Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Vijftiende zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
1 Op zekere dag verliet Jezus zijn huis
en ging aan de oever van het meer zitten.
2 Toen verzamelde zich bij Hem een menigte zó talrijk,
dat Hij in een boot moest stappen
om daar plaats te nemen,
terwijl de hele menigte langs het strand bleef staan.
3 Hij sprak tot hen over vele dingen in gelijkenissen.
"Eens - zo begon Hij - ging een zaaier uit om te zaaien.
4 Bij het zaaien viel een gedeelte op de weg
en de vogels kwamen het opeten.
5 Een ander gedeelte viel op de rotsachtige plekken,
waar het niet veel aarde had;
het schoot snel op omdat het in ondiepe grond lag.
6 Toen de zon was opgekomen,
kreeg het te lijden van de hitte,
zodat het verdorde bij gebrek aan wortel.
7 Weer een ander gedeelte viel onder de distels
en deze schoten op, zodat het verstikte.
8 Een ander gedeelte tenslotte viel op goede grond
en leverde vrucht op:
deels honderd-, deels zestig-, deels dertigvoudig.
9 Wie oren heeft, hij luistere."
Matteüs 13, 1-9

In het gebed komt het aan op ontvankelijkheid. God geeft. De mens ontvangt. Zoals de akker het zaad ontvangt. Aan het begin van het gebed eerst daarop mijn instelling controleren: ben ik bereid om te ontvangen? Daarom eerst mijn geest wat laten rusten bij Hem.

Een paar passen voor de plaats van het gebed me zijn tegenwoordigheid voor ogen stellen, de blik omhoog, zien hoe Hij mij ziet, ook de tegenstellingen in mij, de tegenstrijdigheden. Een gebaar maken van eerbied, me klein maken voor Hem om zo des te beter kunnen ontvangen.

De houding van het gebed aannemen, die houding welke mij het meeste helpt de gesteltenis van ontvankelijkheid en luisterbereidheid te stimuleren. Dat vraag ik dan ook als een genade voor heel mijn leven, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Ik overzie in het kort de geschiedenis: God spreekt door Jezus zijn woord in de wereld. Maar de opname-bereidheid van de mensen is maar klein. Ze zitten vol met vooroordelen. En als ze het woord van God schijnen op te nemen, dan heeft hun enthousiasme iets van een strovuur, even snel gedoofd als het oplaaide. Toch geeft Jezus de moed niet op. Gods uur komt en daarmee een oogstzegen buiten alle maat en verwachting. In deze en andere parabels wil Jezus ons deelgeven aan zijn eigen hoopvolle stemming in schijnbaar hopeloze omstandigheden. Daarvoor beklimt Hij de boot als een leerstoel om vandaaruit met het gezag van een leraar de menigte toe te spreken.

De oever van het meer van Galilea is de plaats waar Jezus dit onderricht hield. Hij, hoog opgericht in een boot, zittend, en de menigte vóór Hem aan het strand. Ook de wereld zien als een akker vol met verstikkende rijkdom, versteende harten van de mensen. Zo ook mijn eigen hart zien.

En dan vragen om de bijzondere genade, dat ik met Jezus' blik de wereld mag zien, in één machtig bewustzijn begin en einde, zaaitijd en oogsttijd.

 
Op zekere dag verliet Jezus zijn huis...

"Zijn huis?" Bedoeld is natuurlijk "zijn huis" te Kafarnaüm. Maar wij doen er toch goed aan zijn hogere afkomst erbij te denken: zijn huis bij de Vader. Ik kan de afstand meten die Jezus heeft afgelegd om met zijn woord bij ons te komen. Wanneer wij de afstand beseffen die Hij heeft afgelegd en steeds weer opnieuw moet afleggen om bij ons te kunnen komen, kunnen wij meer begrip opbrengen voor zijn afstandelijke opstelling:

 
... en ging aan de oever van het meer zitten. Toen verzamelde zich bij Hem een menigte zó talrijk, dat Hij in een boot moest stappen om daar plaats te nemen, terwijl de hele menigte langs het strand bleef staan.

Een hiërarchische opstelling. Hiërarchisch niet in de zin van hoog tegenover laag, maar van hemelhoog tegenover aards hoog en laag. Hiërarchisch is een door God zelf ingestelde, heilige ordening. Die polariteit van onderrichten en van luisteren is wezenlijk voor de kerk. De grondslag van die polariteit is de verhouding van Vader en Zoon, de Vader die spreekt en de Zoon die luistert. Ontvangen is dus niet minderwaardig. Zie maar naar de Zoon: "Alles heeft de Vader Hem in handen gegeven" (11,27). De Zoon heeft dus alles, maar gekregen, ontvangen.
Ook Maria is de "Begenadigde", dat wil zeggen: de louter ontvankelijke, die niets van de haar geschonken genade verloren liet gaan. Maria is proto-type van de kerk, van elke gelovige. Bij het ontvangen van het Woord van God zo ontvankelijk mogelijk zijn. Luisterbereid.
Omdat Jezus hét Woord is van de Vader, daarom past het ons één en al oor te worden. Want Hij spreekt met goddelijk, alles-eisend gezag. Dat blijkt ook uit de houding die Hij bij het spreken aanneemt:

 
... ging aan het oever van het meer zitten... zodat Hij in een boot moest stappen om daar plaats te nemen.

