardoor indirect toch nog aan de kwade macht zelf. Wij zijn nu al burgers van het nieuwe Jeruzalem waar helemaal geen kwaad is. De steden in de oudheid hadden lijsten van burgers. Wiens naam op die lijst voorkwam, had deel aan de voorrechten van het burgerschap van die stad. Onze namen staan opgetekend in de hemel, in de hemelse stad, het nieuwe Jeruzalem. De leerlingen van Jezus hebben het zicht op de hemel nodig zoals de joden het perspectief op het beloofde land nodig hadden om door de woestijn heen te komen. Wij moeten "zinnen op het hemelse, niet op het aardse" (Kol 3,2), want "ons vaderland is in de hemel" (Fil 3,19), "want wij hebben hier geen blijvende stad, maar zoeken de toekomstige" (Hebr 13,13).

Omdat wij nu al thuis zijn in de hemel, zoals kinderen bij hun ouders, daarom is het goed het gebed op een vertrouwelijke manier te eindigen: met gesprekjes zoals vrienden onder elkaar, zoals kinderen met hun ouders. Met Jezus, met de Vader. Het Onze Vader vol laten stromen met de herwonnen of verdiepte innigheid en vertrouwelijkheid.

In een andere houding zodat ik wat kan schrijven, de vragen van de reflextie beantwoorden:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Verstrooiingen tijdens het gebed wijzen mij de weg waar ik in mijn leven nog eigenmachtig te werk ga, niet denk, spreek en handel vanuit mijn verbondenheid met God.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Wanneer beleefde ik die eenheid met Jezus en de Vader? "Zoals een moeder haar kind troost?" (Jes 66,13).
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? In de mate dat de gevoelens van verbondenheid en troost na het gebed in mij blijven doorgaan, in die mate begint mijn toebehoren aan de "nieuwe schepping" (Gal 6,15) door te dringen in mijn bewustzijn.

Jezus en zijn leerlingen