Door te zitten neemt Jezus de houding aan van een leraar die leert met gezag. Die zittende houding verwijst naar het laatste oordeel:

"De Heer heeft gesproken tot mijn Heer:
Zit aan mijn rechterhand,
totdat Ik uw vijanden
onder uw voeten heb neergelegd."(Ps 110)

Ik moet nu naar Hem luisteren zoals ik eens samen met heel de mensheid ademloos aan zijn lippen zal hangen, wanneer Hij bij het laatste oordeel "zal plaats nemen op zijn troon van glorie" (25,31). Nu zal ik alle belemmeringen bij het luisteren zoveel mogelijk opruimen: hardheid van hart, oppervlakkigheid, zorgen en rijkdom, de vooroordelen van de massa. Met zijn zittende houding wil Jezus zeggen: luisteren alleen is niet genoeg. Je moet zo luisteren, dat je ook zult doen wat er gezegd wordt. Je moet je leven onder kritiek gaan stellen van dit woord.

 
"Eens" - zo begon Hij - "ging een zaaier uit om te zaaien. Bij het zaaien viel een gedeelte op de weg en de vogels kwamen het opeten. Een ander gedeelte viel op de rotsachtige plekken, waar het niet veel aarde had; het schoot snel op omdat het in ondiepe grond lag. Toen de zon was opgekomen, kreeg het te lijden van de hitte, zodat het verdorde bij gebrek aan wortel. Weer een ander gedeelte viel onder de distels en deze schoten op, zodat het verstikte."

De boer in Palestina zaait anders dan bij ons, namelijk op het nog ongeploegde akkerveld: tussen distels en doorns; ook op dat stukje akker dat door de buurtbewoners gebruikt werd als pad en zodoende platgetreden; en ook op stukken akker waar de rotsige grond vlak onder de aarde stak. Ofschoon de boer al deze moeilijkheden kent, zaait hij in vertrouwen, dat opnieuw zal lukken wat nog altijd gelukt is. Het is een wonder van de natuur.

De gelovige kijkt niet naar beneden, naar het proces van geleidelijke veranderingen in het zaad en in de grond. Hij kijkt naar boven en ziet het ene wonder na het andere. Hij ziet het contrast tussen wat gezaaid en wat geoogst wordt. Dat contrast doet sint Paulus aan de verrijzenis denken: "wat gezaaid wordt in vergankelijkheid, verrijst in onvergankelijkheid; wat gezaaid wordt in geringheid en zwakte, verrijst in heerlijkheid en kracht" (1 Kor 15,42-43). Evenals de boer in Palestina ziet Jezus de obstakels die de uitgroei van het Woord belemmeren, ja die de verkondiging tot een haast uitzichtloze onderneming maken. Maar Jezus ziet, evenals de boer in zijn land, ook het glorieuze einde. Hij overziet in één machtige blik zaaitijd en oogsttijd, begin en einde, dood en verrijzenis. De parabel nodigt mij uit om de tegenstellingen te meten:

Alle tegenstellingen worden in Jezus verzoend. Verzoend, niet opgeheven. Laatste norm is niet wat wij zijn of zien, maar Hij, zijn Woord. Zijn woord is ons oordeel, onze norm. Zijn woord in deze parabel luidt: er zal vrucht van komen: honderd-, zestig-, dertigvoud!

Aan het eind niet meteen overgaan tot de orde van de dag, maar gesprekjes voeren, met Jezus wiens woord op afwijzing stuit. Dat Hij in mij een ontvankelijk en luisterbereid hart mag vinden. Met de Vader in de hemel die zijn Zoon aan zo'n ongastvrij oord als onze aarde heeft toevertrouwd. Een Onze Vader bidden.

In een andere houding, zodat ik wat kan opschrijven, tot onderscheiding komen welke geesten of krachten mij drijven:

  1. Waar was ik, toen ik niet bij Hem was? De verstrooiingen geven aan waar voor mij de beletselen liggen voor het Woord van God.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar viel het woord van God bij mij in goede aarde?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Blijvende gevoelens voor Hem hebben is de eigenlijke vrucht van het gebed.

De zaaier